Schenk- en erfbelasting
Erfbelasting: tarieven en vrijstellingen
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De erfbelasting knoopt aan bij de verwantschap tussen de erflater en de verkrijger: hoe verder die verwantschap afstaat, hoe hoger het tarief en hoe lager de vrijstelling. De Successiewet 1956 werkt dit uit in een dubbel progressief tariefstelsel (art. 24 SW 1956): het percentage loopt op naarmate de verkrijging groter wordt, én naarmate de verwantschap verder van de erflater afstaat, gecombineerd met een stelsel van vrijstellingen per categorie verkrijger waarvan de partnervrijstelling verreweg de ruimste is (art. 32 SW 1956). Wie onder welke categorie valt, is niet altijd de voor de hand liggende bloedband: de wet stelt aanverwanten, pleegkinderen, voogdijkinderen en ongehuwde samenwoners onder voorwaarden gelijk aan de "gewone" partner- of kindrelatie.
Dit thema beantwoordt:
- Wie kwalificeert als partner voor het gunstige tarief en de partnervrijstelling?
- Wie kwalificeert als kind of kleinkind, ook via de gelijkstellingen van art. 19 SW 1956?
- Hoe werken tarief en vrijstelling per verkrijgersgroep samen?
- Hoe werkt de imputatie van pensioen- en lijfrenteaanspraken op de partnervrijstelling?
- Wanneer geldt de samenloopregeling met de overdrachtsbelasting?
Partnerbegrip: wie kwalificeert als partner
Voor de partnervrijstelling en het gunstige tarief van de eerste kolom telt behalve de echtgenoot ook de ongehuwde partner, mits gedurende de zes maanden voorafgaand aan het overlijden is voldaan aan de voorwaarden van art. 1a lid 1 SW 1956 (art. 1a lid 2 onderdeel a): beide partners zijn meerderjarig, staan op hetzelfde adres ingeschreven in de basisregistratie personen, hebben een notarieel samenlevingscontract met een wederzijdse zorgverplichting (deze eis vervalt als zij al ten minste vijf jaar onafgebroken op hetzelfde adres staan ingeschreven, art. 1a lid 3), zijn geen bloedverwanten in de rechte lijn, en voldoen niet gelijktijdig met een ander aan dezelfde voorwaarden. Voor de schenkbelasting geldt dezelfde toets, maar dan over een periode van twee jaar voorafgaand aan de schenking (art. 1a lid 2 onderdeel b).
Kind- en kleinkindbegrip: gelijkstellingen van art. 19 SW 1956
Het gunstige tarief van de eerste kolom en de kindvrijstelling gelden niet alleen voor eigen kinderen en verdere afstammelingen in de rechte lijn, maar via de gelijkstellingen van art. 19 SW 1956 ook voor stiefkinderen: een aanverwant wordt gelijkgesteld met een bloedverwant, zolang het huwelijk of partnerschap dat de aanverwantschap deed ontstaan niet anders dan door overlijden is geëindigd (art. 19 lid 1 onderdeel b), voor pleegkinderen die vóór hun 21e verjaardag ten minste vijf jaar uitsluitend door de pleegouder(s) als eigen kind zijn onderhouden en opgevoed (onderdeel c en lid 2), en voor kinderen over wie een ander dan de ouder samen met de ouder het gezag of de voogdij uitoefent of heeft uitgeoefend (onderdeel d en e). Per 1 januari 2026 is daar een categorie bijgekomen: kinderen die niet in familierechtelijke betrekking staan tot hun biologische ouder, maar van wie dat ouderschap via een genetische test vaststaat, tellen sindsdien eveneens mee als kind (onderdeel f). Voor een voormalige schoonzoon of -dochter hangt de tariefgroep af van de reden waarom het huwelijk met het kind is geëindigd: bij beëindiging door overlijden van het kind blijft de gunstige tariefgroep met kindvrijstelling gelden, bij beëindiging op een andere grond (zoals echtscheiding) valt deze in de categorie overige verkrijgers.
