Schenk- en erfbelasting
Erfbelasting: tarieven en vrijstellingen
Bijgewerkt op 19 juli 2026
De erfbelasting knoopt aan bij de verwantschap tussen de erflater en de verkrijger. De Successiewet 1956 kent een dubbel progressief systeem: het tarief loopt op naarmate de verkrijging groter wordt, en het loopt tegelijk op naarmate de verwantschap verder van de erflater afstaat. Naast dit tarief bestaat een stelsel van vrijstellingen per categorie verkrijger, met de partnervrijstelling als verreweg de ruimste. Beide elementen, tarief en vrijstelling, bepalen samen wat een verkrijger daadwerkelijk aan erfbelasting verschuldigd is.
Kenmerkend voor het stelsel is de wisselwerking tussen de partnervrijstelling en andere fiscaal gefacilieerde aanspraken die de partner via het overlijden verkrijgt, met name pensioen- en lijfrenteaanspraken. De wet imputeert de waarde van die aanspraken deels op de vrijstelling, zodat de partner niet twee keer profiteert van fiscale faciliëring over hetzelfde vermogen. Voor de praktijk maakt dit de partnervrijstelling minder een vast bedrag dan een uitkomst van een aparte berekening.
Het tariefartikel bevat daarnaast een samenloopregeling met de overdrachtsbelasting, die naar haar tekst is beperkt tot de schenkbelasting: overdrachtsbelasting die is betaald over het bedrag waarover schenkbelasting verschuldigd is, komt onder voorwaarden in mindering op die schenkbelasting. Die samenloopregeling is een terugkerend thema in de rechtspraak over schenkingen.
Wanneer speelt dit
Het tarief- en vrijstellingenregime van de Successiewet komt in de praktijk op bij vrijwel elke aangifte erfbelasting: bij de bepaling van de tariefgroep van elke verkrijger (partner, kinderen, kleinkinderen, overige verkrijgers), bij de berekening van de partnervrijstelling wanneer de partner ook pensioen- of lijfrenteaanspraken erft, bij verkrijgingen door ANBI's en andere kwalificerende instellingen, en — bij schenkingen — bij transacties waarin een verkrijging tegen (gedeeltelijke) tegenprestatie plaatsvindt en overdrachtsbelasting en schenkbelasting samenlopen. Ook de kwalificatie van bijzondere verkrijgersgroepen, zoals stiefkinderen, pleegkinderen of een voormalige schoonzoon of -dochter, vergt telkens een beoordeling van de toepasselijke tariefgroep en vrijstelling.
Wettelijk kader
Art. 24 SW 1956 bevat het tarief. Lid 1 bepaalt dat de belasting wordt geheven "naar het volgende tarief", met een tabel die het heffingspercentage koppelt aan de omvang van de belaste verkrijging en aan de categorie verkrijger. Voor het gedeelte van de verkrijging tot € 158.669 geldt 10% "indien verkregen door partner of afstammelingen in de rechte lijn" en 30% "in overige gevallen"; voor het gedeelte boven € 158.669 lopen deze percentages op naar 20% respectievelijk 40%. Een voetnoot bij deze tabel bepaalt dat voor afstammelingen in de tweede of verdere graad (zoals kleinkinderen) de belasting "het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 80% daarvan" bedraagt: voor deze groep komt er dus een opslag van 80% bovenop het reguliere tarief van de eerste kolom.
Lid 2 van art. 24 SW 1956 regelt de samenloop met overdrachtsbelasting: "de overdrachtsbelasting, voor zover deze niet heeft geleid tot toepassing van artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, betaald over het bedrag waarover schenkbelasting verschuldigd is, strekt in mindering van de schenkbelasting". Betaalde overdrachtsbelasting wordt dus verrekend met de verschuldigde schenkbelasting, tenzij al gebruik is gemaakt van de samenloopvrijstelling van art. 13 WBR. De bepaling noemt uitsluitend de schenkbelasting; voor de erfbelasting voorziet lid 2 niet in een vergelijkbare vermindering.
