Schenk- en erfbelasting

Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)

Bijgewerkt op 19 juli 2026

De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) is de voorwaardelijke vrijstelling van schenk- en erfbelasting die geldt bij verkrijging van kwalificerend ondernemingsvermogen in het kader van een bedrijfsopvolging. Het doel van de regeling is te voorkomen dat de heffing van schenk- of erfbelasting de continuïteit van een reële onderneming in gevaar brengt op het moment dat deze van eigenaar wisselt.

Flankerend aan de BOR bestaan voor de inkomstenbelasting de doorschuifregelingen (DSR) van art. 4.17a en art. 4.17c Wet IB 2001, die de afrekening over de aanmerkelijkbelangclaim bij vererving respectievelijk schenking van aandelen uitstellen voor zover die claim toerekenbaar is aan ondernemingsvermogen. BOR en DSR worden in de praktijk vrijwel altijd samen beoordeeld, omdat een schenking of vererving van aanmerkelijkbelangaandelen zowel de schenk- of erfbelasting (BOR) als de inkomstenbelasting (DSR) raakt.

De regeling kent een sterk gedetailleerde en casuïstische toepassing: de kwalificatie van vermogen als ondernemingsvermogen, de bezitstermijn van de overdrager en het voortzettingsvereiste van de verkrijger vormen ieder een zelfstandige toets, en falen op één onderdeel leidt tot (gedeeltelijk) verval van de faciliteit.

Wanneer speelt dit

De BOR en de DSR komen aan de orde bij overdracht van een onderneming of aanmerkelijkbelangaandelen binnen de familie of aan opvolgers, zowel bij overlijden als bij schenking tijdens leven. Het speelt bij zowel de overdracht van de onderneming zelf of een medegerechtigdheid als de overdracht van aandelen in een werkmaatschappij of holding. Het thema is ook relevant bij herstructureringen voorafgaand aan een bedrijfsopvolging, bij holdingstructuren met preferente aandelen of tracking stocks, bij onroerend goed dat aan de eigen onderneming of aan een gelieerd lichaam ter beschikking wordt gesteld, en bij situaties waarin de bezits- of voortzettingstermijn wordt doorbroken door een latere gebeurtenis zoals vervreemding, omzetting in preferente aandelen of staking.

Wettelijk kader

Art. 35b lid 1 SW 1956 verleent op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling van schenk- of erfbelasting over verkregen ondernemingsvermogen: "indien de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft € 1.543.500 niet te boven gaat: 100%", en voor het meerdere geldt in beginsel 75%, met een correctie voor het geval de liquidatiewaarde hoger is dan de waarde going concern. De vrijstelling is dus gestaffeld: volledig tot de genoemde grens, gedeeltelijk daarboven.

Art. 35b lid 5 SW 1956 bepaalt wanneer sprake is van een bedrijfsopvolging: "een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, van een erflater of schenker die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in artikel 35d, mits de verkrijger gedurende drie jaren voldoet aan het voortzettingvereiste, bedoeld in artikel 35e, en, indien sprake is van schenking, op het tijdstip van de verkrijging 21 jaar of ouder is." Dit zijn cumulatieve eisen (bezitstermijn bij de overdrager, voortzetting bij de verkrijger, en bij schenking een leeftijdseis), niet alternatieve.

Art. 35c SW 1956 omschrijft wat als ondernemingsvermogen kwalificeert: een onderneming in de zin van art. 3.2 Wet IB 2001, een medegerechtigdheid als bedoeld in art. 3.3 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001, of aanmerkelijkbelangvermogensbestanddelen mits het lichaam een onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt, "waarbij slechts als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt de waarde van deze vermogensbestanddelen voor zover die waarde toerekenbaar is aan bedoelde onderneming of medegerechtigdheid" (lid 1 onderdeel c). Lid 7 sluit uitdrukkelijk vermogen uit dat niet functioneel aan de onderneming dient, waaronder onroerende zaken die meer dan bijkomstig aan een ander ter beschikking zijn gesteld en bedrijfsmiddelen met een waarde in het economische verkeer van minimaal € 103.000 per bedrijfsmiddel die meer dan bijkomstig bestemd zijn om te gebruiken voor andere dan de bedrijfsdoeleinden van de onderneming.

Art. 35d SW 1956 stelt de bezitstermijn: de erflater moet gedurende één jaar, de schenker gedurende vijf jaren voorafgaand aan de verkrijging ondernemer, medegerechtigde of aanmerkelijkbelanghouder zijn geweest, "voor zover het belang van erflater of schenker in de onderneming (...) in de genoemde periode niet is toegenomen."

