Formeel belastingrecht
Navordering
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Navordering is het middel waarmee de inspecteur een eerder te laag vastgestelde of ten onrechte achterwege gebleven aanslag alsnog corrigeert. Het instrument doorbreekt de rechtszekerheid die een onherroepelijk geworden aanslag normaal biedt, en de wetgever heeft die doorbreking daarom aan strikte voorwaarden en termijnen gebonden. Kern van de regeling is het nieuwe-feit-vereiste van art. 16 lid 1 AWR: alleen wat de inspecteur niet kende en redelijkerwijs ook niet had kunnen kennen, mag aanleiding zijn voor navordering. Daarnaast kent de wet kwade trouw als uitzondering op die hoofdregel, en drie zelfstandige gronden in lid 2, die elk een eigen bewijslast en een eigen termijn meebrengen.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer levert een feit een nieuw feit op, en wanneer staat ambtelijk verzuim navordering in de weg?
- Wanneer doorbreekt kwade trouw het nieuwe-feit-vereiste van art. 16 lid 1 AWR?
- Welke drie zelfstandige gronden biedt art. 16 lid 2 AWR naast het nieuwe feit?
- Welke navorderingstermijnen gelden, en wanneer geldt de verlengde termijn van 12 jaar voor buitenlandse bestanddelen?
- Hoe verhoudt een geslaagde navordering zich tot omkering van de bewijslast en tot boetes?
Nieuw feit en ambtelijk verzuim
De hoofdregel van art. 16 lid 1 AWR staat navordering toe wanneer enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gebleven of tot een te laag bedrag is vastgesteld, mits dat feit de inspecteur niet bekend was en hem redelijkerwijs ook niet bekend had kunnen zijn. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag in beginsel uitgaan van de juistheid van de aangifte; navordering op grond van een nieuw feit is uitgesloten bij ambtelijk verzuim, dat wil zeggen wanneer hij, na met normale zorgvuldigheid van de aangifte te hebben kennisgenomen en gelet op de overige omstandigheden, in redelijkheid aan de juistheid van een gegeven had moeten twijfelen. Voor twijfel bestaat geen aanleiding zolang de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangegeven gegevens juist zijn, zoals Gerechtshof Amsterdam bevestigde in ECLI:NL:GHAMS:2021:2738 en de Hoge Raad eerder al in ECLI:NL:HR:2010:BJ9082. Deze toets staat los van kwade trouw of een kenbare fout: het ontbreken daarvan sluit navordering op een nieuw feit niet uit, zolang het feit de inspecteur inderdaad onbekend was en onbekend kon blijven. Bij de vraag of gegevens die relevant zijn voor de belastingheffing van andere belastingplichtigen onder bijzondere omstandigheden aan hun dossiers moeten worden toegevoegd, kwam de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2023:1343 in zoverre terug van eerdere rechtspraak over ambtelijk verzuim.
Kwade trouw als zelfstandige uitzondering
Kwade trouw is een zelfstandige uitzondering op het nieuwe-feit-vereiste van lid 1 en vergt meer dan onzorgvuldigheid: alleen wanneer de belastingplichtige de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, of opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden, is aan de eis voldaan. Onthouden van inlichtingen veronderstelt een wettelijke verplichting om ze te verstrekken, bijvoorbeeld via de uitnodiging tot het doen van aangifte of een vordering op grond van art. 47 AWR. Het verwijtbare gedrag moet bovendien de oorzaak zijn van de te lage heffing en zich hebben voorgedaan vóór het vaststellen van de aanslag, of, bij het uitblijven van een aanslag, vóór het verstrijken van de aanslagtermijn; gedrag daarna kan geen kwade trouw in de zin van art. 16 AWR opleveren. De Hoge Raad casseerde in ECLI:NL:HR:2023:873 dan ook het oordeel dat kwade trouw kon worden aangenomen omdat de belastingplichtige na de aanslagtermijn uitgereikte aangiftebiljetten niet had geretourneerd: dat gedrag lag na het relevante tijdstip en kon dus niet de oorzaak zijn van het uitblijven van een tijdige aanslag.
