Formeel belastingrecht
Belastingrente en invorderingsrente
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Belastingrente en invorderingsrente compenseren de schatkist voor het tijdsverloop rond een belastingschuld, zonder de hoogte van die schuld zelf te raken: beide regimes zijn zuiver rentebepalingen, geen sanctie en geen correctie op de materiële belasting. Belastingrente (art. 30fc en art. 30h AWR) ziet op de periode tot een aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag daadwerkelijk wordt vastgesteld; invorderingsrente (art. 28 IW 1990) ziet op de periode ná het opleggen van de aanslag, wanneer het verschuldigde bedrag niet binnen de betalingstermijn wordt voldaan. Beide regimes kunnen na elkaar bij dezelfde aanslag spelen: eerst belastingrente tot de aanslagoplegging, daarna invorderingsrente vanaf het verstrijken van de betalingstermijn.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer is belastingrente verschuldigd bij een aanslag of navorderingsaanslag IB/Vpb, en wanneer wordt dat tijdvak bekort of uitgesloten?
- Wanneer is belastingrente verschuldigd bij een naheffingsaanslag, en welk middel mist de bekortingsgrond van art. 30h lid 3 AWR?
- Wanneer gaat invorderingsrente lopen en welke uitstelgronden sluiten haar uit of laten haar herleven?
- Wat gebeurt er met eerder berekende rente bij vermindering of vernietiging van de onderliggende aanslag?
- Welke verweren tegen een rentebeschikking staan los van de renteartikelen zelf, en met welk resultaat?
Grondgedachte: rente, geen sanctie
Beide regimes zijn vormgegeven als een enkelvoudige rente over een gedefinieerd tijdvak en een gedefinieerde grondslag; de materiële belastingschuld zelf verandert niet. Het onderscheid tussen belastingrente en invorderingsrente is voor de praktijk van belang omdat de tijdvakken, de aanvangsmomenten en de bekortingsmogelijkheden wezenlijk verschillen per regime en, bij belastingrente, per belastingmiddel. De regeling ligt regelmatig onder vuur omdat rentevergoeding aan de belastingplichtige in spiegelbeeldsituaties, zoals een te late teruggaaf of te late uitbetaling door de ontvanger, niet vanzelfsprekend gelijk loopt met de renteberekening bij te late betaling door de belastingplichtige zelf.
Belastingrente bij aanslagen en navorderingsaanslagen: art. 30fc AWR
Art. 30fc AWR komt in beeld bij aanslagen en navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting met een te betalen bedrag, wanneer die aanslag later wordt vastgesteld dan zes maanden na afloop van het belastingtijdvak (lid 1). Het tijdvak loopt vanaf die zes maanden tot de dag vóór invorderbaarheid van de aanslag, over het te betalen bedrag als grondslag (lid 2). Is de aanslag vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, dan eindigt het tijdvak uiterlijk 19 weken na ontvangst van de aangifte (lid 3); is die aangifte bovendien ontvangen vóór de eerste dag van de vijfde maand (IB), onderscheidenlijk zesde maand (Vpb), na het belastingtijdvak, dan is in het geheel geen belastingrente verschuldigd (lid 4). Bij een navorderingsaanslag naar aanleiding van een verzoek eindigt het tijdvak uiterlijk 12 weken na ontvangst van dat verzoek (lid 5). Lid 6 zondert inkomstenbelasting over te conserveren inkomen (art. 2.8 lid 2 en lid 4 tot en met 7 Wet IB 2001) uit, met als uitzondering te conserveren inkomen ontstaan door toepassing van art. 3.58 lid 1 of art. 3.64 lid 1 Wet IB 2001. Voor het te betalen bedrag van lid 7 telt een verrekening op grond van art. 15 AWR, art. 3.152 lid 6 of art. 4.51 lid 6 Wet IB 2001, of art. 21 lid 3 Wet Vpb 1969 al mee: de rentegrondslag is het bedrag ná die verrekeningen. Dat de rentetermijn ook los van deze wettelijke bekortingsgronden kan worden bijgesteld, bleek toen het Gerechtshof Amsterdam de belastingrente matigde wegens de te late aanslagoplegging, in een zaak die overigens vooral over de verrekenbaarheid van buitenlandse bronbelasting ging (ECLI:NL:GHAMS:2020:3637).
