Schenk- en erfbelasting
Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) is de voorwaardelijke vrijstelling van schenk- en erfbelasting voor de verkrijging van kwalificerend ondernemingsvermogen bij een bedrijfsopvolging. De regeling voorkomt dat de heffing de continuïteit van een onderneming in gevaar brengt op het moment dat deze van eigenaar wisselt: zonder faciliteit zou een opvolger belasting moeten betalen over vermogen dat in de onderneming vastzit en niet zomaar liquide te maken is. Voor de inkomstenbelasting bestaan flankerend de doorschuifregelingen (DSR) van art. 4.17a en art. 4.17c Wet IB 2001, die de afrekening over de aanmerkelijkbelangclaim bij vererving respectievelijk schenking van aandelen uitstellen voor zover toerekenbaar aan ondernemingsvermogen. BOR en DSR worden in de praktijk vrijwel altijd samen beoordeeld.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer is sprake van kwalificerend ondernemingsvermogen in de zin van art. 35c SW 1956?
- Welke bezits- en voortzettingstermijn gelden voor overdrager en verkrijger?
- Wat levert de vrijstelling op, en hoe werkt de geconserveerde waarde?
- Wanneer kwalificeren preferente aandelen en tracking stocks?
- Hoe verhoudt de BOR zich tot de doorschuifregeling in de inkomstenbelasting?
De drie cumulatieve eisen van een bedrijfsopvolging
Van een bedrijfsopvolging in de zin van art. 35b lid 5 SW 1956 is pas sprake als aan drie eisen tegelijk is voldaan. Ten eerste kwalificerend ondernemingsvermogen (art. 35c SW 1956): een onderneming in de zin van art. 3.2 Wet IB 2001, een medegerechtigdheid als bedoeld in art. 3.3 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001, aanmerkelijkbelangvermogen (met uitzondering van een fictief aanmerkelijk belang op grond van art. 4.10 Wet IB 2001) mits het lichaam een onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt, of onder voorwaarden onroerend goed dienstbaar aan de onderneming van een verbonden lichaam (lid 1). Alleen vermogen dat bij verkrijging voor ondernemingsdoeleinden wordt aangehouden telt mee; het Pottenbakkersarrest is voor de BOR niet relevant, aldus de Hoge Raad in een zaak met een ten onrechte meegerekend verhuurd beleggingspand (ECLI:NL:HR:2023:1054), en de eis van een materiële onderneming staat als zelfstandige horde los van de overige voorwaarden (ECLI:NL:GHAMS:2021:4085).
Ten tweede de bezitstermijn van art. 35d SW 1956: één jaar voor de erflater, vijf jaar voor de schenker, zonder toename van het belang in die periode (lid 1), sinds 1 januari 2026 verlengd met zes maanden per jaar dat de erflater, onderscheidenlijk de schenker, de AOW-leeftijd met meer dan twee respectievelijk zes jaar is gepasseerd (lid 2 en 3). Bij een indirect gehouden belang moet ook worden beoordeeld of de aan een gesplitste vennootschap toegerekende activiteiten van haar dochters vóór de splitsing al één onderneming vormden (art. 35d lid 1 onderdeel c SW 1956; ECLI:NL:HR:2023:647), een vraag die ook speelt na een latere ruziesplitsing (ECLI:NL:HR:2026:137).