Tarief en vrijstelling: hoe de twee samenwerken
Alleen het deel van een verkrijging boven de vrijstelling wordt belast; dat belaste deel wordt vervolgens belast tegen het tarief van de kolom die bij de verkrijger hoort. Art. 24 lid 1 SW 1956 kent twee kolommen: 10% respectievelijk 20% voor de partner en afstammelingen in de rechte lijn, 30% respectievelijk 40% voor overige verkrijgers, met als omslagpunt een verkrijging van € 158.669. Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad, zoals kleinkinderen, komt daar bovenop een opslag van 80% van het volgens de eerste kolom verschuldigde bedrag, wat neerkomt op een effectief tarief van 18% respectievelijk 36%. De vrijstelling loopt eveneens op naarmate de verwantschap dichter bij de erflater staat (art. 32 lid 1 onderdeel 4° SW 1956): € 828.035 voor de partner vóór imputatie, € 78.671 voor een arbeidsongeschikt kind, € 26.230 voor overige kinderen en voor kleinkinderen, € 62.110 voor ouders en € 2.769 voor overige verkrijgers.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Tarief partner/afstammelingen rechte lijn | 10% tot € 158.669, 20% daarboven | art. 24 lid 1 SW 1956 |
| Tarief overige verkrijgers | 30% tot € 158.669, 40% daarboven | art. 24 lid 1 SW 1956 |
| Opslag voor afstammelingen tweede of verdere graad (o.a. kleinkinderen) | 80% van het volgens de eerste kolom verschuldigde bedrag | art. 24 lid 1 SW 1956 |
| Partnervrijstelling (vóór imputatie) | € 828.035 | art. 32 lid 1 onderdeel 4° onder a SW 1956 |
| Bodem partnervrijstelling na imputatie pensioen/lijfrente | € 213.915 | art. 32 lid 2 SW 1956 |
| Vrijstelling arbeidsongeschikt kind | € 78.671 | art. 32 lid 1 onderdeel 4° onder b SW 1956 |
| Vrijstelling overige kinderen en kleinkinderen | € 26.230 | art. 32 lid 1 onderdeel 4° onder c en d SW 1956 |
| Vrijstelling ouders | € 62.110 | art. 32 lid 1 onderdeel 4° onder e SW 1956 |
| Vrijstelling overige verkrijgers | € 2.769 | art. 32 lid 1 onderdeel 4° onder f SW 1956 |
(wettekst geldend per 2026)
Imputatie: pensioen- en lijfrenteaanspraken op de partnervrijstelling
De partnervrijstelling is geen vast bedrag maar het resultaat van een aparte berekening (art. 32 lid 2 SW 1956): de waarde van pensioenaanspraken (anders dan AOW en Anw), lijfrenten en aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden die de partner verkrijgt en die zijn vrijgesteld of naar hun aard niet belastbaar zijn, wordt voor de helft in mindering gebracht, met een bodem van € 213.915. Wie als partner veel fiscaal gefacilieerd pensioen erft, houdt dus een lagere vrije voet in de erfbelasting over, tot aan die bodem. De vrijstelling voor het arbeidsongeschikte kind geldt voor kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en die door ziekte of gebreken vermoedelijk de eerstkomende drie jaren niet in staat zijn de helft te verdienen van wat een gezond leeftijdgenoot aan arbeidsinkomen kan verwerven.
Volledig vrijgestelde verkrijgingen
Geheel buiten de tariefgroepindeling van art. 24 SW 1956 vallen categorieën die op grond van art. 32 lid 1 SW 1956 volledig zijn vrijgesteld, ongeacht verwantschap: pensioenaanspraken en lijfrenten zelf (onderdeel 5°, los van de imputatie op de partnervrijstelling), verkrijgingen door de Staat, provincies en gemeenten (onderdeel 1° en 2°), door algemeen nut beogende instellingen, sociaal belang behartigende instellingen en steunstichtingen SBBI (onderdeel 3°, 8° en 9°, mits geen opdracht is verbonden die het algemeen-nuts- of sociaal-belangkarakter wegneemt), en onder meer bepaalde natuurlijke-verbintenisuitkeringen van een werkgever (onderdeel 10°).