Drie zelfstandige gronden van lid 2
Naast het nieuwe-feit-vereiste en kwade trouw kent art. 16 lid 2 AWR drie zelfstandige navorderingsgronden die daar los van staan. Onderdeel a ziet op een voorlopige aanslag, voorheffing, voorlopige teruggaaf of voorlopige verliesverrekening die ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend. Onderdeel b sluit aan bij een herverdeling van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen tussen fiscale partners als bedoeld in art. 2.17 derde of vierde lid Wet IB 2001. Onderdeel c, de kenbare-foutregeling, staat navordering toe wanneer een fout heeft geleid tot het ten onrechte achterwege blijven of te laag vaststellen van een aanslag, mits dat de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is; kenbaarheid wordt in elk geval aangenomen bij een tekort van ten minste 30% van de verschuldigde belasting. Die 30%-grens is dus geen zelfstandige voorwaarde maar een in-elk-geval-vangnet: volgens het kennisgroepstandpunt over de begrippen fout en kenbaarheid (KG:206:2022:5) kunnen ook andere foutsoorten onder omstandigheden bij een lager bedrag kenbaar zijn. Een conserverende navorderingsaanslag kan niet op onderdeel c worden gebaseerd, omdat de belastingplichtige bij zo'n aanslag geen beschikking ontvangt waaraan hij de onjuistheid had kunnen zien en dus niet aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan (KG:206:2022:6).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Reguliere navorderingstermijn (nieuw feit / kwade trouw) | 5 jaar na ontstaan belastingschuld, te verlengen met verleend aangifte-uitstel | art. 16 lid 3 AWR |
| Verlengde termijn buitenlands bestanddeel | 12 jaar na ontstaan belastingschuld | art. 16 lid 4 AWR |
| Termijn bij navordering uitsluitend op de kenbare-foutregel | 2 jaar na besluit geen aanslag op te leggen, dan wel na de (te lage) aanslag | art. 16 lid 3, slotzin AWR |
| Kenbaarheidsdrempel fout | in elk geval bij ≥ 30% te weinig geheven belasting | art. 16 lid 2 onderdeel c AWR |
| Verlenging bij laat verzoek of late gegevensverstrekking | + 6 maanden | art. 16 lid 5 AWR |
| Verlenging bij heffingskorting-herziening partner | tot 8 weken na onherroepelijk worden van de aanslag van de partner | art. 16 lid 7 AWR |
(wettekst geldend per 2026)
Navorderingstermijnen en verlengingen
De bevoegdheid tot navordering vervalt in beginsel door verloop van 5 jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, een termijn die wordt verlengd met de duur van een eventueel voor de aangifte verleend uitstel (art. 16 lid 3, eerste volzin, AWR). Betreft de navordering uitsluitend de kenbare-foutregeling van lid 2 onderdeel c, dan geldt in plaats daarvan een termijn van 2 jaren na het besluit om geen aanslag op te leggen, dan wel na de (te lage) aanslag: voor dit fijnmazige correctiemiddel krijgt de inspecteur dus minder tijd dan voor reguliere navordering. Is te weinig belasting geheven over een bestanddeel dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, dan loopt de termijn op tot 12 jaren na het ontstaan van de belastingschuld (lid 4); die verlenging geldt echter niet voor in Nederland opgekomen inkomen dat pas later op een buitenlandse rekening wordt gestort, zoals de Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2018:359. Wordt binnen zes maanden voor het einde van de lopende termijn nog een verzoek gedaan of worden dan nog gegevens verstrekt, dan wordt die termijn met 6 maanden verlengd (lid 5). Is een bedrag als verlies van een jaar door verrekening in een voorafgaand jaar in aanmerking genomen, dan blijft navordering over dat voorafgaande jaar mogelijk zolang navordering over het jaar van herkomst van het verlies nog mogelijk is (lid 6). Is een heffingskorting te hoog verleend doordat het partnermaximum van art. 8.9 eerste of tweede lid, of art. 8.9a derde lid, Wet IB 2001 is overschreden, dan blijft de navorderingsbevoegdheid bestaan tot 8 weken na het onherroepelijk worden van de relevante aanslag of beschikking van de partner (lid 7). Gegevens die de inspecteur uitsluitend via de DAC6-meldingsplicht voor grensoverschrijdende constructies heeft ontvangen, gelden ten slotte van rechtswege als een de inspecteur onbekend en onkenbaar feit, zodat het nieuwe-feit-vereiste in die gevallen geacht wordt te zijn vervuld (lid 8).
