Formeel belastingrecht

ANBI-status

Bijgewerkt op 19 juli 2026

De status van algemeen nut beogende instelling (ANBI) is de kwalificatie waarmee een stichting, vereniging of vergelijkbaar lichaam toegang krijgt tot een reeks fiscale faciliteiten die samenhangen met het beogen van algemeen nut: giftenaftrek voor donateurs, vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting voor de instelling zelf, en aanverwante regelingen. De status wordt niet automatisch verkregen, maar bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur toegekend, ingetrokken of geweigerd.

Het wettelijk anker is art. 5b AWR. Dit artikel sluit een instelling met een in aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden uitgegeven categorisch uit van de ANBI-kwalificatie, en geeft voor de overige instellingen de materiële voorwaarden (uitsluitend of nagenoeg uitsluitend algemeen nut, transparantie, ministeriële voorwaarden en aanmerking), de omschrijving van wat als algemeen nut geldt, en de procedurele kant: het verzoek, de beschikking, de intrekkingsgronden en de integriteitseisen voor bestuurders en feitelijk leidinggevenden. Omdat de kwalificatie zowel formeelrechtelijk (de beschikking, bezwaar en beroep) als in de schenk- en erfbelasting doorwerkt, ligt het thema op het snijvlak van beide rechtsgebieden.

In de praktijk is de ANBI-toets feitelijk van aard: de rechter beoordeelt telkens opnieuw of de concrete werkzaamheden van een instelling rechtstreeks het algemeen nut dienen, of dat sprake is van indirecte of particuliere belangenbehartiging. Dat maakt de rechtspraak minstens zo belangrijk als de wettekst zelf.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op bij de oprichting van een stichting of vereniging die aanspraak wil maken op de ANBI-status, bij de beoordeling of een steunstichting naast het ondersteunen van een andere ANBI ook zelf ANBI-doelen mag nastreven, en bij de vraag of een instelling die vermogen opbouwt of "oppot" nog aan de bestedingseis voldoet. Ook speelt het bij intrekking van de status, bijvoorbeeld wegens een gebrekkige administratie of het niet langer voldoen aan de algemeen-nut-eis: de begiftigde mag in beginsel vertrouwen op de ANBI-registervermelding, maar bij intrekking met terugwerkende kracht kan alsnog schenkbelasting verschuldigd zijn, tenzij ook aan de algemeen-nut-eis is voldaan. Verder is het relevant bij in het buitenland gevestigde instellingen die de Nederlandse ANBI-status aanvragen, en bij de integriteitstoets wanneer bestuurders of feitelijk leidinggevenden strafrechtelijk zijn veroordeeld.

Wettelijk kader

Art. 5b lid 1 AWR sluit een instelling met een in aandelen verdeeld kapitaal, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij of een ander lichaam waarin bewijzen van deelgerechtigdheid kunnen worden uitgegeven van de ANBI-kwalificatie uit. Voor de overige instellingen bepaalt lid 1 dat een algemeen nut beogende instelling een instelling is die "uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt" (onderdeel a), "haar gegevens op elektronische wijze via internet openbaar maakt" (onderdeel b), "voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden" (onderdeel c) en "als zodanig is aangemerkt door" de inspecteur of de minister, afhankelijk van de vestigingsplaats (onderdeel d). Dit zijn cumulatieve voorwaarden: het is een "en"-opsomming, zodat het ontbreken van een van deze elementen al aan de kwalificatie in de weg staat. Bepaalde publiekrechtelijke lichamen, zoals de Staat, provincies, gemeenten en waterschappen (en vergelijkbare EU/EER-lichamen), zijn op grond van lid 2 zonder nadere toets algemeen nut beogende instelling.

Lid 3 somt op wat als algemeen nut in de zin van het artikel wordt beschouwd: onder meer welzijn, cultuur, onderwijs/wetenschap/onderzoek, natuur- en milieubescherming, gezondheidszorg, jeugd- en ouderenzorg, ontwikkelingssamenwerking, dierenwelzijn, religie/levensbeschouwing/spiritualiteit, bevordering van de democratische rechtsorde, volkshuisvesting, een combinatie daarvan, en het financieel of anderszins ondersteunen van een andere ANBI (onderdeel m). Voor volkshuisvesting geldt op grond van lid 5 een aanvullende eis: de instelling kan alleen als ANBI worden aangemerkt indien zij op de voet van art. 19 Woningwet bij koninklijk besluit is toegelaten.

