Inkomstenbelasting
Aanmerkelijk belang (box 2)
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Aanmerkelijk belang (AB) is het regime in box 2 van de inkomstenbelasting voor natuurlijke personen die een substantieel belang houden in een vennootschap. Wie kwalificeert als aanmerkelijkbelanghouder, wordt niet belast als spaarder of belegger in box 3, maar als aandeelhouder met een directe band met "zijn" vennootschap: reguliere voordelen (met name dividend) en vervreemdingsvoordelen worden in de heffing betrokken volgens een eigen tariefstructuur.
Het aanmerkelijk belang begrenst tegelijk waar de vennootschapsbelasting eindigt en de inkomstenbelasting van de aandeelhouder begint. Voor DGA's en familiebedrijven bepaalt de AB-kwalificatie welke handelingen (dividenduitkering, verkoop van aandelen, schenking, overlijden) tot belastbaar inkomen leiden en tegen welke verkrijgingsprijs een eventuele latere vervreemding wordt afgerekend. Het leerstuk raakt daarmee vrijwel elke transactie rond een besloten of naamloze vennootschap waarin een particulier een substantieel belang aanhoudt.
Het aanmerkelijk-belangbegrip is bovendien niet beperkt tot rechtstreeks aandelenbezit: de wet trekt indirecte belangen, winstbewijzen, optierechten en bepaalde buitenlandse of hybride rechtsvormen binnen dezelfde definitie. Dat maakt de kwalificatievraag in de praktijk vaak minder vanzelfsprekend dan de 5%-drempel op het eerste gezicht suggereert.
Wanneer speelt dit
De AB-vraag komt op bij verkoop of overdracht van aandelen in een BV of NV, bij dividenduitkeringen aan een DGA, bij schenking of vererving van aanmerkelijkbelangaandelen binnen de familie, en bij herstructureringen waarbij aandelen worden omgezet (bijvoorbeeld in tracking stocks) of geruild. Ook de uitoefening van aandelenoptierechten kan een aanmerkelijk belang doen ontstaan, en bij grensoverschrijdende situaties (emigratie van de aandeelhouder, buitenlandse vennootschappen, verdragstoepassing) speelt de kwalificatie een rol bij de vraag welke staat mag heffen. Daarnaast raakt het thema situaties met certificering van aandelen (Stichting Administratiekantoor), lucratieve belangen en leningen tussen vennootschap en aandeelhouder.
Wettelijk kader
Art. 4.6 Wet IB 2001 bepaalt wanneer een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. De kernvoorwaarde van onderdeel a luidt dat iemand, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect "voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld". Naast dit directe aandeelhouderschap kent het artikel een reeks alternatieve, zelfstandige kwalificatiegronden: rechten om aandelen te verwerven tot ten minste 5% (onderdeel b), winstbewijzen die zien op ten minste 5% van de jaarwinst of van een liquidatie-uitkering (onderdeel c), stemrechten van ten minste 5% in bepaalde rechtspersonen (onderdeel d), een aandeel in een omgekeerd hybride lichaam als bedoeld in artikel 2, elfde lid, Wet Vpb 1969 waardoor voor ten minste 5% in de winst van dat lichaam wordt gedeeld (onderdeel e), en een aandeel in een ander in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bedoeld lichaam waardoor voor ten minste 5% wordt gedeeld in de winst, in een liquidatie-uitkering of in de stemrechten (onderdeel f). Deze gronden staan naast elkaar: elk van de onderdelen is op zichzelf voldoende voor het ontstaan van een aanmerkelijk belang, ongeacht of aan de andere onderdelen is voldaan.
Art. 4.12 Wet IB 2001 bepaalt vervolgens wat tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang wordt gerekend. Het inkomen is het gezamenlijke bedrag van "de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten" (onderdeel a) en "de voordelen die worden behaald bij de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen, of bij de vervreemding van een gedeelte van de in deze aandelen of winstbewijzen besloten liggende rechten (vervreemdingsvoordelen)" (onderdeel b), verminderd met de persoonsgebonden aftrek van hoofdstuk 6. De twee categorieën, reguliere voordelen en vervreemdingsvoordelen, zijn dus cumulatief onderdeel van hetzelfde boxinkomen en worden niet afzonderlijk belast.
Belangrijkste rechtspraak
In ECLI:NL:HR:2026:518 (2026) oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof in stand blijft dat de tegenprestatie bij inkoop van aandelen tussen broer en zus was bedongen bij een overeenkomst die niet onder normale omstandigheden was gesloten in de zin van artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001, omdat sprake was van een bevoordelingsoogmerk. Deze uitspraak is relevant voor de vaststelling van de overdrachtsprijs bij familietransacties in aandelen.