Ten derde het voortzettingsvereiste van art. 35e SW 1956: gedurende drie jaar na de verkrijging mag de verkrijger niet staken, vervreemden, omzetten in preferente aandelen of de winst- of waardeaanspraak beperken (lid 1); voor de toetsing wordt aangesloten bij het stakings- en vervreemdingsbegrip van de Wet IB 2001, en levert verhuur van de voorheen zelf geëxploiteerde onderneming op zichzelf geen staking op (ECLI:NL:HR:2022:1793). Bij schenking geldt daarnaast dat de verkrijger 21 jaar of ouder moet zijn (art. 35b lid 5 SW 1956).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Vrijstellingsdrempel objectieve onderneming | € 1.543.500 | art. 35b lid 1 onderdeel a SW 1956 |
| Vrijstellingspercentage tot de drempel | 100% | art. 35b lid 1 onderdeel a SW 1956 |
| Vrijstellingspercentage boven de drempel | 75% (was 83% tot en met 2024) | art. 35b lid 1 onderdeel b SW 1956 |
| Bezitstermijn erflater / schenker | 1 jaar / 5 jaar (langer bij AOW-koppeling sinds 2026) | art. 35d lid 1, 2 en 3 SW 1956 |
| Voortzettingstermijn verkrijger | 3 jaar | art. 35e lid 1 jo. art. 35b lid 5 SW 1956 |
| Leeftijdseis bij schenking | 21 jaar of ouder | art. 35b lid 5 SW 1956 |
| Uitsluitingsdrempel overtollige bedrijfsmiddelen | € 103.000 per bedrijfsmiddel | art. 35c lid 7 onderdeel c SW 1956 |
| Aangiftetermijn na doorbreking voortzettingsvereiste | 8 maanden | art. 35e lid 8 SW 1956 |
(wettekst geldend per 2026)
Wat niet kwalificeert: uitsluitingen en toerekening
Niet tot het ondernemingsvermogen behoort onroerend goed dat meer dan bijkomstig aan een ander ter beschikking is gesteld, met de daarmee samenhangende schulden, bedrijfsmiddelen van ten minste € 103.000 die meer dan bijkomstig voor andere dan bedrijfsdoeleinden worden gebruikt (waaronder privégebruik door werknemers), en vermogen dat een voortzetting vormt van een eerder tegen een last of tegenprestatie vervreemde onderneming of aandelenpakket, tot maximaal dat bedrag (art. 35c lid 7 SW 1956). Verpachting van los land op grond van een pachtovereenkomst die voldoet aan art. 7:396 lid 1 onderdelen a tot en met c BW telt niet als schadelijke terbeschikkingstelling (lid 9); woon-werkverkeer geldt niet als privégebruik (lid 10). Bij indirect gehouden belangen worden bezittingen en schulden van een dochtermaatschappij naar evenredigheid toegerekend bij een indirect aanmerkelijk belang, of bij een tussen 0,5% en 5% verwaterd belang dat uitsluitend door vererving, huwelijksvermogensrecht of schenking ontstond (lid 5); een enkel belang in een ander lichaam is op zichzelf geen ondernemingsvermogen (lid 6). Bij gemengde activiteiten, zoals projectontwikkeling naast verhuur, vergt toerekening van individuele panden een gemotiveerde feitelijke vaststelling per pand (ECLI:NL:HR:2021:951, ECLI:NL:HR:2021:952 en ECLI:NL:HR:2021:954).
Preferente aandelen en tracking stocks
Preferente aandelen, met voorrang bij winstverdeling of liquidatie-uitkering (art. 35c lid 12 SW 1956), kwalificeren uitsluitend als omzetting van eerder gewoon aandelenbezit, gepaard met toekenning van gewone aandelen aan een ander, mits de vennootschap toen al een onderneming dreef en de verkrijger al voor ten minste 5% aandeelhouder is van de bijbehorende gewone aandelen (art. 35c lid 4 SW 1956). Een bijzonder stemrecht maakt een aandeel op zichzelf niet preferent; beslissend is de winst- of liquidatievoorrang (KG:003:2024:11). Bij tracking stocks, gekoppeld aan de waarde van een specifiek bedrijfsonderdeel, volgt de toerekening op direct niveau de statutaire gerechtigdheid of de werkelijke waardecomponenten per aandelensoort (KG:003:2026:5); op indirect niveau is de statutaire regeling beslissend, niet de werkelijke economische gerechtigdheid, een lijn die ook voor de DSR geldt (KG:003:2026:6; KG:003:2026:7).
Omvang van de vrijstelling en de geconserveerde waarde
Voor de objectieve onderneming is de vrijstelling 100% tot de vrijstellingsdrempel en 75% daarboven (art. 35b lid 1 SW 1956). Voor het niet-vrijgestelde deel wordt de verschuldigde belasting op verzoek aangemerkt als geconserveerde waarde (lid 2 en 3), waarvoor uitstel van betaling kan worden verkregen (art. 25 lid 12 Invorderingswet 1990). Een last of tegenprestatie bij verkrijging wordt niet in mindering gebracht op de waarde van het ondernemingsvermogen (lid 4). Het verzoek wordt gelijktijdig met de aangifte gedaan; een later verzoek is niet mogelijk (lid 7). Geschillen na toepassing spelen zich doorgaans af rond de omvang van het uitstel, zoals bij een bevestigde vermindering van een conserverende aanslag met voortzetting van het uitstel (ECLI:NL:GHARL:2026:2736).
