Overdrachtsbelasting

Overdrachtsbelasting: verkrijging en tarief

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Overdrachtsbelasting is een verkrijgersbelasting: zij wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze onderworpen zijn (art. 2 lid 1 WBR). De heffing knoopt aan bij het rechtsfeit van de verkrijging, niet bij de vervreemding, en treft zowel de juridische als de economische eigendom. De grondslag is de waarde in het economische verkeer van het verkregene, met de overeengekomen tegenprestatie als bodem (art. 9 lid 1 WBR); de belasting wordt geheven van de verkrijger (art. 16 WBR) en op aangifte voldaan (art. 17 WBR), in de praktijk vrijwel altijd via de notariële akte van levering. Het tarief kent sinds 1 januari 2026 een differentiatie in drie treden naar de aard van het verkregene en de hoedanigheid van de verkrijger: een algemeen tarief voor niet-woningen zoals bedrijfsvastgoed, een woningtarief van 8% voor woningen die niet het hoofdverblijf van de verkrijger worden (zoals beleggingswoningen), een verlaagd tarief van 2% voor de eigen woning als hoofdverblijf, en voor jonge starters een eenmalige vrijstelling. Twee vragen keren in de praktijk telkens terug: valt de transactie onder het belastbare feit van art. 2 WBR, en zo ja, tegen welk tarief van art. 14 WBR wordt geheven; beide zijn sterk feitelijk van aard en verder ingevuld door de rechtspraak, met name rond de kwalificatie van "woning" en de drempel voor economische eigendom.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer is sprake van een belastbare verkrijging, ook zonder juridische levering?
  • Tegen welk tarief wordt geheven, en wanneer geldt de startersvrijstelling?
  • Wanneer kwalificeert een verkregen pand of kavelgedeelte als "woning" voor het verlaagde tarief?
  • Wanneer is sprake van een belaste verkrijging van economische eigendom?
  • Hoe werkt de doorverkoopregeling en de samenloop met de omzetbelasting?

Belastbaar feit: juridische en economische eigendom

Onder het belastbare feit van art. 2 lid 1 WBR valt niet alleen de juridische levering, maar ook de verkrijging van economische eigendom (lid 2): elk samenstel van rechten en verplichtingen dat een belang bij de onroerende zaak of het recht vertegenwoordigt, met ten minste enig risico van waardeverandering, en dat toekomt aan een ander dan de eigenaar of beperkt gerechtigde. Dat ruime begrip strekt zich ook uit tot een belang bij een bestanddeel van een onroerende zaak dat zelfstandig aan een recht kan worden onderworpen, of bij een recht waaraan een onroerende zaak kan worden onderworpen. Uitgezonderd van economische eigendom is de verkrijging van uitsluitend het recht op levering (lid 3 onderdeel a), en, onder de cumulatieve voorwaarden van een zesmaandentermijn en het toepasselijke tarief of de vrijstelling, de verkrijging door een natuurlijk persoon van het recht op levering van een woning in combinatie met voorafgaande toegang of werkzaamheden (onderdeel b). Buiten het bereik van de heffing vallen bovendien rechten van deelneming in een beleggingsfonds of een fonds voor collectieve belegging in effecten, behalve wanneer de verkrijger, samen met verbonden partijen, ten minste een derde gedeelte belang in het fonds verwerft (lid 5 tot en met 7). Aandelen in een rechtspersoon zijn in beginsel geen onroerende zaak, maar kwalificeren als fictieve onroerende zaak wanneer de rechtspersoon grotendeels vastgoed houdt en de verkrijger een voldoende groot belang verwerft (art. 4 WBR); dat leerstuk van de onroerendezaakrechtspersoon is uitgewerkt in een afzonderlijk thema. Op beleidsniveau gelden daarnaast goedkeuringen binnen het kader van het belastbare feit voor afstand van een opstalrecht en voor bepaalde juridische moeder-dochterfusies.

