Formeel belastingrecht
Uitstel van betaling en betalingsregelingen
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Uitstel van betaling ontlast een belastingschuldige tijdelijk van de verplichting een aanslag te voldoen, zonder dat de onderliggende schuld vervalt. Het kernrechtsgevolg is steeds hetzelfde: zolang het uitstel loopt, vangt dwanginvordering niet aan of wordt deze geschorst (art. 25 lid 1 IW 1990). Twee sporen lopen door elkaar. Het eerste is generiek uitstel dat de ontvanger naar eigen inzicht verleent, met als belangrijkste toepassingen uitstel hangende bezwaar en uitstel of een betalingsregeling bij betalingsproblemen. Het tweede is een stelsel van bijzondere, wettelijk voorgeschreven uitstelfaciliteiten voor specifieke situaties in de inkomsten-, schenk- en erfbelasting, telkens verder ingevuld bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling. Kwijtschelding (art. 26 IW 1990) is het sluitstuk: waar uitstel de betaling verschuift in de tijd, laat kwijtschelding de schuld geheel of gedeeltelijk vervallen.
Dit thema beantwoordt:
- Wat is het kernrechtsgevolg van uitstel en wanneer kan de ontvanger het beëindigen?
- Wanneer verleent de ontvanger generiek uitstel bij bezwaar en bij betalingsproblemen?
- Welke bijzondere wettelijke uitstelfaciliteiten kent art. 25 IW 1990?
- Hoe verhoudt kwijtschelding zich tot uitstel en wanneer blijft kwijtschelding achterwege?
- Welke rechter is bevoegd bij een geschil over een uitstel- of kwijtscheldingsverzoek?
Grondslag en kernrechtsgevolg
Art. 25 lid 1 IW 1990 vormt de kernbepaling: de ontvanger kan onder door hem te stellen voorwaarden aan een belastingschuldige voor een bepaalde tijd bij beschikking uitstel van betaling verlenen, waarbij dwanginvordering niet aanvangt of wordt geschorst. Uitstel is dus geen automatisme maar een discretionaire beschikking. Lid 2 bepaalt dat de ontvanger het uitstel tussentijds kan beëindigen: geen verworven recht voor de gehele looptijd. Lid 22 stelt belasting- en revisierente voor de toepassing van de bijzondere faciliteiten gelijk aan de hoofdbelasting waarmee ze samenhangen, zodat het uitstel ook de rentecomponent bestrijkt.
Generiek uitstel: bezwaar
Bij bezwaar tegen een belastingaanslag geldt het gemotiveerde bezwaarschrift zelf al als een verzoek om uitstel van betaling, beperkt tot het bestreden bedrag en tot het moment waarop de inspecteur uitspraak op het bezwaar doet. Een beroepschrift, hoger beroep of cassatieberoep geldt niet automatisch als uitstelverzoek: daarvoor moet apart om uitstel worden gevraagd. Kennis van een professionele gemachtigde over deze beperking, dat uitstel alleen voor het betwiste deel van de aanslag geldt, wordt aan de belastingschuldige toegerekend, zodat de ontvanger na afloop van dat uitstel terecht kan aanmanen (ECLI:NL:GHAMS:2015:1317). Staat op hetzelfde aanslagbiljet ook een bestuurlijke boete, dan loopt het uitstel voor die boete in beginsel automatisch mee, tenzij uit het bezwaar blijkt dat het zich niet tegen de boete richt.
Betalingsproblemen: kort uitstel en betalingsregeling
Bij betalingsproblemen kent het beleid een lichte en een zwaardere route. Kort uitstel geldt op verzoek voor een beperkte periode na de laatste vervaldag van de oudste aanslag, mits de openstaande schuld onder een drempelbedrag blijft, geen dwangbevel is betekend en niet al eerder uitstel wegens betalingsproblemen of een verwachte teruggaaf is verleend; voor ondernemers geldt bovendien dat geen vergrijpboete of aangifteverzuim mag openstaan. Overstijgt de schuld die drempel of de gewenste looptijd, dan stelt de ontvanger een volwaardige betalingsregeling vast op basis van de betalingscapaciteit: het netto besteedbaar inkomen na aftrek van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor ondernemers met tijdelijke, niet aan henzelf te wijten liquiditeitsproblemen kan een langere periode gelden, mits aannemelijk wordt gemaakt dat de problemen werkelijk en tijdelijk zijn en de onderneming levensvatbaar is, doorgaans onderbouwd met een verklaring van een derde deskundige.