Samenloop met de overdrachtsbelasting
Art. 24 lid 2 SW 1956 regelt de samenloop met de overdrachtsbelasting, maar uitsluitend voor de schenkbelasting: overdrachtsbelasting die niet al tot toepassing van de samenloopvrijstelling van art. 13 WBR (Wet op belastingen van rechtsverkeer) heeft geleid en die is betaald over het bedrag waarover schenkbelasting verschuldigd is, strekt in mindering van die schenkbelasting. Voor de erfbelasting kent lid 2 geen vergelijkbare verminderingsregel. In de gelijktijdig gewezen zaken ECLI:NL:HR:2016:319 en ECLI:NL:HR:2016:320 oordeelde de Hoge Raad dat bij verkoop van een woning tegen de waarde in het economische verkeer met gedeeltelijke kwijtschelding van de koopsom, de WOZ-waarde geen rol speelt bij het bepalen van de hoogte van de schenking, en dat de samenloopregeling naar haar strekking van toepassing is. ECLI:NL:HR:2013:BX9120 bouwt daarop voort voor het toenmalige art. 24 lid 4 SW 1956 (oud): de vermindering mag niet worden verlaagd met omzetbelasting, ziet niet op overdrachtsbelasting die op grond van art. 13 WBR niet is geheven, en moet naar evenredigheid worden toegerekend.
Procedure: aangiftetermijn
De inspecteur stelt de aangiftetermijn voor de erfbelasting zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan twintig maanden na het overlijden (art. 45 lid 1 SW 1956). Die termijn loopt niet door zolang een nalatenschap onbeheerd is gelaten zonder benoemde vereffenaar; in gevallen als vervulling van een voorwaarde of latere aanvaarding na eerdere verwerping gaat de termijn pas lopen vanaf dat latere moment (art. 45 lid 2 SW 1956).
Aandachtspunten voor de praktijk
- Zonder samenlevingscontract met zorgverplichting (of vijf jaar onafgebroken gezamenlijke inschrijving) en zonder de zesmaandentermijn van art. 1a lid 2 onderdeel a SW 1956 valt een ongehuwde partner terug op tarief en vrijstelling van de overige verkrijgers.
- De gelijkstelling van stiefkinderen vervalt bij beëindiging van het huwelijk of partnerschap anders dan door overlijden; voor een voormalige schoonzoon of -dochter is diezelfde beëindigingsgrond bepalend voor de tariefgroep.
- ECLI:NL:HR:2010:BO0407: gelijkstellingen als die van art. 1a en 19 SW 1956 worden strikt uitgelegd en werken niet automatisch door naar een verdere kring van familieleden.
- Verkrijgt de partner tevens pensioen- of lijfrenteaanspraken uit hoofde van het overlijden, dan moet de imputatie van art. 32 lid 2 SW 1956 apart worden doorgerekend.
- De samenloopvermindering van art. 24 lid 2 SW 1956 geldt alleen voor de schenkbelasting, niet voor de erfbelasting.
- De aangiftetermijn van twintig maanden (art. 45 lid 1 SW 1956) loopt niet door zolang een nalatenschap onbeheerd is gelaten zonder benoemde vereffenaar.
Recente ontwikkelingen
- 2023: de rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat een beroep van de inspecteur op fraus legis niet slaagt omdat niet aannemelijk is dat het geregistreerd partnerschap kunstmatig en van elk reëel belang ontbloot was, zodat belanghebbende recht houdt op de partnerfaciliteiten (ECLI:NL:RBZWB:2023:4937).
- 2025: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt vier navorderingsaanslagen schenkbelasting, elk naar een belaste schenking van € 63.211 bij schenking van maatschapsaandelen (ECLI:NL:GHARL:2025:4292).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
13 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2016:319 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat bij verkoop van een woning tegen de waarde in het economische verkeer met gedeeltelijke kwijtschelding van de koopsom, de WOZ-waarde geen rol speelt bij het bepalen van de hoogte van de schenking, en dat de samenloopregeling van artikel 24, lid 2, Successiewet 1956 naar haar strekking van toepassing is zodat overdrachtsbelasting in mindering komt op de schenkbelasting.
-
ECLI:NL:HR:2016:320 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat bij verkoop van een woning tegen de waarde in het economische verkeer met gedeeltelijke kwijtschelding van de koopsom, de WOZ-waarde geen rol speelt bij het bepalen van de hoogte van de schenking, en dat de betaalde overdrachtsbelasting in mindering komt op de verschuldigde schenkbelasting.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:4292 (2025)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep tegen vier navorderingsaanslagen schenkbelasting, elk naar een belaste schenking van € 63.211 bij schenking van maatschapsaandelen, ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
-
ECLI:NL:RBZWB:2023:4937 (2023)
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het beroep van de inspecteur op fraus legis niet slaagt omdat niet aannemelijk is dat het geregistreerd partnerschap kunstmatig en van elk reëel belang ontbloot was; belanghebbende houdt recht op de partnerfaciliteiten.