Belastingrente bij naheffingsaanslagen: art. 30h AWR
Art. 30h AWR regelt hetzelfde leerstuk voor naheffingsaanslagen loonbelasting, dividendbelasting, bronbelasting, omzetbelasting, overdrachtsbelasting, belasting van personenauto's en motorrijwielen, accijns, verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en de belastingen van hoofdstuk 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag, wanneer de naheffingsaanslag wordt vastgesteld na het kalender- of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft (lid 1). Het tijdvak loopt vanaf de dag ná dat kalender- of boekjaar tot de dag vóór invorderbaarheid, over de nageheven belasting (lid 2). Is de naheffingsaanslag vastgesteld overeenkomstig een verzoek, dan eindigt het tijdvak uiterlijk 10 weken na ontvangst van dat verzoek; de omzetbelasting ontbreekt echter in de opsomming van middelen in lid 3, zodat een naheffingsaanslag omzetbelasting op verzoek wel onder lid 1 belastingrente meebrengt, maar niet van deze bekorting profiteert. Volgt de naheffingsaanslag uit een verzoek binnen drie maanden na het kalender- of boekjaar, dan is in het geheel geen belastingrente verschuldigd (lid 4). Lid 5 breidt het regime uit naar te late spontane betaling vóórdat een naheffingsaanslag is opgelegd, met een eigen driemaandenuitzondering; art. 30h lid 7 merkt een suppletie of een correctiebericht (art. 28a Wet LB 1964) uitdrukkelijk aan als verzoek in de zin van lid 3 en lid 4. Wordt een naheffingsaanslag na bezwaar of beroep of ambtshalve vermindering verminderd of vernietigd, dan wordt de eerder berekende rente naar evenredigheid teruggedraaid (lid 6).
Invorderingsrente bij te late betaling: art. 28 IW 1990
Invorderingsrente speelt zodra een opgelegde aanslag niet binnen de betalingstermijn wordt voldaan, bijvoorbeeld na afloop of beëindiging van verleend uitstel van betaling; zij wordt in rekening gebracht over het openstaande bedrag, met een uitzondering voor zover de aanslag wordt verrekend met een andere aanslag over dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak (lid 1). Het tijdvak loopt vanaf de dag van invorderbaarheid (art. 9 IW 1990) tot de dag vóór betaling; vervroegde invorderbaarheid op grond van art. 10 IW 1990 telt daarbij niet mee (lid 2). Is voor die periode uitstel van betaling verleend op een van de gronden van art. 25 lid 3, 5, 8, 9, 11, 17, 18, 19 of 21 IW 1990, dan wordt geen invorderingsrente in rekening gebracht (lid 3). De terugval van lid 4, waarbij rente alsnog verschuldigd wordt bij beëindiging van het uitstel of overschrijding van de uitsteltermijn, geldt echter voor een smallere opsomming van gronden waaruit art. 25 lid 3 IW 1990 ontbreekt: bij uitstel op die grond herleeft de rente dus niet op de voet van lid 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bovendien gevallen worden aangewezen waarin, ondanks lid 3, alsnog geen invorderingsrente wordt berekend wegens uitzonderlijke omstandigheden (lid 5). Over het aanvangsmoment loopt regelmatig discussie: de Hoge Raad oordeelde dat geen invorderingsrente verschuldigd is wanneer de belastingschuldige het vermoeden van ontvangst van de aanslag heeft ontzenuwd en de ontvanger niet aannemelijk maakt dat de aanslag hem toch heeft bereikt (ECLI:NL:HR:2019:1439); het Gerechtshof Amsterdam beoordeelde in een vergelijkbare kwestie of terecht invorderingsrente in rekening was gebracht nadat, na het vervallen van verleend uitstel van betaling, te laat op een aanslag inkomstenbelasting was betaald (ECLI:NL:GHAMS:2023:722).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Hoofdtermijn belastingrente aanslag/navordering IB/Vpb | 6 maanden na einde belastingtijdvak | art. 30fc lid 1 AWR |
| Bekorting bij aanslag conform aangifte | eindigt uiterlijk 19 weken na ontvangst aangifte | art. 30fc lid 3 AWR |
| Geen belastingrente bij tijdige aangifte conform aanslag | aangifte vóór 1e dag 5e maand (IB) / 6e maand (Vpb) na tijdvak | art. 30fc lid 4 AWR |
| Bekorting navorderingsaanslag op verzoek | eindigt uiterlijk 12 weken na ontvangst verzoek | art. 30fc lid 5 AWR |
| Bekorting naheffingsaanslag op verzoek (niet: omzetbelasting) | eindigt uiterlijk 10 weken na ontvangst verzoek | art. 30h lid 3 AWR |
