Dividendbelasting
Inkoop van eigen aandelen
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Inkoop van eigen aandelen is de situatie waarin een vennootschap aandelen van haar eigen aandeelhouders terugkoopt. Vanuit de vennootschap bezien is dat een vermogensuitkering; vanuit de aandeelhouder bezien is het een vervreemding als elke andere. De Wet op de dividendbelasting 1965 kiest in dat hybride karakter uitdrukkelijk partij: voor zover de vennootschap meer betaalt dan het gemiddeld op de aandelen gestorte kapitaal, behandelt de wet het meerdere als een winstuitdeling, belast tegen hetzelfde tarief als een regulier dividend. Vóór de invoering van de Wet IB 2001 verliep die kwalificatie via de open norm "tijdelijke belegging"; sinds 1 januari 2001 staat de hoofdregel met zoveel woorden in art. 3, eerste lid, onderdeel a, Wet DB 1965: inkoop is belast tenzij de aandelen ter tijdelijke belegging worden gehouden. Voor twee categorieën die zich niet goed naar die hoofdregel laten beoordelen, inkoop ter nakoming van een optieverplichting jegens werknemers en inkoop door beleggingsinstellingen, kent de wet eigen ficties die zelf bepalen wanneer wél of juist niet sprake is van een tijdelijke belegging. Voor beursgenoteerde vennootschappen bestaat daarnaast een aparte inhoudingsvrijstelling die inkoop onder cumulatieve voorwaarden buiten de dividendbelasting kan houden. Het thema raakt zowel de vennootschap, die inhoudingsplichtig is voor de dividendbelasting, als de aandeelhouder, voor wie de opbrengst in de inkomstenbelasting relevant kan zijn bij een aanmerkelijk belang.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer is een inkoop van eigen aandelen "anders dan ter tijdelijke belegging" en dus belast met dividendbelasting?
- Hoe wordt de belaste opbrengst berekend en tegen welk tarief?
- Wanneer geldt de wettelijke fictie voor inkoop ter nakoming van een optieverplichting of door een beleggingsinstelling?
- Onder welke cumulatieve voorwaarden geldt de inhoudingsvrijstelling voor beursvennootschappen van art. 4c Wet DB 1965?
- Hoe wordt inkoop van eigen aandelen verdragsrechtelijk gekwalificeerd bij een buitenlandse aandeelhouder?
- Wanneer blijft een teruggaaf van gestort kapitaal onbelast?
Hoofdregel: opbrengst boven het gestorte kapitaal
Art. 3, eerste lid, Wet DB 1965 somt de categorieën opbrengst op waarover dividendbelasting wordt geheven. Onderdeel a is de kernbepaling voor dit thema: hetgeen bij inkoop van aandelen, anders dan ter tijdelijke belegging, wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op die aandelen gestorte kapitaal, geldt als winstuitdeling. De overige onderdelen van het eerste lid plaatsen inkoop in een breder rijtje vermogensuitkeringen dat de wetgever gelijk behandelt: liquidatie-uitkeringen (onderdeel b), bonusaandelen zonder storting (onderdeel c), teruggaaf van gestort kapitaal uit zuivere winst zonder voorafgaand aandeelhoudersbesluit en statutenwijziging (onderdeel d), winstbewijzen (onderdeel e), vergoedingen op bepaalde hybride kapitaalverstrekkingen en geldleningen als bedoeld in art. 10, eerste lid, onderdeel c en d, Wet Vpb 1969 (onderdeel f), en teruggaven en toerekeningen bij fondsen voor gemene rekening (onderdeel g en h) en houdstercoöperaties (onderdeel i). Niet in geld genoten opbrengst wordt gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer (tweede lid). Giften aan een algemeen nut beogende instelling of steunstichting SBBI door een vennootschap waarin de ontvanger een aanmerkelijk belang heeft, vallen buiten de opbrengst, onder verwijzing naar art. 4.13, vijfde lid, Wet IB 2001 (derde lid). Over het verschil tussen inkoopprijs en gemiddeld gestort kapitaal is 15% dividendbelasting verschuldigd (art. 5 Wet DB 1965).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Tarief dividendbelasting over het inkoopvoordeel | 15% van het verschil tussen inkoopprijs en gemiddeld gestort kapitaal | art. 3 lid 1 onderdeel a jo. art. 5 Wet DB 1965 |
| Optieverplichting: aandelen blijven na tenietgaan van de verplichting op de balans | 3 maanden | art. 3 lid 4 Wet DB 1965 |