Kwijtschelding: het sluitstuk
Aan een belastingschuldige die niet in staat is een aanslag anders dan met buitengewoon bezwaar te betalen, kan bij ministeriële regeling gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend (art. 26 lid 1 IW 1990). Het verzoek moet op het daartoe bestemde formulier worden ingediend; bij een onvolledig formulier krijgt de belastingschuldige gelegenheid tot herstel. Kwijtschelding kan ook worden gevraagd voor een reeds betaalde aanslag, mits het verzoek tijdig na de laatste betaling wordt ingediend en die betaling plaatsvond onder omstandigheden die eerder al tot kwijtschelding aanleiding hadden gegeven. Kwijtschelding blijft onder meer achterwege zolang een bezwaar of beroep tegen de hoogte van de aanslag nog loopt, bij onvolledige of onjuiste gegevens, bij een niet ingediende vereiste aangifte, bij reeds gestelde zekerheid, of wanneer de onbetaalbaarheid aan de belastingschuldige zelf is toe te rekenen.
Bijzondere wettelijke uitstelfaciliteiten
Naast dit discretionaire spoor kent art. 25 IW 1990 een reeks bijzondere uitstelfaciliteiten die de ontvanger niet naar eigen inzicht toekent maar die de wet zelf voorschrijft, verder ingevuld bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling. Zo geldt voor de schenk- of erfbelasting een aanvullende faciliteit wanneer zonder uitstel een sociaal-economisch of cultureel belang in gevaar zou komen en de overige leden onvoldoende soelaas bieden (lid 3), en voor de herinvesteringsreserve een uitstel van 12 maanden, eventueel verlengd (lid 4, art. 3.64 lid 1 Wet IB 2001), dat eindigt zodra de herinvestering niet tot in Nederland belastbare winst leidt of bij emigratie. Voor een schuldig gebleven overdrachtsprijs van aanmerkelijkbelangaandelen aan een natuurlijk persoon of gelijkgestelde EU/EER-rechtspersoon geldt uitstel van ten hoogste tien jaar, mits het belang ten minste 5% van het kapitaal beloopt en de vennootschap niet in belangrijke mate uit beleggingen bestaat (lid 9); deze faciliteit wordt strikt uitgelegd, want zij geldt niet wanneer de overdrachtsprijs slechts gedeeltelijk schuldig is gebleven (ECLI:NL:HR:2012:BY5288). Voor bedrijfsopvolging in de schenk- of erfbelasting geldt eveneens tien jaar uitstel (lid 12, art. 35b lid 3 Successiewet 1956), eindigend bij faillissement, schuldsanering of een gebeurtenis als bedoeld in art. 35e lid 1 Successiewet 1956. Vergelijkbare, aan tien jaar gebonden faciliteiten bestaan voor beëindiging van een terbeschikkingstelling (lid 14), staking van een onderneming met een eigen woning (lid 16) en staking met een schuldig gebleven overdrachtsprijs aan de opvolger (lid 18-19). Voor onbillijkheden van overwegende aard bij een natuurlijk persoon geldt een uitstel van ten minste vijf jaar (lid 21). Bij de meeste van deze faciliteiten is voldoende zekerheid een uitdrukkelijke voorwaarde; bij geconserveerd inkomen (lid 8) en bepaalde terbeschikkingstellingssituaties (lid 5) kan zekerheid onderdeel van de regels zijn zonder dat de wettekst dat dwingend voorschrijft, en bij de faciliteiten voor sociaal-economisch of cultureel belang en voor bedrijfsopvolging noemt de wettekst zekerheid niet.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Uitstel sociaal-economisch of cultureel belang (schenk-/erfbelasting) | maximaal 10 jaar | art. 25 lid 3 IW 1990 |
| Uitstel herinvesteringsreserve | 12 maanden, eventueel verlengd | art. 25 lid 4 IW 1990 |
| Uitstel schuldig gebleven overdrachtsprijs aanmerkelijkbelangaandelen | maximaal 10 jaar | art. 25 lid 9 IW 1990 |