ECLI:NL:GHARL:2020:10811 (2020) betrof de vraag of door uitoefening van aandelenoptierechten, waarbij certificaten van aandelen werden verkregen, een aanmerkelijk belang ontstaat, en welke overdrachtsprijs bij een latere vervreemding van die certificaten in aanmerking moet worden genomen. De zaak illustreert dat het ontstaan van een aanmerkelijk belang en de waardering van de verkrijgingsprijs niet los van elkaar staan bij optieconstructies.
In ECLI:NL:HR:2020:972 (2020) oordeelde de Hoge Raad dat StAK II een zelfstandige betekenis had tussen de belanghebbende en de overige certificaathouders, en dat, nu het economische belang naar de verdeling van de certificaten toebehoorde, op grond van de uitzondering van artikel 2.14a, lid 2, onderdeel b, Wet IB 2001 geen sprake was van een afgezonderd particulier vermogen. Deze uitspraak raakt de vraag hoe certificering via een STAK zich verhoudt tot het aanmerkelijk-belangregime.
ECLI:NL:HR:2019:1228 (2019) betrof een verlies op een middellijk gehouden lucratief belang. De Hoge Raad oordeelde dat dit verlies niet aftrekbaar is van het resultaat uit overige werkzaamheden, en dat deze regeling, ondanks de asymmetrie tussen belaste winst en onaftrekbaar verlies, niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM.
Aandachtspunten voor de praktijk
De kwalificatie als aanmerkelijkbelanghouder moet langs elk van de zelfstandige gronden van art. 4.6 worden getoetst; ook indirecte belangen, winstbewijzen, optierechten en stemrechten kunnen los van rechtstreeks aandeelhouderschap tot een aanmerkelijk belang leiden. Bij transacties tussen gelieerde partijen (zoals inkoop van aandelen tussen familieleden) is de vraag of de tegenprestatie is bedongen onder normale omstandigheden, in de zin van artikel 4.22 Wet IB 2001, een terugkerend aandachtspunt, zeker bij een mogelijk bevoordelingsoogmerk. Bij uitoefening van aandelenoptierechten verdient zowel het ontstaansmoment van het aanmerkelijk belang als de vaststelling van de overdrachtsprijs bij latere vervreemding afzonderlijke aandacht. Certificering van aandelen via een Stichting Administratiekantoor kan gevolgen hebben voor de toepassing van de regels over afgezonderd particulier vermogen en vraagt om een beoordeling van de zelfstandige positie van de STAK. Verliezen op een lucratief belang die middellijk worden gehouden, zijn niet zonder meer verrekenbaar met ander box 1-resultaat, wat vooraf in de structurering moet worden meegewogen.
Recente ontwikkelingen
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren meerdere kennisgroepstandpunten gepubliceerd die de kwalificatie- en vervreemdingsvraag bij aanmerkelijk belang verder invullen, onder meer over het aanmerkelijk belang in een omgekeerd hybride lichaam (artikel 4.6, onderdeel e), over vervreemding bij herroeping van een schenking van aanmerkelijkbelangaandelen, over de kwalificatie als vervreemdingsvoordeel, in plaats van negatief loon, bij teruglevering van aandelen onder een bad-leaver-bepaling, en over de omzetting van gewone aandelen in tracking stocks als vervreemding onder artikel 4.12 Wet IB 2001, tenzij de tracking stocks economisch identiek zijn aan de vorige aandelen. Voor grensoverschrijdende gevallen is daarnaast een standpunt gepubliceerd over de toepassing van het vermogenswinstartikel onder het verdrag met Frankrijk bij indirect gehouden onroerende goederen. Deze recente standpunten wijzen erop dat de Belastingdienst de kwalificatie- en waarderingsvragen rond aanmerkelijk belang actief blijft verduidelijken, ook voor minder gangbare structuren.
Kernartikelen
- Art. 4.12 Wet IB 2001 — Art. 4.12 Wet IB 2001: Inkomen uit aanmerkelijk belang
- Art. 4.6 Wet IB 2001 — Art. 4.6 Wet IB 2001: Begrip aanmerkelijk belang
Belangrijkste rechtspraak
23 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2026:518 (2026)
De Hoge Raad oordeelt dat het beroep in cassatie ongegrond is en laat het oordeel van het Hof in stand dat de tegenprestatie bij de inkoop van aandelen tussen broer en zus is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001, omdat sprake was van een bevoordelingsoogmerk.