| Inkoopfaciliteit beursvennootschappen: vrijstellingsplafond | 20 keer het gemiddeld uitgekeerd dividend in contanten over de 5 voorafgaande kalenderjaren, verminderd met eerder vrijgestelde inkopen uit de voorafgaande 4 jaar | art. 4c lid 1 Wet DB 1965 |
| Berekeningsperiode "gemiddeld dividend in contanten" | 7 voorafgaande kalenderjaren, inflatiegecorrigeerd; het hoogste en het laagste gecorrigeerde jaar tellen niet mee | art. 4c lid 2 Wet DB 1965 |
| Termijn zekerheidsverzoek inkoopfaciliteit | ten minste 6 weken vóór de voorgenomen inkoop | art. 4c lid 5 Wet DB 1965 |
(wettekst geldend per 2026)
Wettelijke ficties: optieverplichting en beleggingsinstelling
Voor twee situaties bepaalt de wet zelf, los van de bedoeling van de vennootschap, of sprake is van een tijdelijke belegging. Inkoop van aandelen met het oog op de nakoming van een optieverplichting jegens een werknemer van de eigen vennootschap of een verbonden vennootschap geldt van rechtswege als tijdelijke belegging (art. 3 lid 4 Wet DB 1965). Blijven die aandelen echter drie maanden na het tenietgaan van de optieverplichting nog tot de bezittingen van de vennootschap behoren, dan worden zij op dat tijdstip alsnog geacht te zijn ingekocht, tegen de waarde in het economische verkeer op dat moment. Inkoop van aandelen door een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten wordt eveneens aangemerkt als tijdelijke belegging, tenzij de instelling de inkoop terstond zelf aanmerkt als een inkoop in de zin van onderdeel a (art. 3 lid 5 Wet DB 1965). Zijn aan het einde van het kalenderjaar meer aandelen als tijdelijke belegging ingekocht dan in dat jaar in het economische verkeer zijn gebracht, dan wordt dat overschot alsnog geacht een inkoop te zijn, tegen de gemiddelde waarde in het economische verkeer van de in dat jaar als tijdelijke belegging ingekochte aandelen. Aandelen die met het oog op een optieverplichting zijn ingekocht of in dat kader in omloop zijn gebracht, of die dienden ter voldoening van de uitdelingsverplichting van art. 28, tweede lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969, blijven bij die overschotberekening buiten beschouwing.
Inhoudingsvrijstelling voor beursvennootschappen (art. 4c Wet DB 1965)
Ook als een inkoop niet als tijdelijke belegging kwalificeert, kan inhouding van dividendbelasting achterwege blijven op grond van de faciliteit van art. 4c Wet DB 1965. Inhouding mag achterwege blijven voor zover het totale bedrag van de inkoop in het kalenderjaar niet meer bedraagt dan twintig keer het gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten over de vijf voorafgaande kalenderjaren, verminderd met bedragen waarvoor in de vier voorafgaande jaren al inhouding achterwege bleef (eerste lid). Daarvoor moet cumulatief zijn voldaan aan drie voorwaarden: de ingekochte aandelen behoren tot een op een gereglementeerde markt toegelaten soort en de inhoudingsplichtige is geen lichaam waarvan de werkzaamheid hoofdzakelijk uit beleggen bestaat (onderdeel a), in het kalenderjaar wordt ten minste het gemiddelde contante dividend daadwerkelijk uitgekeerd (onderdeel b), en het nominaal gestorte kapitaal is in het lopende jaar tot het inkooptijdstip en de vier voorafgaande jaren niet vergroot, tenzij die vergroting overwegend zakelijk was (onderdeel c). Het gemiddeld uitgekeerde dividend in contanten wordt berekend over de zeven voorafgaande kalenderjaren, na correctie voor inflatie en met het hoogste en het laagste gecorrigeerde jaar buiten beschouwing (tweede lid). Heeft de inhoudingsplichtige verschillende soorten nominaal gestort kapitaal, dan wordt de faciliteit per aandelensoort toegepast (derde lid); voor fusie- en splitsingssituaties en voor de inflatiebijstelling gelden nadere, bij ministeriële regeling vastgestelde regels (vierde lid). Voor toepassing van de faciliteit is geen voorafgaande goedkeuring vereist, de inhoudingsplichtige beoordeelt zelf of aan de voorwaarden is voldaan. Wie zekerheid vooraf wil, kan bij de inspecteur een verzoek indienen waarop deze beslist bij een voor bezwaar vatbare beschikking, mits het verzoek ten minste zes weken voor de voorgenomen inkoop is ingediend (vijfde lid).