Art. 32 SW 1956 bevat de vrijstellingen van erfbelasting. Lid 1 somt onder 4° per categorie verkrijger een vrijgesteld bedrag op: voor de partner € 828.035, voor kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden én die ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zijn om met voor hun kracht berekende arbeid de helft te verdienen van wat gezonde personen van gelijke leeftijd aan arbeidsinkomen kunnen verwerven € 78.671, voor overige kinderen € 26.230, voor kleinkinderen eveneens € 26.230, voor ouders € 62.110 en voor overige verkrijgers € 2.769. Daarnaast zijn onder 1° tot en met 3° en 8° tot en met 11° onder meer de Staat, provincies en gemeenten, algemeen nut beogende instellingen, sociaal belang behartigende instellingen, steunstichtingen SBBI en bepaalde natuurlijke-verbintenisuitkeringen aan werknemers vrijgesteld, elk onder de in de wet genoemde voorwaarden. Onder 5° is ook de waarde van pensioenaanspraken en lijfrenten vrijgesteld.
Lid 2 van art. 32 SW 1956 regelt de imputatie op de partnervrijstelling: de waarde van pensioenaanspraken (anders dan AOW en Anw), lijfrenten en aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden die de partner verkrijgt en die vrijgesteld zijn op grond van lid 1 onder 5° of naar hun aard niet belastbaar zijn, "strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, onder 4°, onderdeel a, bedoelde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 213.915". De partnervrijstelling van € 828.035 wordt dus verminderd met de helft van de waarde van dergelijke aanspraken, met een bodem van € 213.915 waaronder de vrijstelling niet verder daalt. Leden 3 en 4 verwijzen voor de definities van pensioenregeling respectievelijk lijfrente naar de Wet inkomstenbelasting 2001.
Belangrijkste rechtspraak
In ECLI:NL:HR:2016:319 (Hoge Raad, 2016) oordeelde de Hoge Raad dat bij verkoop van een woning tegen de waarde in het economische verkeer met gedeeltelijke kwijtschelding van de koopsom, de WOZ-waarde geen rol speelt bij het bepalen van de hoogte van de schenking. De samenloopregeling van art. 24 lid 2 SW 1956 is naar haar strekking van toepassing, zodat de betaalde overdrachtsbelasting in mindering komt op de schenkbelasting.
ECLI:NL:HR:2013:BX9120 (Hoge Raad, 2013) betrof de vermindering van het toenmalige recht van schenking op grond van art. 24, lid 4, SW 1956 (oud): die vermindering mag niet worden verminderd met omzetbelasting en ziet niet op overdrachtsbelasting die op grond van art. 13 WBR niet is geheven; voor zover overdrachtsbelasting wél is betaald, dient toerekening daarvan naar evenredigheid plaats te vinden.
In ECLI:NL:HR:2010:BO0407 (Hoge Raad, 2010) oordeelde de Hoge Raad dat indeling van kleinkinderen van een niet-gehuwde partner van de erflater in de destijds geldende tariefgroep III niet in strijd is met het discriminatieverbod: de bij amendement aanvaarde uitzondering voor samenwonenden is beperkt tot de onderlinge verhouding van de samenwonenden zelf en strekt zich niet uit tot hun kleinkinderen.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij de vaststelling van de tariefgroep en de vrijstelling moet de verwantschapsrelatie tussen erflater en verkrijger nauwkeurig worden vastgesteld, ook in afwijkende situaties zoals samengestelde gezinnen of kleinkinderen van een niet-gehuwde partner; ECLI:NL:HR:2010:BO0407 laat zien dat afwijkende gezinssituaties niet automatisch tot een gunstiger tariefgroep leiden.