| Aanvang invorderingsrente | dag van invorderbaarheid van de aanslag | art. 28 lid 2 IW 1990 jo. art. 9 IW 1990 |
(wettekst geldend per 2026)
Geschilpunten naast de renteartikelen
Tegen een rentebeschikking wordt vaak een beroep gedaan op algemene rechtsbeginselen in plaats van op de renteartikelen zelf, met wisselend succes en een hoge drempel. Het Gerechtshof Amsterdam onderzocht of een beroep op begunstigend beleid of het vertrouwensbeginsel aanspraak kon geven op vermindering van belastingrente over een aanslag inkomstenbelasting 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2021:875). De Hoge Raad oordeelde dat schending van de Wet bescherming persoonsgegevens of de AVG bij de gegevensverwerking niet leidt tot verlaging van een overigens juiste aanslag en dat de belastingrechter dan geen schadevergoeding kan toekennen; daarvoor is een afzonderlijk verzoek bij het bestuursorgaan nodig (ECLI:NL:HR:2021:1748). Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat geen schending van het EVRM of algemene beginselen bestond bij invorderingsrente, omdat causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van de ontvanger ontbrak, in een zaak met een financieel belang van minder dan € 15 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1774). Ook de rentegrondslag zelf kan ter discussie staan: de Hoge Raad boog zich mede over de vraag of een wettelijke grondslag bestond voor belastingrente bij een wijziging van de onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen tussen fiscale partners (ECLI:NL:HR:2024:1881).
Procedure
Belastingrente wordt niet apart aangevraagd: zij ontstaat van rechtswege bij het vaststellen van de aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag na de wettelijke termijn en wordt bij beschikking tegelijk met die aanslag bekendgemaakt. Bekorting van het tijdvak volgt uit het moment van indienen van de aangifte of het suppletieverzoek of correctiebericht. Invorderingsrente ontstaat evenmin op verzoek: zij loopt automatisch vanaf de dag van invorderbaarheid tot de dag vóór betaling, tenzij voor die periode uitstel van betaling is verleend op een van de gronden van art. 25 IW 1990.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Welk regime van toepassing is (art. 30fc AWR voor IB/Vpb-aanslagen en navorderingsaanslagen, art. 30h AWR voor naheffingsaanslagen) bepaalt de bekortingstermijn (19, 12 of 10 weken); bij art. 30h AWR verschilt die bovendien per belastingmiddel, want de omzetbelasting mist de bekortingsgrond van lid 3.
- Bij vermindering of vernietiging van een naheffingsaanslag na bezwaar of beroep of ambtshalve vermindering wordt de eerder berekende belastingrente naar evenredigheid teruggedraaid (art. 30h lid 6 AWR); hetzelfde effect trad op bij vermindering van de onderliggende aanslag zelf in ECLI:NL:GHAMS:2020:3637.
- Bij invorderingsrente telt de bewijspositie rond ontvangst van de aanslag: ontzenuwt de belastingschuldige het ontvangstvermoeden en toont de ontvanger het tegendeel niet aan, dan vervalt de grondslag voor invorderingsrente (ECLI:NL:HR:2019:1439).
- Bij verleend uitstel van betaling telt onder welke grond van art. 25 IW 1990 het is verleend: de renteplicht herleeft op grond van art. 28 lid 4 IW 1990 niet voor uitstel op de grond van art. 25 lid 3 IW 1990.
- De percentages worden jaarlijks vastgesteld en dalen gestaag: per 1 januari 2026 bedraagt de belastingrente 7,5% voor de vennootschapsbelasting en 5% voor de inkomstenbelasting en overige belastingen, en de invorderingsrente 4,3%.
- Verrekeningen op grond van art. 15 AWR, art. 3.152 lid 6 of art. 4.51 lid 6 Wet IB 2001, of art. 21 lid 3 Wet Vpb 1969 werken door in de rentegrondslag van art. 30fc AWR: het te betalen bedrag waarover belastingrente loopt, is het bedrag ná die verrekeningen.
Recente ontwikkelingen
- 2023: het kennisgroepstandpunt KG:207:2023:5 (23 november 2023) schrijft voor ambtshalve teruggaaf van invorderingsrente een beoordeling per geval voor; wettelijke rente is alleen verschuldigd in uitzonderingssituaties, bijvoorbeeld bij een onrechtmatige daad van de ontvanger.