Omkering van de bewijslast bij de verlengde termijn
Bij navordering op grond van de verlengde termijn van lid 4 speelt de omkering van de bewijslast pas een rol bij de vaststelling van de hoogte van de navorderingsaanslag, niet bij de vraag of de navorderingsbevoegdheid bestaat; de inspecteur mag daarbij bovendien geen bestanddeel betrekken dat niet daadwerkelijk in het buitenland is gehouden of opgekomen (ECLI:NL:HR:2020:1810). Ook middellijk genoten winstuitdelingen kunnen een aanknopingspunt met het buitenland hebben en zo onder de verlengde termijn van lid 4 vallen, oordeelde Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:1790).
Navordering, boetes en het vervolgtraject
Een geslaagd beroep op een navorderingsgrond brengt niet automatisch een boete mee. In ECLI:NL:HR:2020:254 oordeelde de Hoge Raad dat een belastingplichtige die zijn adviseur alle benodigde gegevens had verstrekt, op diens aangiften mocht vertrouwen, zodat het enkele weten dat bepaalde inkomsten belastbaar waren op zichzelf geen vergrijpboete op grond van art. 67e AWR rechtvaardigde. Bij een geslaagd beroep op een van de navorderingsgronden legt de inspecteur een navorderingsaanslag op ter grootte van de te weinig geheven belasting, of vordert hij een ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting terug; tegen de navorderingsaanslag staan dezelfde rechtsmiddelen open als tegen een primitieve aanslag, bezwaar en vervolgens beroep bij de belastingrechter. Een navorderingsaanslag gaat in de praktijk vaak gepaard met een beschikking belastingrente.
Navordering versus naheffing
Bij naar aanslag geheven belastingen zoals de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting werkt navordering als correctie ná de definitieve aanslag; bij aangiftebelastingen zoals de omzetbelasting en de loonheffingen loopt de vergelijkbare correctie via naheffing, met een eigen termijnregime. Het kennisgroepstandpunt KG:202:2024:28 laat zien dat navordering de gezamenlijke grondslag van fiscale partners niet wijzigt: bij navordering van te veel verleend rechtsherstel in box 3 kunnen partners met al onherroepelijk vaststaande aanslagen niet alsnog een nieuwe onderlinge toedeling van de grondslag sparen en beleggen kiezen op de grond van art. 16 lid 2 onderdeel b AWR.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bepalend is steeds welke grondslag de inspecteur inroept: bewijslast en termijn verschillen per grondslag, en het ontbreken van kwade trouw of een kenbare fout sluit navordering op een nieuw feit niet uit.
- Bij een beroep op de verlengde termijn van lid 4 mag de inspecteur bij de omvang van de aanslag geen bestanddeel meenemen dat niet daadwerkelijk in het buitenland is gehouden of opgekomen.
- De 30%-drempel van lid 2 onderdeel c is een vangnet, geen plafond: ook bij een lager bedrag kan een fout kenbaar zijn.
- Gedrag van de belastingplichtige na de aanslag(termijn) kan geen kwade trouw meer opleveren, ook niet als het evident is.
- Navordering wijzigt niet automatisch de onderlinge verdeling van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen tussen fiscale partners wanneer beide aanslagen al onherroepelijk vaststaan.