- Waar een verkrijging krachtens schenking tegen (gedeeltelijke) tegenprestatie plaatsvindt en zowel overdrachtsbelasting als schenkbelasting in beeld is, is van belang of art. 13 WBR al is toegepast: is dat niet het geval, dan komt de betaalde overdrachtsbelasting op grond van art. 24 lid 2 SW 1956 in mindering op de schenkbelasting. Voor de erfbelasting kent art. 24 lid 2 deze vermindering niet.
- Bij een verkrijging door de partner die tevens pensioen- of lijfrenteaanspraken uit hoofde van het overlijden verkrijgt, moet de imputatieregeling van art. 32 lid 2 SW 1956 apart worden doorgerekend: de partnervrijstelling van € 828.035 daalt met de helft van de waarde van die aanspraken, met een bodem van € 213.915.
- Voor de tariefopslag van 80% bij afstammelingen in de tweede of verdere graad (waaronder kleinkinderen) moet expliciet worden getoetst of de verkrijger in die graad valt: deze opslag geldt naast, niet in plaats van, het reguliere tarief van de eerste kolom.
- Bij verrekening van overdrachtsbelasting dient de toerekening naar evenredigheid te gebeuren wanneer niet de volledige overdrachtsbelasting op dezelfde verkrijging ziet, zoals in ECLI:NL:HR:2013:BX9120 (over art. 24 lid 4 SW 1956 (oud)) aan de orde was.
Recente ontwikkelingen
Met het bij amendement aanvaarde Kamerstuk 36202 nr. 78 (Belastingplan 2023) zijn de tarieven van de erf- en schenkbelasting met ingang van 1 januari 2023 en 2024 verhoogd. Dit wijzigt de tariefstructuur van art. 24 SW 1956 ten opzichte van eerdere jaren en is relevant bij de beoordeling van aangiften over die jaren; de actuele tarieftabel en de 80%-opslag voor afstammelingen in de tweede of verdere graad staan in de hierboven weergegeven tekst van art. 24 lid 1 SW 1956.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
12 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2016:319 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat bij verkoop van een woning tegen de waarde in het economische verkeer met gedeeltelijke kwijtschelding van de koopsom, de WOZ-waarde geen rol speelt bij het bepalen van de hoogte van de schenking, en dat de samenloopregeling van artikel 24, lid 2, Successiewet 1956 naar haar strekking van toepassing is zodat overdrachtsbelasting in mindering komt op de schenkbelasting.
-
ECLI:NL:HR:2016:320 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat bij verkoop van een woning tegen de waarde in het economische verkeer met gedeeltelijke kwijtschelding van de koopsom, de WOZ-waarde geen rol speelt bij het bepalen van de hoogte van de schenking, en dat de betaalde overdrachtsbelasting in mindering komt op de verschuldigde schenkbelasting.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:4292 (2025)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep tegen vier navorderingsaanslagen schenkbelasting, elk naar een belaste schenking van € 63.211 bij schenking van maatschapsaandelen, ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
-
ECLI:NL:HR:2010:BO0407 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat indeling van kleinkinderen van de partner met wie de erflater niet was gehuwd in tariefgroep III (art. 24 Successiewet, tekst 2003) niet in strijd is met het discriminatieverbod, omdat de bij amendement aanvaarde uitzondering voor samenwonenden beperkt is tot de onderlinge verhouding van de samenwonenden zelf.
-
ECLI:NL:HR:2013:BX9120 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat de vermindering van het recht van schenking op grond van artikel 24, lid 4, Successiewet niet mag worden verminderd met omzetbelasting en niet ziet op overdrachtsbelasting die ingevolge artikel 13 Wet BRV niet is geheven; toerekening van betaalde overdrachtsbelasting dient naar evenredigheid plaats te vinden.
-
ECLI:NL:HR:2011:BQ6141 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat wanneer een instelling op het moment van verkrijging nog geen feitelijke handelingen overeenkomstig haar ANBI-doelstelling heeft kunnen verrichten, moet worden beoordeeld of op dat moment de verwachting gerechtvaardigd was dat daadwerkelijk overeenkomstig de statutaire doelstellingen zou worden gehandeld, waarbij ook latere feiten daarop licht kunnen werpen.