Tarief: hoofdverblijf, algemeen en bijzondere gevallen

Is het belastbare feit vervuld, dan is overdrachtsbelasting verschuldigd tegen het algemene tarief van 10,4% (art. 14 lid 1 WBR). Voor woningen geldt sinds 1 januari 2026 een tussenliggend woningtarief van 8%: dat is van toepassing op de verkrijging van een woning of van rechten waaraan deze is onderworpen, en ook op aandelen of lidmaatschapsrechten als bedoeld in art. 4 lid 1 WBR voor zover die middellijk of onmiddellijk betrekking hebben op een woning (art. 14 lid 2 WBR). In afwijking daarvan geldt het verlaagde tarief van 2% voor de verkrijging door een natuurlijk persoon van een woning, van rechten waaraan een woning is onderworpen, of van kwalificerende lidmaatschapsrechten die op een woning zien, mits de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring conform art. 15a WBR (art. 14 lid 3 WBR). Dat 2%-tarief geldt niet voor aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon (lid 6); zowel het 8%- als het 2%-tarief strekt zich wel uit tot aanhorigheden die gelijktijdig met de woning worden verkregen (lid 7). Daarnaast bedraagt het tarief 2% over de waardevermeerdering bij afstand van een beperkt recht tegen een nieuw beperkt recht (art. 9 lid 8 WBR jo. art. 14 lid 4 WBR), en voor de verkrijging door een wooncoöperatie van een woning van een toegelaten instelling in het kader van een Woningwet-experiment (lid 5). Blijft de samenloopvrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel a en lid 6 WBR op grond van art. 15 lid 11 WBR buiten toepassing, dan geldt in plaats van het algemene tarief of het woningtarief een tarief van 4% (art. 14 lid 8 WBR). Voor jonge kopers geldt in plaats van het hoofdverblijftarief een eenmalige startersvrijstelling: een meerderjarig natuurlijk persoon jonger dan 35 jaar die de vrijstelling niet eerder heeft toegepast en de woning na verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken, verkrijgt vrij van overdrachtsbelasting voor zover de waarde van de woning met aanhorigheden niet boven een bij ministeriële regeling jaarlijks geïndexeerde grens uitkomt (art. 15 lid 1 onderdeel p en lid 10 WBR); ook voor deze vrijstelling geldt de verklaringsplicht van art. 15a WBR. Wordt de waardegrens overschreden, dan geldt niet een gedeeltelijke vrijstelling maar het volle hoofdverblijftarief van 2% over de gehele verkrijging.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Algemeen tarief (niet-woningen)10,4%art. 14 lid 1 WBR
Woningtarief zonder hoofdverblijfverklaring (bijv. beleggingswoning, tweede woning)8%art. 14 lid 2 WBR
Verlaagd tarief eigen woning als hoofdverblijf2%art. 14 lid 3 WBR
Tarief bij buiten toepassing blijven samenloopvrijstelling (art. 15 lid 11 WBR)4%art. 14 lid 8 WBR
Startersvrijstelling (natuurlijk persoon jonger dan 35 jaar, hoofdverblijf, waardegrens)0% tot € 555.000 (2026, jaarlijks geïndexeerd)art. 15 lid 1 onderdeel p WBR
Doorverkooptermijn voor vermindering grondslag bij herverkrijging6 maandenart. 13 lid 1 WBR

(wettekst geldend per 2026)