-
ECLI:NL:HR:2010:BO0407 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat indeling van kleinkinderen van de partner met wie de erflater niet was gehuwd in tariefgroep III (art. 24 Successiewet, tekst 2003) niet in strijd is met het discriminatieverbod, omdat de bij amendement aanvaarde uitzondering voor samenwonenden beperkt is tot de onderlinge verhouding van de samenwonenden zelf.
-
ECLI:NL:HR:2013:BX9120 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat de vermindering van het recht van schenking op grond van artikel 24, lid 4, Successiewet niet mag worden verminderd met omzetbelasting en niet ziet op overdrachtsbelasting die ingevolge artikel 13 Wet BRV niet is geheven; toerekening van betaalde overdrachtsbelasting dient naar evenredigheid plaats te vinden.
-
ECLI:NL:HR:2011:BQ6141 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat wanneer een instelling op het moment van verkrijging nog geen feitelijke handelingen overeenkomstig haar ANBI-doelstelling heeft kunnen verrichten, moet worden beoordeeld of op dat moment de verwachting gerechtvaardigd was dat daadwerkelijk overeenkomstig de statutaire doelstellingen zou worden gehandeld, waarbij ook latere feiten daarop licht kunnen werpen.
-
ECLI:NL:HR:2010:BG1204 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat een instelling zonder de doorlopende kwijtschelding van het recht van schenking die bepaalde andere instellingen wel genieten, zich niet op het gelijkheidsbeginsel kan beroepen, omdat de wet zelf grondslag biedt voor die ongelijke behandeling.
-
ECLI:NL:HR:2010:BG1180 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende geen beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt tegenover het Prins Bernhard Cultuurfonds, dat anders dan belanghebbende wel voldoet aan art. 67, lid 1, aanhef en onder 3, Successiewet 1956, voor kwijtschelding van schenkingsrecht.
-
ECLI:NL:HR:2017:1237 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat de anbi-status terecht is ingetrokken omdat de administratie geen inzicht geeft in aard en omvang van de bestedingen, en dat een gebrek in de administratie niet door getuigenverklaringen kan worden hersteld.
Beleid en standpunten
19 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 30804 nr. 18
-
Besluit BWBR0027898
Beleid inzake schenk- en erfbelasting voor verkrijging door aanstaande of voormalige echtgenoot en partner.
-
Kamerstuk 36202 nr. 78
Tariefen erfbelasting en schenkbelasting stijgen met ingang van 1 januari 2023 en 2024; kinderen en kleinkinderen betalen gelijk tarief.
- Kamerstuk 36202 nr. 51
- Kamerstuk 36202 nr. 80
-
KG:003:2025:8 (2025)
Standpunt: Overdrachtsbelasting betaald bij verkrijging van aandelen behoort tot de verkrijgingsprijs onder artikel 4.21 Wet IB 2001, omdat het in onmiddellijk verband met de aankoop staat.
-
Besluit BWBR0047739
Beleid inzake schenk- en erfbelastingvrijstellingen, omzetting, fusie en taakafsplitsing; geactualiseerd voor verlaging en afschaffing verhoogde vrijstelling eigen woning.
-
Besluit BWBR0012286
Beleid inzake fiscale behandeling van overdracht van aandelen aan werknemersstichtingen met lage of geen tegenprestatie. Het besluit bepaalt faciliteiten en standaardvoorwaarden voor dergelijke overdrachten.
-
Besluit BWBR0046800
Beleid inzake waardering in schenk- en erfbelasting voor quasi-wettelijke verdelingen, onderwaardering van onroerende zaken, en legaten van woningen tegen inbreng van waarde.
-
Kamerstuk 29767 nr. 3
Memorie van Toelichting Belastingplan 2005 behandelt arbeidsmarkt- en inkomensbeleid, economische infrastructuur (tariefsverhoging, arbeidskorting) en milieu-mobiliteit (groen autopakket).
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.