Verdragskwalificatie bij een buitenlandse aandeelhouder
Bij een grensoverschrijdende aandeelhouder speelt de vraag hoe het hybride karakter van de inkoop verdragsrechtelijk wordt behandeld. De Hoge Raad overwoog in HR 12 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0450, dat inkoop van eigen aandelen zich vanuit de vennootschap bezien niet onderscheidt van een gewone winstuitdeling: de vennootschap gaat in vermogen achteruit met de koopprijs, terwijl vanuit de verkopende aandeelhouder bezien geen aanleiding bestaat de verkoop aan de eigen vennootschap anders te behandelen dan een verkoop aan een derde. Omdat het OESO-modelverdrag deze hybride transactie niet uitdrukkelijk onder een van de verdragsartikelen rangschikt, is voor de verdragskwalificatie beslissend hoe de nationale wet het voordeel zelf kwalificeert en welke maatstaven daarbij gelden. In de destijds voorliggende zaak behandelde de toen geldende Nederlandse regeling het voordeel als vervreemdingswinst en niet als dividend, met als gevolg dat Nederland niet als bronstaat mocht heffen. Sinds de codificatie van de hoofdregel in 2001 kwalificeert de Wet DB 1965 het verschil tussen inkoopprijs en gemiddeld gestort kapitaal uitdrukkelijk als opbrengst. Kennisgroepstandpunt KG:040:2024:2 werkt uit dat de protocollen bij de belastingverdragen met Duitsland en Zwitserland inkoop van aandelen uitdrukkelijk als inkomsten uit aandelen kwalificeren en de berekeningswijze aan de nationale wet overlaten, zodat Nederland niet gehouden is de geheven dividendbelasting verder te verminderen tot het verschil tussen inkoopprijs en verkrijgingsprijs dat de woonstaat van de aandeelhouder ter verrekening toelaat.
Teruggaaf en bijschrijving van kapitaal
Een teruggaaf van gestort kapitaal (art. 3 lid 1 onderdeel d Wet DB 1965) is alleen onbelast als de algemene vergadering van aandeelhouders vooraf tot die teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging met eenzelfde bedrag is verminderd. Een eenmalige AVA-beslissing en statutenwijziging die in één keer voor een reeks toekomstige jaren periodieke betalingen vaststelt waarvan omvang en tijdstip nog niet vaststaan, voldoet niet aan die formele eis en leidt alsnog tot een belaste opbrengst voor zover er zuivere winst is. Bij een fonds voor gemene rekening geldt deze formele ontsnappingsmogelijkheid niet: teruggaaf van kapitaal door een fonds voor gemene rekening is belast voor zover het fondsvermogen het gestorte bedrag te boven gaat, zonder de mogelijkheid van een besluit dat de teruggaaf alsnog onbelast maakt. Bijschrijving van nominaal aandelenkapitaal ten laste van winstreserves kwalificeert niet als storting voor de Wet DB 1965: een eerdere teruggaaf van kapitaal ten laste van de agioreserve vermindert het fiscaal erkende gestorte kapitaal niet, en een latere bijschrijving uit winstreserves verhoogt het niet.
Aandachtspunten voor de praktijk
- De kwalificatie "anders dan ter tijdelijke belegging" is beslissend voor de heffing: de wettelijke ficties voor optieverplichtingen en beleggingsinstellingen kennen die kwalificatie toe of onthouden haar juist, los van de bedoeling van de vennootschap.
- Bij inkoop ter nakoming van een optieverplichting loopt de driemaandentermijn na het tenietgaan van die verplichting door: blijven de aandelen langer op de balans, dan ontstaat alsnog een geachte inkoop tegen de waarde in het economische verkeer op dat latere tijdstip.
- Bij een inkoopoverschot van een beleggingsinstelling moet de opbrengst worden gebruteerd, ook zonder toereikende agio- of herbeleggingsreserve, en mag daarop geen inhoudingsvrijstelling voor deelnemingsdividenden worden toegepast.
- De inhoudingsvrijstelling van art. 4c Wet DB 1965 vergt dat alle drie de voorwaarden van het eerste lid tegelijk zijn vervuld; voor het zekerheidsverzoek geldt een termijn van ten minste zes weken vóór de voorgenomen inkoop.
- Bij een buitenlandse rechtsvorm blijft een terugbetaling van kapitaal alleen onbelast als de juridische stappen voor de nominale waardevermindering correct naar het toepasselijke buitenlandse recht zijn doorlopen.
- Contractuele nabetalingsrechten die aan een inkoop worden gekoppeld, zonder statutaire grondslag en zonder verhandelbaarheid van de vordering, geven in de praktijk aanleiding tot zekerheidsvooroverleg met de Belastingdienst.