Art. 35e SW 1956 regelt het voortzettingsvereiste: gedurende drie jaar na de verkrijging mag zich geen van de in lid 1 genoemde gebeurtenissen voordoen, zoals het ophouden winst te genieten uit de onderneming, vervreemding van de verkregen vermogensbestanddelen, of omzetting in preferente aandelen. Bij schending vervalt de voorwaardelijke vrijstelling in zoverre (art. 35b lid 6).

Op de inkomstenbelasting sluiten art. 4.17a Wet IB 2001 (overgang krachtens erfrecht) en art. 4.17c Wet IB 2001 (overdracht krachtens schenking) aan: de overgang of overdracht van aanmerkelijkbelangaandelen wordt op verzoek niet als vervreemding aangemerkt voor het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan ondernemingsvermogen van de vennootschap, mits onder meer de vennootschap een onderneming drijft of medegerechtigdheid houdt (art. 4.17a lid 1 onderdeel a) en de aandelen bij de erflater of schenker niet reeds tot een ab op grond van art. 4.10 behoorden. Bij schenking geldt bovendien de eis dat de verkrijger op het overdrachtstijdstip 21 jaar of ouder is (art. 4.17c lid 1 onderdeel d).

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2023:1054 (2023) dat het Pottenbakkersarrest niet relevant is voor de BOR en dat alleen vermogensbestanddelen die bij verkrijging voor ondernemingsdoeleinden worden aangehouden tot het ondernemingsvermogen behoren; een verhuurd beleggingspand was in die zaak ten onrechte meegerekend.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2021:4085 (2021) dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing was op verkregen aandelen omdat de werkzaamheden van de vennootschap geen materiële onderneming in de zin van art. 3.2 Wet IB 2001 vormden.

In ECLI:NL:HR:2026:137 (2026) betrof het geschil de bezitseis van de BOR en de bewijslastverdeling, meer specifiek of na een ruziesplitsing van de activiteiten "horen" en "zien" een nieuwe bezitstermijn was aangevangen.

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2021:951 (2021) dat het hof onvoldoende had gemotiveerd welke panden aan de projectontwikkelingsactiviteiten konden worden toegerekend voor de berekening van het BOR-ondernemingsvermogen, vernietigde de uitspraak en verwees de zaak voor nader onderzoek.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De afbakening tussen ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen blijft het belangrijkste geschilpunt: alleen vermogen dat bij verkrijging voor ondernemingsdoeleinden wordt aangehouden telt mee (ECLI:NL:HR:2023:1054), en de uitsluitingen van art. 35c lid 7 SW 1956 (onder meer ter beschikking gestelde onroerende zaken) moeten expliciet worden getoetst.
  • De materiële-ondernemingstoets van art. 3.2 Wet IB 2001 is een zelfstandige horde bovenop de overige BOR-voorwaarden; ontbreekt een materiële onderneming, dan faalt de faciliteit ongeacht de overige voorwaarden (ECLI:NL:GHAMS:2021:4085).
  • Bij herstructureringen voorafgaand aan een bedrijfsopvolging, zoals een splitsing van activiteiten, is de vraag of de bezitstermijn van art. 35d SW 1956 opnieuw gaat lopen een expliciet aandachtspunt, met bewijslastvragen over de continuïteit van het belang (ECLI:NL:HR:2026:137).
  • Bij gemengde activiteiten, zoals projectontwikkeling naast verhuur, vergt de toerekening van afzonderlijke panden aan het ondernemingsvermogen een gemotiveerde feitelijke vaststelling (ECLI:NL:HR:2021:951).
  • Omdat het voortzettingsvereiste van art. 35e SW 1956 een zelfstandige termijn van drie jaar na de verkrijging betreft, moeten vervreemdingen, omzettingen in preferente aandelen of stakingen binnen die periode vooraf in kaart worden gebracht om onbedoeld verval van de vrijstelling te voorkomen.

Recente ontwikkelingen

Per 1 januari 2026 geldt het Besluit schenk- en erfbelasting BOR 2026, waarin onderdelen van het voorgaande beleid zijn achterhaald. Daarnaast heeft de kennisgroep van de Belastingdienst in mei 2026 meerdere standpunten gepubliceerd over de toerekening van ondernemingsvermogen bij tracking stocks: bij indirect gehouden tracking stocks wordt de statutaire toerekeningsbepaling gevolgd en niet de werkelijke economische gerechtigdheid, en bij direct gehouden tracking stocks vindt toerekening plaats op basis van statutaire gerechtigdheid of werkelijke waardecomponenten per aandelensoort.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 53 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.