Doorschuifregeling in de inkomstenbelasting
Voor de aanmerkelijkbelangclaim bestaan flankerende doorschuifregelingen: art. 4.17a Wet IB 2001 bij vererving, art. 4.17c Wet IB 2001 bij schenking. Op gezamenlijk verzoek geldt de overgang niet als vervreemding voor het deel toerekenbaar aan ondernemingsvermogen, mits de vennootschap een onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt, de aandelen bij de overdrager niet reeds een fictief aanmerkelijk belang op grond van art. 4.10 Wet IB 2001 waren, de verkrijger binnenlands belastingplichtig is, en, bij schenking, 21 jaar of ouder (art. 4.17a lid 1; art. 4.17c lid 1). Bij schenking geldt het toerekenbare deel nooit voor meer dan de overdrachtsprijs verminderd met de tegenprestatie (art. 4.17c lid 2). Binnen het DSR-ondernemingsvermogen telt ook een beleggingsmarge mee tot 5% van de waarde van de onderneming (art. 4.17a lid 6 onderdeel b Wet IB 2001); voor de BOR zelf bestaat die marge niet expliciet.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Alleen vermogen voor ondernemingsdoeleinden telt mee (ECLI:NL:HR:2023:1054); de materiële-ondernemingstoets van art. 3.2 Wet IB 2001 staat los van de overige voorwaarden (ECLI:NL:GHAMS:2021:4085).
- Bij herstructureringen vooraf, zoals een splitsing van activiteiten, speelt de vraag of de bezitstermijn van art. 35d SW 1956 (opnieuw) is gaan lopen (ECLI:NL:HR:2023:647; ECLI:NL:HR:2026:137); dit raakt al snel het thema Juridische splitsing.
- Bij gemengde activiteiten, zoals projectontwikkeling naast verhuur, vergt toerekening van panden een feitelijke vaststelling per pand (ECLI:NL:HR:2021:951, ECLI:NL:HR:2021:952 en ECLI:NL:HR:2021:954).
- Preferente aandelen en tracking stocks vragen een formele toets, waarbij de statutaire regeling zwaar weegt (KG:003:2024:11; KG:003:2026:5; KG:003:2026:6; KG:003:2026:7).
- Vervreemding, omzetting in preferente aandelen of staking van de onderneming binnen de voortzettingstermijn is een aandachtspunt bij de begeleiding na de overdracht; bij doorbreking geldt acht maanden aangiftetermijn (art. 35e lid 8 SW 1956).
- Vastgoed ter beschikking gesteld aan een gelieerd lichaam of werknemer raakt de uitsluiting van art. 35c lid 7 onderdeel a SW 1956 of, voor de DSR, art. 4.17a lid 8 onderdeel a Wet IB 2001 (KG:003:2025:6) en het thema Terbeschikkingstellingsregeling.
Recente ontwikkelingen
- 2025: het percentage boven de vrijstellingsdrempel gaat omlaag van 83% naar 75% (art. 35b lid 1 onderdeel b SW 1956).
- 28 maart 2025: een aan een werknemer ter beschikking gestelde woning kwalificeert niet als DSR-ondernemingsvermogen, ook niet bij toezicht vanuit die woning (KG:003:2025:6).
- 1 januari 2026: bezitstermijn art. 35d SW 1956 verlengd bij een oudere erflater of schenker (lid 2 en 3); Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026 treedt in werking.
- 30 januari 2026: bezitseis en bewijslastverdeling na een ruziesplitsing (ECLI:NL:HR:2026:137).
- 21 april 2026: bevestiging van vermindering van een conserverende aanslag en voortzetting van uitstel van betaling na BOR-toepassing (ECLI:NL:GHARL:2026:2736).
- 8 mei 2026: drie kennisgroepstandpunten over de toerekening van ondernemingsvermogen bij tracking stocks, direct en indirect gehouden (KG:003:2026:5; KG:003:2026:6; KG:003:2026:7).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
- Art. 35b SW 1956
- Art. 35c SW 1956
- Art. 35d SW 1956
- Art. 35e SW 1956
- Art. 4.17a Wet IB 2001: Uitzondering bij overgang krachtens erfrecht
- Art. 4.17c Wet IB 2001: Uitzondering bij overdracht krachtens schenking
Belangrijkste rechtspraak
34 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2021:953 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd welke panden aan de projectontwikkelingsactiviteiten kunnen worden toegerekend voor de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR), en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar de omvang van het kwalificerende ondernemingsvermogen.
-
ECLI:NL:HR:2022:1793 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat bij de toetsing van het voortzettingsvereiste van de bedrijfsopvolgingsregeling in beginsel wordt aangesloten bij het stakings- en vervreemdingsbegrip van de Wet IB 2001, en dat de enkele omstandigheid dat de vennootschap overgaat tot verhuur van de voorheen zelf geëxploiteerde onderneming op zichzelf geen staking oplevert.