-
ECLI:NL:HR:2010:BG1204 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat een instelling zonder de doorlopende kwijtschelding van het recht van schenking die bepaalde andere instellingen wel genieten, zich niet op het gelijkheidsbeginsel kan beroepen, omdat de wet zelf grondslag biedt voor die ongelijke behandeling.
-
ECLI:NL:HR:2010:BG1180 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende geen beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt tegenover het Prins Bernhard Cultuurfonds, dat anders dan belanghebbende wel voldoet aan art. 67, lid 1, aanhef en onder 3, Successiewet 1956, voor kwijtschelding van schenkingsrecht.
-
ECLI:NL:HR:2017:1237 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat de anbi-status terecht is ingetrokken omdat de administratie geen inzicht geeft in aard en omvang van de bestedingen, en dat een gebrek in de administratie niet door getuigenverklaringen kan worden hersteld.
-
ECLI:NL:HR:2010:BG1171 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat, wanneer een eerder verleende doorlopende kwijtschelding van schenkingsrecht berustte op onvoldoende toezicht op naleving van de voorwaarden en niet op begunstiging, ook aan andere instellingen die nooit aan die voorwaarden voldeden een niet op de wet gegronde kwijtschelding moet worden verleend.
Beleid en standpunten
10 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0027898
Beleid inzake schenk- en erfbelasting voor verkrijging door aanstaande of voormalige echtgenoot en partner.
-
Kamerstuk 36202 nr. 78
Tariefen erfbelasting en schenkbelasting stijgen met ingang van 1 januari 2023 en 2024; kinderen en kleinkinderen betalen gelijk tarief.
-
KG:003:2025:8 (2025)
Standpunt: Overdrachtsbelasting betaald bij verkrijging van aandelen behoort tot de verkrijgingsprijs onder artikel 4.21 Wet IB 2001, omdat het in onmiddellijk verband met de aankoop staat.
-
Besluit BWBR0047739
Beleid inzake schenk- en erfbelastingvrijstellingen, omzetting, fusie en taakafsplitsing; geactualiseerd voor verlaging en afschaffing verhoogde vrijstelling eigen woning.
-
Besluit BWBR0012286
Beleid inzake fiscale behandeling van overdracht van aandelen aan werknemersstichtingen met lage of geen tegenprestatie. Het besluit bepaalt faciliteiten en standaardvoorwaarden voor dergelijke overdrachten.
-
Besluit BWBR0046800
Beleid inzake waardering in schenk- en erfbelasting voor quasi-wettelijke verdelingen, onderwaardering van onroerende zaken, en legaten van woningen tegen inbreng van waarde.
-
Kamerstuk 29767 nr. 3
Memorie van Toelichting Belastingplan 2005 behandelt arbeidsmarkt- en inkomensbeleid, economische infrastructuur (tariefsverhoging, arbeidskorting) en milieu-mobiliteit (groen autopakket).
-
Besluit BWBR0051038
Beleid inzake voorkoming van dubbele schenk- en erfbelasting en toepassing van woonplaatsficties in de Successiewet 1956. Dit besluit actualiseert het beleid van 2014 en bevat goedkeuring voor toepassing van de evenredigheidsbreuk.
-
KG:063:2023:22 (2023)
Standpunt: Ex-schoonkind valt onder tariefgroep I als huwelijk met kind door overlijden eindigde, onder groep II bij ander einde; kindvrijstelling resp. overige vrijstelling van toepassing.
-
Kamerstuk 30306 nr. 16
Artikel 6.33 (giftenaftrek) wordt gewijzigd: instellingen moeten door inspecteur aangemerkt zijn en in EU, Nederlandse Antillen, Aruba of aangewezen mogendheid gevestigd.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.