| Uitstel bedrijfsopvolging schenk- of erfbelasting | 10 jaar | art. 25 lid 12 IW 1990 |
| Uitstel wegens onbillijkheden van overwegende aard (natuurlijk persoon) | ten minste 5 jaar | art. 25 lid 21 IW 1990 |
(wettekst geldend per 2026)
Verrekening tijdens uitstel
Voor het bedrag waarvoor uitstel is verleend op grond van art. 25 lid 3 tot en met 5, 8, 9, 11 tot en met 14 of 16 tot en met 19 IW 1990, is verrekening met een uit te betalen bedrag tijdens het uitstel niet mogelijk, tenzij de belastingschuldige daar zelf om vraagt (art. 24 lid 6 IW 1990). Het generieke uitstel van art. 25 lid 1 valt niet onder deze opsomming. Een mededeling van de ontvanger over verrekening is zelf een voor bezwaar vatbare beschikking, los van de vraag of het onderliggende uitstel terecht is verleend (ECLI:NL:GHAMS:2023:409).
Rechtsbescherming: bevoegde rechter
Over een geschil betreffende een verzoek om uitstel van betaling (art. 25 IW 1990) of kwijtschelding (art. 26 IW 1990) is niet de belastingrechter maar de burgerlijke rechter bevoegd (ECLI:NL:HR:2016:2735). Ook de klacht over het niet tijdig beslissen op het administratief beroep tegen een uitstelbeschikking hoort niet voor de belastingrechter thuis (ECLI:NL:GHAMS:2020:1412). Geschillen over een uitstel- of kwijtscheldingsbeschikking lopen dus buiten het spoor van bezwaar en beroep tegen de onderliggende belastingaanslag.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij een beroep op een bijzondere uitstelfaciliteit van art. 25 IW 1990 telt of de feiten precies binnen de wettelijke omschrijving van het betreffende lid vallen; ECLI:NL:HR:2012:BY5288 laat zien dat een tussenvorm, zoals een deels schuldig gebleven overdrachtsprijs, buiten de faciliteit van lid 9 kan vallen.
- Bij lopend uitstel voor de in art. 24 lid 6 IW 1990 genoemde leden van art. 25 is verrekening met een uit te betalen bedrag in beginsel uitgesloten, tenzij de belastingschuldige daar zelf om vraagt.
- Bij bezwaar geldt het bezwaarschrift al als uitstelverzoek voor het bestreden bedrag, maar niet voor een navolgend beroep, hoger beroep of cassatieberoep; daarvoor is een apart verzoek nodig.
- Geschillen over een beslissing van de ontvanger op een uitstel- of kwijtscheldingsverzoek lopen via de burgerlijke rechter, niet via de belastingrechter.
- Kwijtschelding blijft achterwege zolang een bezwaar of beroep tegen de hoogte van de aanslag nog loopt; eerst moet de aanslag op het juiste bedrag vaststaan.
- Bij conserverende aanslagen kan de voortzetting van eerder verleend uitstel zelf onderwerp van geschil zijn.
Recente ontwikkelingen
- 2019: de algemene beginselen van behoorlijk bestuur verzetten zich tegen het in rekening brengen van invorderingsrente wanneer de ontvanger pas ruim vier jaar na het vervallen van het uitstel van betaling daarvan kennisgeeft (ECLI:NL:RBZWB:2019:1835).
- 2026: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de rechtbank in een geschil over vermindering van een conserverende aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voortzetting van het daarvoor verleende uitstel van betaling (ECLI:NL:GHARL:2026:2736).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
36 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2015:1317 (2015)
Het hof oordeelt dat de kennis van de professionele gemachtigde over het invorderingsbeleid (uitstel geldt alleen voor het betwiste deel van een aanslag) aan belanghebbende wordt toegerekend, zodat de ontvanger terecht heeft aangemaand.
