Vennootschapsbelasting

Fiscale eenheid

Bijgewerkt op 9 juli 2026

Wat is de fiscale eenheid VPB

De fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting laat een moedermaatschappij en een of meer dochtermaatschappijen fiscaal optreden als één belastingplichtige. De grondslag staat in artikel 15 Wet Vpb 1969 en is uitgewerkt in het Besluit fiscale eenheid 2003. Binnen de eenheid doet de groep één aangifte vennootschapsbelasting, worden onderlinge transacties fiscaal genegeerd en kunnen verliezen van de ene maatschappij direct worden verrekend met winst van een andere. Voor kantoren die regelmatig herstructureringen begeleiden is de fiscale eenheid een van de meest gebruikte instrumenten in de VPB-praktijk.

Belangrijk om vooraf te onderkennen: de fiscale eenheid VPB is een andere regeling dan de fiscale eenheid omzetbelasting (btw). Beide kennen een eigen toets en een eigen verzoek bij de Belastingdienst, en de ene fiscale eenheid impliceert niet automatisch de andere.

Voorwaarden

De kern van artikel 15 Wet Vpb is de bezitseis: de moedermaatschappij houdt ten minste 95% van de aandelen en de stemrechten in de dochter, direct of via een andere in de eenheid gevoegde maatschappij. Aandelen die via een stichting administratiekantoor worden gehouden voldoen niet aan het bezitsvereiste, tenzij de certificaten zelf worden meegerekend.

Daarnaast gelden de volgende eisen:

  • De moeder is een bv, nv, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij; de dochter is een bv of nv, of een daarmee vergelijkbare EU/EER-rechtsvorm (art. 15, lid 4 Wet Vpb 1969).
  • Beide maatschappijen zijn feitelijk in Nederland gevestigd, of hebben een Nederlandse vaste inrichting.
  • Moeder en dochter hanteren hetzelfde boekjaar en dezelfde winstbepalingsregels.
  • Geen van de maatschappijen is een vrijgestelde beleggingsinstelling of fiscale beleggingsinstelling.

Aan alle voorwaarden moet zijn voldaan op de gewenste voegingsdatum, niet pas op het moment van indienen.

De aanvraag

Het verzoek moet binnen drie maanden na de gewenste voegingsdatum bij de Belastingdienst binnen zijn. Terugwerkende kracht is mogelijk, maar niet verder dan drie maanden vóór de datum van indiening. Bij een verzoek op 15 maart 2026 kan de voegingsdatum dus ten hoogste 15 december 2025 zijn, mits ook op die eerdere datum al aan alle voorwaarden werd voldaan.

Praktisch bestaat het verzoek uit Deel A (gegevens van de moedermaatschappij) en een Deel B per dochter. De Belastingdienst streeft naar een beschikking binnen acht weken na ontvangst van een volledig verzoek (art. 4:13 Awb). Bij een complexe groepsstructuur of aanvullende informatievragen loopt die termijn vaak op.

Aandachtspunten

Een aantal onderwerpen verdient extra aandacht bij de beoordeling en het opstellen van het verzoek:

  1. Hoofdelijke aansprakelijkheid. Elke gevoegde maatschappij is hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsbelastingschuld van de hele fiscale eenheid, ook voor schulden die zijn ontstaan vóór toetreding voor zover die aan de periode van voeging zijn toe te rekenen.
  2. Eén keer het lage tarief. Het verlaagde VPB-tarief over de eerste schijf geldt voor de fiscale eenheid als geheel, niet per gevoegde maatschappij. Bij een groep met veel dochters kan dit het effectieve tarief verhogen ten opzichte van afzonderlijke aangiftes.
  3. Verbreken binnen zes jaar. Zijn er binnen de eenheid vermogensbestanddelen overgedragen, dan kan het verbreken van de fiscale eenheid binnen zes jaar na de overdracht leiden tot een sanctie: de overdracht wordt dan alsnog belast alsof die buiten de eenheid had plaatsgevonden.
  4. Renteaftrekbeperkingen. De earningsstrippingmaatregel (art. 15b Wet Vpb) werkt door op het niveau van de fiscale eenheid als geheel, wat het aftrekpotentieel binnen een groep kan concentreren of juist beperken.

Recente ontwikkelingen

Na het arrest van het Hof van Justitie EU over de zogeheten "spoedreparatiemaatregelen" (2018) gelden aanvullende regels om te voorkomen dat de fiscale eenheid een gunstiger uitkomst geeft dan een vergelijkbare grensoverschrijdende situatie zou hebben. Voor kantoren betekent dit dat bepaalde renteaftrekbeperkingen en de earningsstrippingmaatregel moeten worden getoetst alsof er geen fiscale eenheid bestond, naast de reguliere toets op eenheidsniveau. Bij nieuwe voegingen is het raadzaam deze dubbele toets standaard in de checklist op te nemen, zeker bij groepen met aanzienlijke intercompany-financiering.

De Hoge Raad heeft de afgelopen jaren verder verduidelijkt hoe de bezitseis van 95% moet worden beoordeeld bij getrapte belangen en bij aandelen met bijzondere winstrechten. Voor twijfelgevallen (cumulatief preferente aandelen, prioriteitsaandelen, of belangen die via meerdere schakels worden gehouden) blijft een individuele toets nodig; een generieke regel is er niet.

Wat de tool doet en niet doet

Lowkey vult Deel A en Deel B van het vormingsverzoek in op basis van de gegevens die het kantoor aanlevert, consistent over beide delen en klaar om te tekenen. De tool toetst niet of aan de voorwaarden van artikel 15 Wet Vpb is voldaan: die beoordeling, de controle van het verzoek en het indienen blijven bij het kantoor.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 105 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.