Formeel belastingrecht

Uitstel van betaling en betalingsregelingen

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Uitstel van betaling is het instrument waarmee de ontvanger van de Belastingdienst een belastingschuldige tijdelijk ontlast van de verplichting een belastingaanslag te voldoen, zonder dat de onderliggende schuld daarmee vervalt. Het is een kernonderdeel van het formele invorderingsrecht: de Invorderingswet 1990 (IW 1990) regelt niet alleen hoe belastingschulden worden ingevorderd, maar ook onder welke voorwaarden die invordering tijdelijk wordt stilgelegd of definitief wordt verminderd via kwijtschelding.

Het leerstuk kent twee gezichten. Enerzijds is er het generieke uitstel dat de ontvanger naar eigen inzicht kan verlenen, bijvoorbeeld hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Anderzijds bestaat een stelsel van bijzondere, wettelijk voorgeschreven uitstelfaciliteiten voor specifieke situaties, zoals herinvesteringen, aanmerkelijkbelangtransacties met een schuldig gebleven koopsom, bedrijfsopvolging in de schenk- en erfbelasting, en beëindiging van een terbeschikkingstelling. Deze bijzondere regelingen zijn in de wet zelf slechts als kader neergezet; de concrete invulling wordt telkens gedelegeerd aan ministeriële regeling.

Kwijtschelding is het sluitstuk van dit stelsel: waar uitstel de betaling verschuift in de tijd, kan kwijtschelding de schuld geheel of gedeeltelijk laten vervallen, met name wanneer betaling voor de belastingschuldige tot buitengewoon bezwaar zou leiden of wanneer een specifiek uitstel op een bepaald moment eindigt.

Wanneer speelt dit

Het thema komt in de praktijk terug bij: een belastingschuldige die een aanslag niet ineens kan voldoen en een betalingsregeling met de ontvanger wil treffen; een bezwaar- of beroepsprocedure tegen een aanslag waarbij uitstel van betaling wordt gevraagd voor het bestreden bedrag; conserverende aanslagen inkomstenbelasting bij emigratie, aanmerkelijkbelangposities of pensioen- en lijfrenteaanspraken, waarbij uitstel is verleend en de vraag speelt of en wanneer dat uitstel eindigt of wordt voortgezet; verkoop van een onderneming of aanmerkelijkbelangaandelen tegen een (deels) schuldig gebleven koopsom; bedrijfsopvolging in de schenk- of erfbelasting; en geschillen over verrekening van teruggaven met openstaande, maar uitgestelde belastingschulden.

Wettelijk kader

Art. 25 lid 1 IW 1990 vormt de kernbepaling: "De ontvanger kan onder door hem te stellen voorwaarden aan een belastingschuldige voor een bepaalde tijd bij beschikking uitstel van betaling verlenen. Gedurende het uitstel vangt de dwanginvordering niet aan, dan wel wordt deze geschorst." Uitstel is dus geen automatisme maar een discretionaire, aan voorwaarden te binden beschikking van de ontvanger, met als kernrechtsgevolg dat dwanginvordering (aanmaning, dwangbevel, beslag) niet start of wordt stilgezet. Lid 2 bepaalt dat de ontvanger het uitstel tussentijds bij beschikking kan beëindigen: het is dus geen verworven recht voor de gehele looptijd.

Naast dit algemene uitstel bevat art. 25 een reeks bijzondere uitstelfaciliteiten die telkens bij ministeriële regeling of algemene maatregel van bestuur nader worden ingevuld, onder meer voor herinvesteringen (lid 4), specifieke terbeschikkingstellingssituaties uit de Wet IB 2001 (lid 5), geconserveerd inkomen (lid 8), schuldig gebleven overdrachtsprijzen bij vervreemding van aanmerkelijkbelangaandelen aan een natuurlijk persoon of een daarmee gelijkgestelde EU/EER-rechtspersoon (lid 9) en bij overdracht op verzoek van de aandeelhouder (lid 11), bedrijfsopvolging in de schenk- en erfbelasting (lid 12 en 13), beëindiging van een terbeschikkingstelling (lid 14), staking van een onderneming met schuldig gebleven overdrachtsprijs (lid 18 en 19), en algemene onbillijkheid van overwegende aard bij een natuurlijk persoon (lid 21). Voor een deel van deze faciliteiten schrijft de wet zekerheidstelling voor als voorwaarde, en eindigt het uitstel bij nader omschreven gebeurtenissen zoals vervreemding, winstuitdeling, aflossing, faillissement of overlijden. Omdat het bronbestand niet de volledige ministeriële regelingen bevat waarnaar deze leden verwijzen, kunnen de precieze looptijden en uitzonderingen per faciliteit hier niet uitputtend worden weergegeven; de tekst hierboven is beperkt tot wat in de aangeleverde wetsexcerpten daadwerkelijk staat.