- 2024: volgens kennisgroepstandpunt KG:206:2024:1 (4 oktober 2024) is de ontvanger bij tardief uitbetaalde invorderingsrente wettelijke rente verschuldigd op grond van art. 4:102 lid 2 Awb, startend zodra zowel de beslis- als de betaaltermijn van de ontvanger zijn verstreken.
- 2026: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beoordeelde een beschikking belastingrente bij de aanslag IB/PVV 2020, nadat de inspecteur eerder uitstel voor het doen van aangifte had verleend tot 1 september 2021 en de aangifte op 31 augustus 2021, net binnen dat verlengde uitstel, was gedaan (ECLI:NL:GHARL:2026:1850).
- 2026: de Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond voor zover het de beschikking belastingrente betrof bij een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2016, en verminderde de belastingrente tot € 124 (ECLI:NL:HR:2026:591).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
34 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2023:722 (2023)
De zaak betreft of aan de belanghebbende terecht invorderingsrente in rekening is gebracht nadat na het vervallen van uitstel van betaling te laat op de aanslag inkomstenbelasting was betaald.
-
ECLI:NL:HR:2019:1439 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat geen invorderingsrente (art. 28, lid 1, Invorderingswet 1990) verschuldigd is als de belastingschuldige het vermoeden van ontvangst van de aanslag heeft ontzenuwd en de ontvanger niet aannemelijk maakt dat de aanslag hem toch heeft bereikt.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:875 (2021)
De zaak betreft of belanghebbende met een beroep op begunstigend beleid of het vertrouwensbeginsel aanspraak kan maken op vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente over de aanslag inkomstenbelasting 2015.
-
ECLI:NL:HR:2021:1748 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat schending van de Wet bescherming persoonsgegevens of de AVG bij verwerking van gegevens niet leidt tot verlaging van een overigens juist berekende aanslag en dat de belastingrechter dan geen schadevergoeding kan toekennen; daarvoor moet een afzonderlijk verzoek bij het bestuursorgaan worden ingediend.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1774 (2024)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat geen schending van het EVRM en algemene beginselen bestaat bij de invorderingsrente, omdat geen causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en het handelen van de ontvanger, bij een financieel belang van minder dan € 15.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:3637 (2020)
Het Hof oordeelt dat vervreemdingswinst op aandelen geen 'dividend' is in de zin van artikel 36, lid 2, Bvdb 2001, zodat de Roemeense bronbelasting niet verrekenbaar is en dit niet in strijd is met Europees recht, en matigt de belastingrente wegens de te late aanslagoplegging.
-
ECLI:NL:HR:2024:1881 (2024)
De zaak betreft onder meer of een wettelijke grondslag bestaat voor het in rekening brengen van belastingrente bij een wijziging van de onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen tussen partners.
-
ECLI:NL:HR:2026:591 (2026)
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond voor zover het de beschikking belastingrente betreft bij de navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2016, en vermindert de belastingrente tot €124.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:3912 (2021)
De zaak betreft de aanslag IB/PVV 2016 en de toepassing van artikel 3.111, tweede lid, Wet IB 2001 op de eigenwoningregeling.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:1850 (2026)
De zaak betreft een beschikking belastingrente bij de aanslag IB/PVV 2020, nadat de inspecteur eerder uitstel voor het doen van aangifte had verleend tot 1 september 2021 en belanghebbende op 31 augustus 2021 aangifte deed.
Beleid en standpunten
7 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 33003 nr. 18
-
KG:207:2023:5 (2023)
Standpunt: Bij ambtshalve teruggaaf van invorderingsrente en vervolgingskosten moet per geval worden beoordeeld of wettelijke rente is verschuldigd. Dit is het geval in uitzonderingssituaties, bijvoorbeeld bij onrechtmatige daad van de ontvanger.
- Kamerstuk 33003 nr. 3
- Kamerstuk 34002 nr. 3
-
Kamerstuk 36369 nr. 3
De memorie implementeert de EU mondiaal minimumbelasting (Pillar 2) voor multinationale groepen, minimaal effectief tarief 15%.
-
KG:206:2024:1 (2024)
Standpunt: Wanneer invorderingsrente tardief wordt uitbetaald, is de ontvanger verplicht wettelijke rente te vergoeden op grond van artikel 4:102, tweede lid, Awb, startend wanneer zowel de volledige beslis- als betaaltermijn van de ontvanger zijn verstreken.
- Kamerstuk 26728 nr. 3
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.