Woningbegrip in de rechtspraak

Wanneer een verkregen pand of kavelgedeelte kwalificeert als "woning" voor de verlaagde woningtarieven van art. 14 WBR, is grotendeels door de Hoge Raad ingevuld. Een pand is naar zijn aard voor bewoning bestemd aan de hand van het oorspronkelijke bouwdoel; bij ander gebruik blijft die aard alleen behouden als slechts beperkte aanpassingen nodig zijn om het pand weer bewoonbaar te maken (ECLI:NL:HR:2017:290 en ECLI:NL:HR:2017:295). Diezelfde aard-toets bracht de Hoge Raad tot het oordeel dat een appartementsrecht als woning kwalificeerde omdat het bouwkundig al op bewoning was voorbereid en niet meer met beperkte aanpassingen geschikt kon worden gemaakt voor de oorspronkelijke kantoorfunctie (ECLI:NL:HR:2019:1779). Voor de situatie waarin niet het hele gebouw maar slechts een kavel met gedeeltelijke bebouwing wordt verkregen, oordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aanvankelijk dat de beoordeling plaatsvindt binnen de kadastrale eigendomsgrens van de verkregen kavel, en dat een overgebleven gebouwdeel dat op zichzelf niet voor bewoning bestemd of geschikt is, niet als woning kwalificeert (ECLI:NL:GHARL:2024:3651 en ECLI:NL:GHARL:2024:3652). De Hoge Raad verlegde dat beoordelingskader: wie een kavel verwerft waarop een gebouw deels staat, verkrijgt naar civielrechtelijke maatstaven een onverdeeld aandeel in de gehele woning, ook als het gebouw op percelen van andere eigenaren staat, zodat het verlaagde tarief geldt (ECLI:NL:HR:2025:1800). Diezelfde civielrechtelijke maatstaf kan ook tot een negatieve uitkomst leiden: een kavel met alleen een stuk buitenmuur en terras levert geen woning op (ECLI:NL:HR:2025:1796).

Economische eigendom: de risicodrempel in de rechtspraak

Voor de tweede kernvraag, of sprake is van een belaste verkrijging van economische eigendom, is beslissend of het samenstel van rechten en plichten uit de overdrachtsakte een belang bij de onroerende zaak vertegenwoordigt met ten minste enig risico van waardeverandering. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat aan die maatstaf was voldaan gelet op het samenstel van rechten en plichten uit de overdrachtsakte (ECLI:NL:GHAMS:2022:1828). In een latere zaak bevestigde hetzelfde hof dat ook de verkrijging van een samenstel van rechten en verplichtingen dat een belang vertegenwoordigt bij een recht waaraan een onroerende zaak kan worden onderworpen, in plaats van bij de zaak zelf, al een belaste verkrijging van economische eigendom oplevert (ECLI:NL:GHAMS:2023:3012).

Doorverkoopregeling en samenloop met de omzetbelasting

Wordt dezelfde onroerende zaak binnen zes maanden na een eerdere verkrijging opnieuw verkregen door een ander, dan wordt de grondslag verminderd met het bedrag waarover bij de vorige verkrijging al overdrachtsbelasting of niet-aftrekbare omzetbelasting verschuldigd was; is bij die vorige verkrijging een verlaagd tarief toegepast, dan wordt in plaats daarvan het belastingbedrag zelf verminderd (art. 13 leden 1 en 4 WBR). Deze doorverkoopregeling voorkomt dat snel opeenvolgende overdrachten van hetzelfde pand tot cumulatie van volle heffingen leiden, maar werkt niet meer zodra de termijn van zes maanden is verstreken. Voor de samenloop tussen overdrachtsbelasting en omzetbelasting op dezelfde verkrijging keurt de Belastingdienst op beleidsniveau goed dat ongewenste dubbele heffing in bepaalde situaties wordt voorkomen; art. 15 lid 11 WBR doorbreekt die samenloopvrijstelling echter in specifieke btw-aftreksituaties, met het 4%-tarief van art. 14 lid 8 WBR tot gevolg. Bij interne reorganisaties, juridische fusies of splitsingen binnen concernverband, en bij inbreng van een onderneming in een vennootschap, kunnen afzonderlijke vrijstellingen van art. 15 WBR uitkomst bieden, zoals de reorganisatievrijstelling en de vrijstelling bij geruisloze inbreng; de samenloopvrijstelling zelf ziet specifiek op de samenloop met de omzetbelasting.