-
ECLI:NL:GHARL:2021:232 (2021)
Het Hof oordeelt dat aan belanghebbende terecht een verzuimboete is opgelegd wegens het niet betalen van de motorrijtuigenbelasting en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, zonder vergoeding van griffierecht of proceskosten.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:2736 (2026)
Het Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de uitspraak van de rechtbank in een geschil over een verzoek tot vermindering van een conserverende aanslag IB/PVV en de voortzetting van het daarvoor verleende uitstel van betaling.
-
ECLI:NL:HR:2018:511 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat de rechter bij een individuele en buitensporige last in de zin van art. 1 EP EVRM rechtsherstel moet waarborgen zonder af te wijken van de artt. 5.2 en 5.3 Wet IB 2001, en de omvang daarvan schattenderwijs mag vaststellen; zowel het principale als het incidentele cassatieberoep worden ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:RBZWB:2019:1835 (2019)
De rechtbank oordeelt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich verzetten tegen invorderingsrente wanneer de ontvanger pas ruim vier jaar na het vervallen van het uitstel van betaling daarvan kennisgeeft, in strijd met artikel 25.1.6 Leidraad Invordering 2008.
-
ECLI:NL:HR:2012:BY5288 (2012)
De Hoge Raad oordeelt dat de uitstelfaciliteit van art. 25, lid 9, Invorderingswet 1990 niet geldt wanneer de overdrachtsprijs van aanmerkelijkbelangaandelen slechts gedeeltelijk schuldig is gebleven, omdat deze bepaling geen regeling voor gedeeltelijk uitstel kent; het cassatieberoep is ongegrond.
-
ECLI:NL:HR:2016:1900 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat na verrekening van de vordering op de BV met de door die BV overgenomen belastingschuld van de dga geen ter beschikking gestelde vordering (art. 3.92 Wet IB 2001) resteert, en verwerpt het cassatieberoep van de Staatssecretaris.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1079 (2022)
De zaak betreft of terecht aanmaningskosten in rekening zijn gebracht wegens het onbetaald blijven van een naheffingsaanslag parkeerbelasting.
-
ECLI:NL:HR:2016:2735 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat, anders dan overwogen in HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1928, niet de belastingrechter maar de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van een beroep inzake uitstel van betaling (art. 25 Invorderingswet 1990) en kwijtschelding (art. 26 Invorderingswet 1990).
-
ECLI:NL:GHSHE:2021:1168 (2021)
Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk in de strafvervolging wegens het niet betalen van aangegeven omzetbelasting, omdat voor hetzelfde feit al verzuimboetes ex artikel 67c AWR zijn opgelegd en nieuwe bezwaren met machtiging van de rechter-commissaris ontbreken.
Beleid en standpunten
37 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 26728 nr. 3
- Kamerstuk 26727 nr. 18
-
Besluit BWBR0052644
Beleid inzake bedrijfsopvolgingsregeling in schenk- en erfbelasting, met ingang 1 januari 2026. Bepaalde onderdelen uit het vorige beleid zijn achterhaald.
-
Besluit BWBR0045025
Dit beleidsbesluit regelt procedurevoorschriften voor beroep, hoger beroep en cassatie in belastingzaken en bevat wijzigingen over procesmachtiging, wrakingsverzoeken en vergoeding van griffierecht.
- Kamerstuk 26727 nr. 3
-
Besluit BWBR0027735
Goedkeuring/beleid inzake aftrekposten in erfbelasting. Dit besluit actualiseert het beleid voor bepaling van aftrekposten van de nalatenschap.
- Kamerstuk 33402 nr. 7
-
Kamerstuk 29767 nr. 42
Amendement schraps verkorting termijn geruisloze doorschuiving inkomstenbelasting-onderneming aan medeondernemer of werknemer; regelt uitstelregeling betaling voor schuldig gebleven overdrachtsprijs.
-
Kamerstuk 34552 nr. 16
Artikel 12ba wordt uitgebreid: aanvragen voor octrooien, kwekersrechten en aanvullende beschermingscertificaten gelden voortaan als kwalificerende immateriële activa naast programmatuur.
- Kamerstuk 27466 nr. 3
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.