Formeel belastingrecht

Belastingrente en invorderingsrente

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Belastingrente en invorderingsrente zijn twee afzonderlijke renteregimes binnen het formele belastingrecht die de Belastingdienst compenseren voor het te laat vaststellen respectievelijk te laat betalen van belasting. Belastingrente (art. 30fc en art. 30h AWR) ziet op de periode tussen het moment waarop een aanslag of naheffingsaanslag idealiter had moeten worden vastgesteld en het moment waarop dat daadwerkelijk gebeurt. Invorderingsrente (art. 28 IW 1990) ziet op de periode ná het opleggen van de aanslag, wanneer het verschuldigde bedrag niet binnen de betalingstermijn wordt voldaan.

Beide regelingen zijn vormgegeven als een enkelvoudige rente over een gedefinieerd tijdvak en een gedefinieerde grondslag, en veranderen niets aan de hoogte van de materiële belastingschuld. Het onderscheid is voor de praktijk van belang omdat de tijdvakken, de aanvangsmomenten en de mogelijkheden om het tijdvak te bekorten wezenlijk verschillen per regime en per belastingmiddel, en beide regimes na elkaar bij één en dezelfde aanslag kunnen spelen.

De regeling ligt regelmatig onder vuur, onder meer omdat rentevergoeding aan de belastingplichtige in spiegelbeeldsituaties (te late teruggaaf of te late uitbetaling door de ontvanger) niet vanzelfsprekend gelijk loopt met de renteberekening bij te late betaling door de belastingplichtige zelf. Dat maakt belastingrente een terugkerend geschilpunt naast de inhoudelijke aanslag.

Wanneer speelt dit

Art. 30fc lid 1 AWR bepaalt dat belastingrente in rekening wordt gebracht "indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag of een navorderingsaanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld". Belastingrente op grond van art. 30fc AWR komt dus in beeld bij aanslagen en navorderingsaanslagen IB en VPB met een te betalen bedrag die langer dan zes maanden na afloop van het belastingtijdvak worden vastgesteld; of de aanslag overeenkomt met de ingediende aangifte is voor deze hoofdregel niet relevant, maar kan op grond van lid 3 en lid 4 het tijdvak bekorten of de renteplicht geheel uitsluiten. Lid 6 zondert daarnaast de inkomstenbelasting ter zake van te conserveren inkomen (art. 2.8, tweede en vierde tot en met zevende lid, Wet IB 2001) van het hele artikel uit, met als uitzondering te conserveren inkomen dat is ontstaan door toepassing van art. 3.58 lid 1 of art. 3.64 lid 1 Wet IB 2001. Art. 30h AWR speelt bij naheffingsaanslagen voor onder meer loonbelasting, dividendbelasting, omzetbelasting en overdrachtsbelasting, en op grond van lid 5 ook bij te late spontane betaling van die belastingen vóórdat een naheffingsaanslag is opgelegd, behalve wanneer die betaling plaatsvindt binnen 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft.

Invorderingsrente op grond van art. 28 IW 1990 speelt zodra een opgelegde aanslag niet binnen de betalingstermijn wordt voldaan, bijvoorbeeld na afloop of beëindiging van verleend uitstel van betaling. Ook discussies over de vraag of een aanslag de belastingschuldige daadwerkelijk heeft bereikt, komen in dit thema terug.

Wettelijk kader

Art. 30fc lid 1 AWR bepaalt dat belastingrente in rekening wordt gebracht "indien met betrekking tot de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag of een navorderingsaanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld". Lid 3 bekort dit tijdvak wanneer de aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte is vastgesteld: het eindigt dan "uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte". Lid 4 sluit renteberekening geheel uit indien de aanslag overeenkomt met een aangifte die is ontvangen vóór de eerste dag van de vijfde (IB) respectievelijk zesde (VPB) maand na afloop van het belastingtijdvak. Lid 5 kent een vergelijkbare bekorting (uiterlijk 12 weken) toe bij een navorderingsaanslag naar aanleiding van een verzoek.

Art. 30h AWR regelt hetzelfde leerstuk voor naheffingsaanslagen. Lid 1 laat belastingrente in rekening brengen "ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft", voor de in dat lid genoemde middelen. Ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld overeenkomstig een verzoek, bekort lid 3 het tijdvak tot uiterlijk 10 weken na ontvangst van dat verzoek; de opsomming van belastingmiddelen in lid 3 noemt onder meer loonbelasting, dividendbelasting en overdrachtsbelasting, maar — anders dan lid 1 — niet de omzetbelasting. Lid 7 merkt voor de toepassing van het derde en vierde lid onder meer een suppletie en een correctiebericht aan als verzoek. Lid 4 bepaalt echter dat "het eerste lid vindt geen toepassing ingeval de naheffingsaanslag het gevolg is van een verzoek dat is gedaan binnen 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft": in dat geval is dus helemaal geen belastingrente verschuldigd, niet slechts de 10-wekenbekorting van lid 3. Lid 6 bepaalt dat eerder in rekening gebrachte rente naar evenredigheid wordt verminderd of vernietigd wanneer de naheffingsaanslag na bezwaar, beroep of ambtshalve vermindering wordt verlaagd of vernietigd.