Recente ontwikkelingen
- 21 oktober 2022: kennisgroepstandpunt over de begrippen fout en kenbaarheid van art. 16 lid 2 onderdeel c AWR (KG:206:2022:5): de 30%-drempel beperkt de navorderingsbevoegdheid niet automatisch, ook andere foutsoorten kunnen ondanks een lager bedrag kenbaar zijn.
- 21 oktober 2022: kennisgroepstandpunt over de conserverende navorderingsaanslag (KG:206:2022:6): navordering op grond van art. 16 lid 2 onderdeel c AWR is niet mogelijk omdat de belastingplichtige geen beschikking ontvangt waaraan hij de onjuistheid had kunnen zien.
- 21 november 2023: kennisgroepstandpunt over heffingvrij vermogen en heffingskorting bij navordering (KG:202:2023:40): bij navordering moet rekening worden gehouden met het heffingvrij vermogen en de heffingskorting, zonder terugrekening naar binnenlands vermogen.
- 9 april 2024: Gerechtshof Den Haag oordeelt dat de inspecteur voor 2015 en 2016 over een nieuw feit beschikte en voor 2017 en 2018 sprake was van een kenbare fout; het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en de vergrijpboetes worden vernietigd (ECLI:NL:GHDHA:2024:567).
- 30 augustus 2024: kennisgroepstandpunt KG:202:2024:28: bij navordering van te veel verleend rechtsherstel box 3 kunnen fiscale partners met onherroepelijk vaststaande aanslagen niet alsnog een nieuwe onderlinge toedeling van de grondslag sparen en beleggen kiezen.
- 21 maart 2025: kennisgroepstandpunt over de nagevorderde erfbelastingschuld in box 3 (KG:202:2025:3): een nog niet geformaliseerde erfbelastingschuld kan als schuld in box 3 in aanmerking worden genomen vanaf de eerste peildatum na overlijden als navordering waarschijnlijk is.
- 6 juni 2025: de Hoge Raad oordeelt dat de foutenleer van toepassing is op afschrijvingsfouten bij de winsttoerekening aan een buitenlandse vaste inrichting, zodat een jaar na jaar herhaalde fout kan worden hersteld in het oudste nog openstaande jaar (ECLI:NL:HR:2025:850, BNB 2025/96).
- 26 september 2025: de Hoge Raad verwijst een zaak omdat onvoldoende was gemotiveerd waarom een belastingplichtige niet redelijkerwijs mocht aannemen dat de primitieve aanslagen juist waren vastgesteld; bij de kenbaarheid van een fout moet worden beoordeeld of kennis van een ingeschakelde adviseur redelijkerwijs aan de belastingplichtige kan worden toegerekend (ECLI:NL:HR:2025:1391, BNB 2025/132).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
264 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2018:359 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR niet geldt wanneer in Nederland opgekomen inkomen pas later op een buitenlandse bankrekening wordt gestort, en dat hierover geen omkering van de bewijslast geldt.
-
ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 (2010)
De Hoge Raad oordeelt, na prejudiciële beantwoording door het Hof van Justitie, dat de verlengde navorderingstermijn van art. 16 lid 4 AWR voor verzwegen buitenlandse tegoeden niet in strijd is met het EG-recht, en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
-
ECLI:NL:HR:2010:BJ9082 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van ambtelijk verzuim: de inspecteur hoefde bij een gemoedsbezwaarde met opgevoerde ziektekostenaftrek in redelijkheid niet aan de juistheid van de aangifte te twijfelen en behoefde daarnaar geen nader onderzoek in te stellen.
-
ECLI:NL:HR:2023:1343 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat gegevens relevant voor de belastingheffing van andere belastingplichtigen onder bijzondere omstandigheden aan hun dossiers moeten worden toegevoegd, en komt in zoverre terug van eerdere rechtspraak over ambtelijk verzuim (art. 16 lid 1 AWR).