-
ECLI:NL:HR:2023:647 (2023)
Bij de indirecte bezitstermijn van de bedrijfsopvolgingsregeling (art. 35d lid 1 letter c SW) moet ook worden beoordeeld of de aan de gesplitste vennootschap toegerekende activiteiten van haar dochtermaatschappijen vóór de splitsing één onderneming vormden; de Hoge Raad verwijst de zaak omdat het hof dit niet heeft onderzocht.
-
ECLI:NL:HR:2023:1054 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat het Pottenbakkersarrest niet relevant is voor de bedrijfsopvolgingsregeling en alleen vermogensbestanddelen die bij verkrijging voor ondernemingsdoeleinden worden aangehouden tot het ondernemingsvermogen behoren; een verhuurd beleggingspand is ten onrechte meegerekend.
-
ECLI:NL:HR:2018:1699 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat bij een pensioenverplichting met commerciële waarde € 57.833 een buffer van € 550.000 redelijk is bij toerekening van de overdrachtsprijs aan ondernemingsvermogen, en verklaart het cassatieberoep gegrond.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:4085 (2021)
Het Gerechtshof oordeelt dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing is op de verkregen aandelen, omdat de werkzaamheden van de vennootschap geen materiële onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001 vormen.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:2736 (2026)
Het Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de uitspraak van de rechtbank in een geschil over een verzoek tot vermindering van een conserverende aanslag IB/PVV en de voortzetting van het daarvoor verleende uitstel van betaling.
-
ECLI:NL:HR:2026:137 (2026)
De zaak betreft de bezitseis van de bedrijfsopvolgingsregeling en de bewijslastverdeling, en of na een ruziesplitsing van de activiteiten 'horen' en 'zien' een nieuwe bezitstermijn is aangevangen.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:1423 (2020)
Het gerechtshof oordeelt in het geschil over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting dat geen sprake is van een nieuw feit en dat het beroep van belanghebbenden op het vertrouwensbeginsel faalt.
-
ECLI:NL:HR:2019:788 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat onder de tegenprestatie van artikel 4.17c, lid 2, Wet IB 2001 ook een door de overdrager bedongen last valt om aan een derde te betalen, zodat deze last een tegenprestatie vormt en het cassatiemiddel faalt.
Beleid en standpunten
46 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0052644
Beleid inzake bedrijfsopvolgingsregeling in schenk- en erfbelasting, met ingang 1 januari 2026. Bepaalde onderdelen uit het vorige beleid zijn achterhaald.
-
KG:003:2026:7 (2026)
Standpunt: Bij DSR en BOR met tracking stocks wordt ondernemingsvermogen naar vermogensbestanddelen onderliggende entiteiten toegerekend overeenkomstig statutaire bepalingen over toerekening van waarde.
-
KG:003:2025:6 (2025)
Standpunt: Een woning ter beschikking gesteld aan werknemer wordt niet aangemerkt als ondernemingsvermogen bij doorschuifregeling. Dit geldt ondanks mogelijkheid voor toezicht op onderneming vanuit de woning.
-
KG:003:2024:14 (2024)
Standpunt: De faciliteit van artikel 4.12a Wet IB 2001 voor reguliere voordelen uit aandelen beperkt zich tot de aandelen die door erfrecht zijn verkregen. Bij turboverdeling met toedeling van extra aandelen geldt de faciliteit alleen voor het erfgevallen aandeel.
-
KG:003:2026:6 (2026)
Standpunt: Statutaire rechten bepalen toerekening bij indirect gehouden tracking stocks voor doorschuif- en bedrijfsopvolgingsregeling. Statutaire split wordt gevolgd, niet werkelijke economische gerechtigdheid.
-
Besluit BWBR0050417
Goedkeuring inzake schenk- en erfbelasting; overgangsrecht bedrijfsopvolgingsregeling bij wijziging fonds voor gemene rekening.
-
KG:003:2022:1 (2022)
Standpunt: Dit standpunt is vervallen wegens opname in aangepaste regelgeving Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025.
-
KG:003:2022:11 (2022)
Standpunt: Artikel 26c URIB 2001 is niet van toepassing als de dienstbetrekking nog niet is aangevangen op het moment waarop zich de omstandigheid voordoet die tot verkorting zou kunnen leiden.
-
KG:003:2026:5 (2026)
Standpunt: Bij tracking stocks op direct niveau vindt toerekening van overdrachtsprijs en waarde aan ondernemingsvermogen plaats op basis van statutaire gerechtigdheid of werkelijke waardecomponenten per aandoelsoort.
-
KG:003:2024:11 (2024)
Standpunt: Een preferent aandeel wordt bepaald door voorrang in winstverdeling en/of liquidatie-uitkering; bijzonder stemrecht leidt niet per se tot kwalificatie als preferent aandeel.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.