- Bonusaandelen die ten laste van winstreserves worden uitgereikt, vormen een opbrengst waarover dividendbelasting wordt ingehouden, maar leveren in hetzelfde kalenderjaar geen belastbaar voordeel uit aanmerkelijk belang op; zie ook Teruggaaf van dividendbelasting.
Recente ontwikkelingen
- 2021: ruling RULOV 20211019-000002 (College Internationale Fiscale Zekerheid) over zekerheid vooraf bij inkoop van eigen aandelen met een contractueel nabetalingsrecht op toekomstige netto-opbrengsten, zonder statutaire grondslag en zonder verhandelbaarheid van de vordering.
- 2022: KG:024:2022:5 over de formele vereisten voor een onbelaste teruggaaf van kapitaal.
- 2023: KG:024:2023:6 (op een inkoopoverschot bij een beleggingsinstelling mag de inhoudingsvrijstelling voor deelnemingsdividenden niet worden toegepast) en KG:024:2023:21 (teruggaaf van kapitaal door een fonds voor gemene rekening is belast voor zover het fondsvermogen het gestorte bedrag te boven gaat).
- 2024: KG:024:2024:2 over bijschrijving van nominaal aandelenkapitaal ten laste van winstreserves.
- 2025: KG:024:2025:1 (het jaar van oprichting kan meetellen bij de berekening van het gemiddeld uitgekeerde dividend voor art. 4c Wet DB 1965), KG:024:2025:3 (onbelaste terugbetaling van kapitaal door een buitenlandse rechtsvorm), KG:024:2025:5 (brutering van een inkoopoverschot bij een beleggingsinstelling, ook zonder toereikende agio- of herbeleggingsreserve) en het Verzamelbesluit dividendbelasting 2025 met geactualiseerde beleidslijnen over kapitaalteruggaaf en step-up bij een grensoverschrijdende juridische fusie.
- 2026: KG:024:2026:1 over bonusaandelen die ten laste van winstreserves zijn uitgereikt.
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Beleid en standpunten
75 bronnen in de kennisbank-
KG:024:2025:5 (2025)
Standpunt: Bij een inkoopoverschot van aandelen door een beleggingsinstelling dient de opbrengst (artikel 3 lid 4 Wet DB 1965) te worden gebruteerd (artikel 6 Wet DB 1965), ook zonder voldoende agio- of herbeleggingsreserve.
-
KG:024:2023:6 (2023)
Standpunt: Op opbrengst uit inkoopoverschot in de zin van artikel 3, vierde lid, Wet DB mag inhouding van dividendbelasting op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, Wet DB niet achterwege blijven.
-
KG:024:2025:1 (2025)
Standpunt: Het jaar van oprichting van een vennootschap kan als kalenderjaar in aanmerking worden genomen bij bepaling van het gemiddeld uitgekeerde dividend voor de inhoudingsvrijstelling bij aandeleninkoops (artikel 4c Wet DB 1965).
-
KG:024:2023:21 (2023)
Standpunt: Artikel 3 lid 1 onderdeel d Wet DB 1965 geldt niet voor fondsen voor gemene rekening. Teruggaaf van kapitaal is belast voor zover vermogen hoger is dan gestort bedrag.
-
KG:024:2024:2 (2024)
Standpunt: teruggave van gestort kapitaal ten laste van agioreserve leidt niet tot vermindering fiscaal erkend gestort kapitaal; latere bijschrijving uit winstreserves kwalificeert niet als storting voor Wet DB 1965.
-
Besluit BWBR0051629
Beleid inzake dividendbelasting; actualisering bepalingen teruggaaf kapitaal, onbelaste teruggaaf en step-up bij grensoverschrijdende juridische fusie.
-
KG:024:2022:5 (2022)
Standpunt: Voor artikel 37 URIB 2001 gelden cumulatieve voorwaarden: de dieettypering, ziektebeeld en aandoening moeten alle drie voorkomen in de dieetkostentabel.
-
KG:024:2025:3 (2025)
Standpunt: Terugbetaling van kapitaal door buitenlandse vennootschap voldoet aan uitzondering artikel 3 Wet DB 1965 mits juridische stappen voor nominaalewaardevermindering correct volgens buitenlands recht worden uitgevoerd.
-
RULOV 20211019-000002 (2021)
X verzoekt zekerheid dividendbelasting voor inkoop eigen aandelen met nabetalingsrecht (contractueel op toekomstige netto-opbrengsten, geen statutaire grondslag, vorderingen niet verhandelbaar).
-
KG:024:2026:1 (2026)
Standpunt: Bonusaandelen uitgereikt ten laste van winstreserves vormen een opbrengst waarover dividendbelasting is ingehouden, maar vormen geen belastbaar voordeel uit aanmerkelijk belang in hetzelfde kalenderjaar.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.