-
ECLI:NL:GHDHA:2024:567 (2024)
Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat de inspecteur voor 2015 en 2016 beschikte over een nieuw feit en dat voor 2017 en 2018 sprake is van een kenbare fout in de zin van artikel 16 AWR; het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, de vergrijpboeten worden vernietigd.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:2738 (2021)
Het Hof oordeelt dat bij de aanslagregeling niet onwaarschijnlijk was dat de aangifte juist was, zodat het nieuwe feit ex art. 16 AWR niet ontbreekt en de gestelde omstandigheden niet leiden tot aftrek van de premielijfrente (art. 3.126a Wet IB 2001).
-
ECLI:NL:HR:2020:1810 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat bij navordering op grond van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR de omkering van de bewijslast pas een rol speelt bij de vaststelling van de hoogte van de navorderingsaanslag, en dat de inspecteur daarbij geen bestanddeel mag betrekken dat niet in het buitenland is gehouden of opgekomen.
-
ECLI:NL:HR:2023:873 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2002 tot en met 2010 moeten worden vernietigd omdat de inspecteur geen feiten heeft gesteld waaruit vóór het verstrijken van de aanslagtermijn kwade trouw blijkt, terwijl de aanslagen 2011-2013 in stand blijven.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:3293 (2022)
De zaak betreft of de inspecteur bij de navorderingsaanslagen IB/PVV over 2015 en 2016 een ambtelijk verzuim beging of buiten het correctiebeleid trad, en of het niet navorderen over 2012 vertrouwen wekte dat ook over die jaren van navordering zou worden afgezien.
-
ECLI:NL:HR:2015:913 (2015)
De zaak betreft de vraag of de verlengde navorderingstermijn voor een buiten de EU aangehouden beleggingsrekening verenigbaar is met de standstill-bepaling van art. 64 VWEU; de Hoge Raad stelt hierover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU.
Beleid en standpunten
21 bronnen in de kennisbank-
KG:206:2022:5 (2022)
Standpunt: De 30%-drempel voor kenbaarheid van fout beperkt navorderingsbevoegdheid niet automatisch. Andere foutsoorten kunnen evenzeer kenbaar zijn ondanks lager bedrag.
-
KG:206:2022:6 (2022)
Standpunt: Een conserverende navorderingsaanslag kan niet via navordering (artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR) worden vastgesteld omdat kenbaarheidsvereiste niet wordt vervuld. Belastingplichtige ontvangt geen beschikking waaraan hij zou moeten zien dat deze niet juist was.
-
Besluit BWBR0012005
Goedkeuring inzake onderworpenheid bij voorkoming dubbele belasting. Formele onderworpenheid aan buitenlandse belasting is niet vereist voor toepassing van het verdrag.
-
KG:202:2025:3 (2025)
Standpunt: Nog niet geformaliseerde erfbelastingschuld kan als schuld box 3 in aanmerking worden genomen van eerste peildatum na overlijden als navordering waarschijnlijk is.
-
KG:202:2023:40 (2023)
Standpunt: Bij navordering moet rekening worden gehouden met het heffingvrij vermogen en heffingskorting; deze worden echter niet teruggerekend naar binnenlands vermogen.
- Kamerstuk 35927 nr. 12
- Kamerstuk 36602 nr. 3
-
Besluit BWBR0027735
Goedkeuring/beleid inzake aftrekposten in erfbelasting. Dit besluit actualiseert het beleid voor bepaling van aftrekposten van de nalatenschap.
-
Kamerstuk 29210 nr. 23
Derde nota van wijziging Belastingplan 2004, met aanpassingen van inkomstenbelastingtabel en bepalingen over eigenwoningschuld bij verwerving nieuwe woning.
-
Kamerstuk 29210 nr. 82
Verkorting termijn vervreemdingssaldo eigenwoningreserve van 10 naar 5 jaar ter bestrijding ontwijkingsconstructies.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.