Art. 28 IW 1990 regelt invorderingsrente. Lid 1 bepaalt dat "bij overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn" rente in rekening wordt gebracht over het openstaande bedrag, met dien verstande dat geen invorderingsrente wordt berekend voor zover met de aanslag een aanslag over dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak wordt verrekend. Lid 3 sluit invorderingsrente uit over de periode waarvoor krachtens de in dat lid genoemde gronden (art. 25, derde, vijfde, achtste, negende, elfde, zeventiende, achttiende, negentiende of eenentwintigste lid, IW 1990) uitstel van betaling is verleend. Lid 4 brengt alsnog rente in rekening voor zover het uitstel door de ontvanger wordt beëindigd of betaling niet binnen de uitsteltermijn plaatsvindt, maar noemt daarbij een beperktere reeks uitstelgronden dan lid 3: het derde lid van art. 25 komt in de opsomming van lid 4 niet terug.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2019:1439 (2019) dat geen invorderingsrente op grond van art. 28 lid 1 IW 1990 verschuldigd is wanneer de belastingschuldige het vermoeden van ontvangst van de aanslag heeft ontzenuwd en de ontvanger niet aannemelijk maakt dat de aanslag hem toch heeft bereikt: het bewijsrisico komt dan bij de ontvanger te liggen.

Gerechtshof Amsterdam boog zich in ECLI:NL:GHAMS:2023:722 (2023) over de vraag of terecht invorderingsrente in rekening was gebracht nadat, na het vervallen van verleend uitstel van betaling, te laat op een aanslag inkomstenbelasting was betaald.

Gerechtshof Amsterdam matigde in ECLI:NL:GHAMS:2020:3637 (2020) de belastingrente wegens de te late aanslagoplegging, in een zaak die overigens vooral ging over de vraag of vervreemdingswinst op aandelen dividend is in de zin van art. 36 lid 2 Bvdb 2001.

De Hoge Raad verklaarde in ECLI:NL:HR:2026:591 (2026) het cassatieberoep gegrond voor zover het de beschikking belastingrente betrof bij een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2016, en verminderde de belastingrente tot €124.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Welk regime van toepassing is — art. 30fc AWR voor IB/VPB-aanslagen en navorderingsaanslagen, art. 30h AWR voor naheffingsaanslagen — bepaalt welke bekortingstermijnen (19, 12 of 10 weken) en uitzonderingsgronden gelden; die verschillen per regime.
  • Bij een aanslag die overeenkomt met de ingediende aangifte is van belang of de aangifte tijdig is ontvangen in de zin van art. 30fc lid 3 of lid 4 AWR: dat kan het rentetijdvak bekorten of de renteplicht geheel uitsluiten.
  • Bij vermindering of vernietiging van een naheffingsaanslag na bezwaar, beroep of ambtshalve vermindering moet de eerder berekende belastingrente op grond van art. 30h lid 6 AWR naar evenredigheid worden teruggedraaid.
  • Bij invorderingsrente is de bewijspositie rond ontvangst van de aanslag relevant: maakt de belastingschuldige aannemelijk de aanslag niet te hebben ontvangen en toont de ontvanger het tegendeel niet aan, dan vervalt volgens ECLI:NL:HR:2019:1439 de grondslag voor invorderingsrente op grond van art. 28 lid 1 IW 1990.
  • Bij verleend uitstel van betaling telt onder welke grondslag (art. 25 IW 1990) het uitstel is verleend, en of dit is beëindigd of overschreden: de renteplicht herleeft op grond van art. 28 lid 4 IW 1990 alleen voor de in dat lid genoemde uitstelgronden, waartoe het derde lid van art. 25 niet behoort.

Recente ontwikkelingen

De kennisgroepstandpunten KG:207:2023:5 (2023) en KG:206:2024:1 (2024) laten zien dat het spiegelbeeldvraagstuk actueel blijft. Volgens KG:206:2024:1 is de ontvanger bij tardieve uitbetaling van invorderingsrente wettelijke rente verschuldigd op grond van art. 4:102 lid 2 Awb, startend wanneer zowel de beslis- als de betaaltermijn van de ontvanger zijn verstreken. KG:207:2023:5 schrijft voor ambtshalve teruggaaf van invorderingsrente een beoordeling per geval voor, waarbij wettelijke rente alleen in uitzonderingssituaties verschuldigd is, bijvoorbeeld bij een onrechtmatige daad van de ontvanger.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 22 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.