Lid 6 regelt dat aanmerking als ANBI (of als culturele instelling onder lid 4) op verzoek geschiedt en dat de inspecteur hierop beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, eventueel onder voorwaarden; de inspecteur kan ook ambtshalve een categorie of groep instellingen aanmerken. Lid 7 geeft de intrekkingsgrond voor het niet langer voldoen aan de kernvereisten van lid 1, met de mogelijkheid dat het tijdstip van intrekking terugwerkt tot vóór de dagtekening van de beschikking. Lid 8 en lid 9 voegen integriteitseisen toe: de status kan worden geweigerd of ingetrokken bij een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van de instelling, een bestuurder, feitelijk leidinggevende of gezichtsbepalend persoon voor bepaalde delicten binnen vier kalenderjaren, of bij gerede twijfel over integriteit indien niet binnen zestien weken een verklaring omtrent het gedrag wordt overgelegd.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad benadrukt in ECLI:NL:HR:2016:2666 (2016) dat bij de vraag of activiteiten rechtstreeks op het algemeen nut zijn gericht, moet worden onderzocht of ten minste 90% van de activiteiten aan die eis voldoet; het hof kon niet zonder nadere motivering oordelen dat geen van de activiteiten rechtstreeks algemeen nut diende. Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2025:1048 (2025), anders dan de rechtbank, dat een instelling niet kwalificeert als ANBI omdat zij zich primair en nagenoeg uitsluitend richt op particuliere belangen in plaats van rechtstreeks op het algemeen belang; hetzelfde hof kwam in ECLI:NL:GHAMS:2023:2949 (2023) tot een vergelijkbaar oordeel omdat niet vaststond dat de werkzaamheden concreet en (nagenoeg) uitsluitend algemeen nuttige doelen dienden.

Op de bestedingseis oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2018:1107 (2018) dat bij de ANBI-toets mede moet worden onderzocht of sprake is van oppotten van vermogen, en dat een hof niet zonder nadere motivering kon oordelen dat een actueel beleidsplan ontbrak. Op formeel vlak oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2017:1237 (2017) dat de ANBI-status terecht was ingetrokken omdat de administratie geen inzicht gaf in aard en omvang van de bestedingen, en dat zo'n gebrek niet door getuigenverklaringen kan worden hersteld.

Aandachtspunten voor de praktijk

De rechtstreeksheid van het algemeen nut is een terugkerend knelpunt. Een instelling die financieel of op andere wijze een andere ANBI ondersteunt, geldt op grond van art. 5b lid 3 onderdeel m AWR zelf als algemeen nut beogend, mits ook aan de overige voorwaarden van art. 5b AWR is voldaan. Een instelling die zelf goede doelen faciliteert, bijvoorbeeld door fondsenwerving voor derden, zonder dat dit een eigen, door haarzelf nagestreefd algemeen belang is, kwalificeert niet als ANBI omdat haar werkzaamheden dan slechts indirect de belangen van de aangesloten derden dienen; hetzelfde geldt voor instellingen die primair particuliere belangen dienen. De 90%-drempel uit de rechtspraak vergt een onderbouwde uitsplitsing van activiteiten, niet enkel een verwijzing naar de statutaire doelstelling. Een deugdelijk, actueel beleidsplan en een administratie die inzicht geeft in aard en omvang van de bestedingen zijn geen formaliteit maar dragen materieel bij aan het voorkomen van intrekking. Bij steunstichtingen is expliciet te onderbouwen dat, naast het ondersteunen van een andere ANBI, ook aan alle overige voorwaarden van art. 5b AWR is voldaan wanneer de instelling zelf tevens ANBI-doelen nastreeft. Ten slotte verdient de integriteitstoets van lid 8 en lid 9 aandacht bij bestuurswisselingen en bij signalen van gerede twijfel: het niet tijdig overleggen van een verklaring omtrent het gedrag binnen de gestelde termijn kan op zichzelf al tot verlies van de status leiden.

Recente ontwikkelingen

De Hoge Raad heeft begin 2026 (ECLI:NL:HR:2026:136) geoordeeld dat de registratievoorwaarde voor de ANBI-status geen (in)directe discriminatie naar vestigingsplaats oplevert en geen schending van art. 63 VWEU vormt, ook niet voor een in het buitenland gevestigde instelling met weinig, over meerdere landen verspreide begunstigers. Gerechtshof Amsterdam kwam in 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1296) tot een vergelijkbare conclusie: van een belemmering van het vrije kapitaalverkeer was geen sprake, nu de betrokken instellingen geen verzoek als bedoeld in art. 5b lid 6 AWR hadden gedaan en niet aan de Nederlandse voorwaarden voor giftenaftrek voldeden. Deze lijn bevestigt dat de formele aanvraag- en registratie-eisen van art. 5b AWR ook in grensoverschrijdende situaties overeind blijven.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 7 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.