-
ECLI:NL:HR:2020:972 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat StAK II een zelfstandige betekenis heeft tussen belanghebbende en de overige certificaathouders en dat, nu het economische belang naar de verdeling van de certificaten toebehoorde, op grond van de uitzondering van art. 2.14a lid 2 letter b Wet IB 2001 geen sprake is van een afgezonderd particulier vermogen.
-
ECLI:NL:HR:2020:1948 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel dat kwijtschelding van een rentevordering van de BV op de aandeelhouder een winstuitdeling vormt, geen stand houdt omdat de onderliggende hofuitspraak in de samenhangende zaak ECLI:NL:HR:2020:1949 is vernietigd; verwijzing volgt.
-
ECLI:NL:HR:2017:1326 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat bij de 183-dagenregeling de aanwezigheid in de werkstaat bepalend is, ook op werkgerelateerde dagen zonder werkzaamheden, en dat de fictiefloonregeling geldt voor een in België wonende aanmerkelijkbelanghouder van een Belgische BVBA.
-
ECLI:NL:HR:2023:26 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat de zaak moet worden verwezen ter beoordeling of navordering mogelijk is ondanks een eerder conform de convenantaangifte vastgestelde aanslag in het kader van horizontaal toezicht, en of de lening van de vennootschap aan de aandeelhouder als uitdeling geldt.
-
ECLI:NL:HR:2019:1228 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat een verlies op een middellijk gehouden lucratief belang niet aftrekbaar is van het resultaat uit overige werkzaamheden, en dat deze regeling, ondanks de asymmetrie tussen belaste winst en onaftrekbaar verlies, niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM.
- ECLI:NL:GHAMS:2025:101 (2025)
- ECLI:NL:GHARL:2025:3685 (2025)
-
ECLI:NL:GHARL:2020:10811 (2020)
De zaak betreft of door uitoefening van aandelenoptierechten (waarbij certificaten van aandelen zijn verkregen) een aanmerkelijk belang ontstaat, en welke bij vervreemding van de certificaten in aanmerking te nemen (geschatte) overdrachtsprijs geldt.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:6762 (2025)
De zaak betreft of een managementfee kwalificeert als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking; het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Beleid en standpunten
23 bronnen in de kennisbank-
KG:003:2022:16 (2022)
Standpunt: Een natuurlijke persoon kan een aanmerkelijk belang hebben in een omgekeerd hybride lichaam onder artikel 4.6, onderdeel e, Wet IB 2001, mits zij voor ten minste 5% in winst deelt vóór artikel 9-aftrek.
-
KG:003:2026:4 (2026)
Standpunt: Teruglevering aandelen waarop bad-leaver bepaling van toepassing is leidt tot vervreemdingsvoordeel. Overdrachtsprijs is de werkelijke opbrengst van terugkere.
-
KG:003:2025:2 (2025)
Standpunt: Nog niet verrekend verlies uit aanmerkelijk belang kan vanaf 2019 worden omgezet in belastingkorting artikel 4.53 Wet IB.
-
KG:003:2023:10 (2023)
Standpunt: Dit standpunt is ingetrokken in verband met de inwerkingtreding van het Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025.
-
KG:063:2023:24 (2023)
Standpunt: Toerekeningsregel artikel 35c, vijfde lid, Wet Successie 1956 is van toepassing bij overlijden indirect aanmerkelijkbelanghouder in algehele gemeenschap van goederen met 5%-belang.
-
Besluit BWBR0052230
Beleid inzake rendement uit onroerende zaken (ROW); actualisering artikel 3.90 Wet IB 2001 met nieuwe beleidsstandpunten.
-
KG:003:2024:4 (2024)
Standpunt: De omzetting van gewone aandelen in tracking stocks vormt voor meerdere aandeelhouders een vervreemding onder artikel 4.12 Wet IB 2001, tenzij de tracking stocks economisch identiek zijn aan de vorige aandelen.
-
KG:003:2026:01 (2026)
Standpunt: Herroeping van schenking van aanmerkelijkbelangaandelen leidt tot vervreemdingsvoordeel voor aandeelhouder, zowel bij obligatoire als goederenrechtelijke werking van het herroepingsrecht.
-
KG:041:2024:24 (2024)
Standpunt: Nederland heeft heffingsrecht over voordeel uit vervreemding van aanmerkelijk belang aandelen, ook wanneer het geconsolideerde vermogen voor meer dan 70% uit buitenlandse onroerende goederen bestaat (artikel 13, vierde lid, Verdrag NL-FRA 1973). Dit volgt niet onder artikel 13, eerste lid over directe onroerend-goederenvervreemding.
-
Kamerstuk 36202 nr. H (EK)
In deze nota antwoordt de regering op vragen van Kamerleden over het Belastingplan 2023, waaronder alternatieven voor afbouw van de algemene heffingskorting.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.