Procedure: verklaring, aangifte en teruggaaf

De schriftelijke verklaring van art. 15a WBR, vereist voor zowel het hoofdverblijftarief als de startersvrijstelling, wordt afgelegd door ondertekening van de notariële akte met een door de inspecteur voorgeschreven standaardtekst, of via een afzonderlijk standaardformulier waarvan de notaris binnen een maand na de verkrijging een elektronische kopie aan de inspecteur stuurt. De belasting wordt in de praktijk voldaan bij aanbieding van de notariële akte ter registratie (art. 18 WBR). Wordt de verkrijging achteraf ongedaan gemaakt doordat de toestand van vóór de verkrijging feitelijk en rechtens wordt hersteld, bijvoorbeeld door een ontbindende voorwaarde, nietigheid, vernietiging of ontbinding wegens wanprestatie, dan bestaat recht op teruggaaf; het verzoek loopt via een aangifte die moet worden gedaan binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarin het recht op teruggaaf ontstond, waarna de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist (art. 19 leden 1-3 WBR).

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij functiewijziging van een pand blijft of ontstaat de woonbestemming afhankelijk van de vraag of slechts beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer bewoonbaar te maken.
  • Bij verkrijging van een kavel met gedeeltelijke bebouwing telt de civielrechtelijke eigendomsverhouding, niet de kadastrale kavelgrens.
  • Overschrijding van de waardegrens van de startersvrijstelling leidt niet tot een gedeeltelijke vrijstelling, maar tot het volle hoofdverblijftarief van 2% over de gehele verkrijging.
  • De doorverkoopregeling van art. 13 WBR werkt alleen binnen zes maanden na de vorige verkrijging; net daarbuiten ontstaat alsnog cumulatie van heffingen.
  • Aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon vallen niet onder het 2%-hoofdverblijftarief (art. 14 lid 6 WBR); zien zij middellijk of onmiddellijk op een woning, dan geldt sinds 2026 wel het 8%-woningtarief van art. 14 lid 2 WBR in plaats van het algemene tarief.

Recente ontwikkelingen

  • 2017: de Hoge Raad oordeelt dat de aard van een pand voor bewoning wordt bepaald aan de hand van het oorspronkelijke bouwdoel (ECLI:NL:HR:2017:290 en ECLI:NL:HR:2017:295).
  • 2019: de Hoge Raad kwalificeert een verbouwd appartementsrecht als woning (ECLI:NL:HR:2019:1779).
  • 2019 (Belastingplan 2020): amendement ingediend voor een 0%-tarief overdrachtsbelasting voor startende kopers, voorloper van de latere startersvrijstelling (Kamerstuk 35302, nr. 16).
  • 2022: het Gerechtshof Amsterdam oordeelt over de risicodrempel voor economische eigendom (ECLI:NL:GHAMS:2022:1828).
  • 2023: het Gerechtshof Amsterdam bevestigt dat economische eigendom ook kan zien op een recht waaraan een onroerende zaak kan worden onderworpen (ECLI:NL:GHAMS:2023:3012).
  • 2024: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beoordeelt het woonbegrip bij een kavel met gedeeltelijke bebouwing binnen de kadastrale kavelgrens (ECLI:NL:GHARL:2024:3651 en ECLI:NL:GHARL:2024:3652).
  • 2025: geactualiseerd beleidsbesluit met vragen en antwoorden over de startersvrijstelling en het verlaagde woningtarief, aangepast aan de wetswijziging per 1 januari 2025.
  • 2025: de Hoge Raad verlegt het beoordelingskader voor het woonbegrip bij kavelgedeeltes naar civielrechtelijke maatstaven (ECLI:NL:HR:2025:1800 en ECLI:NL:HR:2025:1796).
  • 1 januari 2026: in art. 14 WBR wordt een nieuw lid 2 ingevoegd met een woningtarief van 8% voor woningen die niet als hoofdverblijf worden verkregen, ook voor OZR-aandelen die middellijk of onmiddellijk op een woning zien; het 2%-hoofdverblijftarief schuift op naar lid 3 en de overige leden vernummeren mee.

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 45 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.