Art. 24 lid 6 IW 1990 raakt uitstel rechtstreeks vanuit de verrekeningsbevoegdheid van de ontvanger: "Met betrekking tot het bedrag waarvoor krachtens artikel 25, derde tot en met vijfde, achtste, negende, elfde tot en met veertiende, zestiende tot en met negentiende lid, uitstel van betaling is verleend, is gedurende het uitstel verrekening niet mogelijk, tenzij de belastingschuldige dit verzoekt." Voor het bedrag waarvoor uitstel is verleend op grond van deze specifiek genoemde leden van art. 25, blokkeert dat dus in beginsel verrekening met een uit te betalen bedrag, behalve als de belastingschuldige zelf om verrekening verzoekt; het generieke uitstel van art. 25 lid 1 valt niet onder deze opsomming.

Art. 26 lid 1 IW 1990 regelt het kwijtscheldingsspoor: "Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend." Kwijtschelding onderstelt dus betalingsonmacht die uitstijgt boven een normaal bezwaar, en is eveneens verder uitgewerkt bij ministeriële regeling. Andere leden van art. 26 koppelen kwijtschelding aan het einde van specifieke uitstelregelingen van art. 25, bijvoorbeeld bij conserverende aanslagen op aanmerkelijkbelangaanspraken.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2012:BY5288 (2012) dat de uitstelfaciliteit van art. 25, lid 9, IW 1990 niet geldt wanneer de overdrachtsprijs van aanmerkelijkbelangaandelen slechts gedeeltelijk schuldig is gebleven, omdat deze bepaling geen regeling voor gedeeltelijk uitstel kent; het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2023:409 (2023) dat een mededeling van verrekening met invorderingsrente op een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een voor bezwaar vatbare beschikking is; de gevraagde proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de belanghebbende de processtukken zelf had opgesteld. Dit bevestigt dat verrekeningsbeslissingen van de ontvanger zelfstandig aanvechtbaar zijn.

In ECLI:NL:GHARL:2026:2736 (2026) bevestigde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de rechtbank in een geschil over een verzoek tot vermindering van een conserverende aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voortzetting van het daarvoor verleende uitstel van betaling.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij een verzoek om een bijzondere uitstelfaciliteit onder art. 25 IW 1990 is van belang of de feiten precies binnen de wettelijke omschrijving van het betreffende lid vallen; ECLI:NL:HR:2012:BY5288 laat zien dat een tussenvorm (hier: gedeeltelijk schuldig gebleven koopsom) buiten de regeling kan vallen zonder dat naar redelijkheid een gedeeltelijke toepassing wordt aangenomen.
  • Bij lopend uitstel voor de in art. 24 lid 6 IW 1990 genoemde leden van art. 25 (derde tot en met vijfde, achtste, negende, elfde tot en met veertiende, zestiende tot en met negentiende lid) is van belang dat verrekening met een uit te betalen bedrag in beginsel is uitgesloten, tenzij de belastingschuldige zelf om verrekening vraagt; dit kan relevant zijn wanneer een teruggaaf en een zodanig uitgestelde schuld samenlopen.
  • Een mededeling van de ontvanger over verrekening is, zo blijkt uit ECLI:NL:GHAMS:2023:409, een zelfstandig voor bezwaar vatbare beschikking.
  • Bij conserverende aanslagen (aanmerkelijk belang, pensioen- en lijfrenteaanspraken, emigratie) kan de voortzetting van het verleende uitstel onderwerp van geschil zijn, zoals ECLI:NL:GHARL:2026:2736 illustreert.
  • Omdat de bijzondere uitstelfaciliteiten van art. 25 IW 1990 hun concrete voorwaarden (termijnen, zekerheidstelling, beëindigingsgronden) grotendeels ontlenen aan ministeriële regelingen die niet in dit dossier zijn opgenomen, is voor de exacte toepassing in een concreet geval steeds raadpleging van de onderliggende regeling nodig.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 42 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.