Overdrachtsbelasting
Overdrachtsbelasting: verkrijging en tarief
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Overdrachtsbelasting is een verkrijgersbelasting: zij wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze onderworpen zijn. De heffing knoopt aan bij het rechtsfeit van de verkrijging, niet bij de vervreemding, en treft zowel de juridische als de economische eigendom. Daarmee fungeert de belasting als sluitstuk op vrijwel elke overdracht van vastgoed of vastgoedgerelateerde rechten in Nederland, van een woningtransactie tussen particulieren tot complexe structuren waarin alleen het economische belang bij een onroerende zaak wisselt.
Het leerstuk kent twee kernvragen die in de praktijk telkens terugkeren: valt de transactie onder het belastbare feit van artikel 2 WBR, en zo ja, tegen welk tarief van artikel 14 WBR wordt geheven. Beide vragen zijn feitelijk van aard en sterk casuïstisch ingevuld door de rechtspraak, met name rond de kwalificatie van "woning" en de drempel voor economische eigendom.
Wanneer speelt dit
Overdrachtsbelasting speelt bij iedere verkrijging van Nederlands vastgoed: aankoop van bedrijfspanden en beleggingswoningen, aankoop van een eigen woning door een particulier, verkrijging van rechten van lidmaatschap die betrekking hebben op een woning, en verkrijgingen van economische eigendom zonder dat de juridische levering plaatsvindt, zoals bij samengestelde contracten met risico-overdracht. Ook vestiging van beperkte rechten zoals een opstalrecht, transacties binnen beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten, verbouwingen waarbij een pand van functie wisselt (kantoor naar woning of omgekeerd), en situaties met onverdeelde eigendom of kamerverhuur binnen een woning roepen de vraag op of, en tegen welk tarief, overdrachtsbelasting verschuldigd is.
Wettelijk kader
Art. 2 WBR vormt het belastbare feit. Lid 1 bepaalt dat overdrachtsbelasting wordt geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Lid 2 breidt dit uit: onder verkrijging wordt mede begrepen de verkrijging van de economische eigendom, gedefinieerd als "een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, dat een belang bij die zaken of rechten vertegenwoordigt", waarbij dat belang "ten minste enig risico van waardeverandering" moet omvatten en moet toekomen aan een ander dan de eigenaar of beperkt gerechtigde. De drempel voor economische eigendom ligt daarmee laag: een samenstel van rechten en plichten met risico-overdracht volstaat, zonder dat juridische levering nodig is.
Lid 3 van art. 2 WBR zondert uitdrukkelijk bepaalde gevallen uit van "verkrijging van economische eigendom": onderdeel a de verkrijging van uitsluitend het recht op levering, en onderdeel b de verkrijging door een natuurlijk persoon van het recht op levering van een woning in combinatie met toegang of toestemming tot voorafgaande werkzaamheden, mits cumulatief "de verkrijging van de woning ... plaatsvindt binnen zes maanden na de verkrijging van het recht op die toegang of die toestemming" én op die verkrijging het 2%-tarief van art. 14 lid 2 of de vrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel p van toepassing is. Beide voorwaarden (termijn en toepasselijk tarief/vrijstelling) moeten dus gelijktijdig zijn vervuld. Lid 5 tot en met 9 bevatten een aparte regeling voor rechten van deelneming in beleggingsfondsen en fondsen voor collectieve belegging in effecten, met een derde-gedeelte-belangdrempel en een samentelbepaling voor verkrijgingen binnen twee jaar door verbonden personen of concernvennootschappen.
Art. 14 WBR regelt het tarief. Lid 1 bepaalt dat de belasting 10,4 percent bedraagt. Lid 2 verlaagt dit naar 2 percent "voor de verkrijging door een natuurlijk persoon van een woning ... als de verkrijger de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken en dit overeenkomstig artikel 15a, voorafgaand aan de verkrijging duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verklaart in een schriftelijke verklaring". Ook hier geldt een cumulatieve voorwaarde: het feitelijke hoofdverblijf-gebruik na verkrijging én de voorafgaande schriftelijke verklaring conform art. 15a. Lid 5 sluit toepassing van het 2%-tarief expliciet uit voor de verkrijging van aandelen als bedoeld in art. 4 lid 1 onderdeel a. Lid 6 breidt het 2%-tarief uit naar aanhorigheden die gelijktijdig met de woning worden verkregen. Lid 3 kent een afzonderlijk 2%-tarief toe over de in art. 9 lid 7 bedoelde waardevermeerdering, en lid 4 een 2%-tarief voor verkrijging door een wooncoöperatie van een woning van een toegelaten instelling in het kader van een experiment als bedoeld in de Woningwet. Lid 7 bepaalt ten slotte dat de belasting 4 percent bedraagt indien de vrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel a en lid 6 buiten toepassing blijft op grond van art. 15 lid 11.
Belangrijkste rechtspraak
De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2025:1800 (2025) dat wie een kavel verwerft waarop een gebouw deels staat, naar civielrechtelijke maatstaven een onverdeeld aandeel verkrijgt in de gehele woning in de zin van art. 14 lid 2 WBR, ook als het gebouw op percelen van andere eigenaren staat, zodat het 2%-tarief geldt. De beoordeling van het woningbegrip vindt dus plaats aan de hand van civielrechtelijke eigendomsverhoudingen, niet louter aan de hand van de kadastrale grens van de verkregen kavel.
In ECLI:NL:HR:2025:1796 (2025), gewezen op dezelfde dag, oordeelde de Hoge Raad in een andere zaak dat voor het verlaagde tarief van art. 14 lid 2 WBR naar civielrechtelijke maatstaven moet worden bepaald of het verkregen deel van een gebouw een woning is, en dat een kavel met alleen een stuk buitenmuur en terras geen woning oplevert.
In ECLI:NL:HR:2017:290 (2017) oordeelde de Hoge Raad dat een pand naar zijn aard voor bewoning is bestemd in de zin van art. 14 lid 2 WBR aan de hand van het oorspronkelijke bouwdoel, en dat die woonbestemming bij ander gebruik alleen behouden blijft als slechts beperkte aanpassingen nodig zijn om het pand weer bewoonbaar te maken. Deze aard-toets keert terug in ECLI:NL:HR:2019:1779 (2019), waarin de Hoge Raad oordeelde dat een appartementsrecht als woning kwalificeerde omdat het bouwkundig al was voorbereid op bewoning en niet meer met beperkte aanpassingen geschikt kon worden gemaakt voor de oorspronkelijke kantoorfunctie, zodat het 2%-tarief van toepassing was.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2022:1828 (2022) dat een belanghebbende, gelet op het samenstel van rechten en plichten uit de overdrachtsakte, een belang bij de onroerende zaken had verworven met ten minste enig risico op waardeverandering (art. 2 lid 2 WBR).
Aandachtspunten voor de praktijk
- De kwalificatie of een verkregen (deel van een) gebouw een woning is voor het 2%-tarief van art. 14 lid 2 WBR wordt beoordeeld naar civielrechtelijke maatstaven en de aard-voor-bewoning-toets uit het oorspronkelijke bouwdoel; een kadastrale eigendomsgrens is daarbij niet zonder meer beslissend.
- Bij functiewijziging van een pand (kantoor naar woning of omgekeerd) blijft of ontstaat de woonbestemming afhankelijk van de vraag of slechts beperkte aanpassingen nodig zijn om het pand (weer) bewoonbaar te maken; is meer nodig, dan is de woonbestemming niet aan de orde.
- De drempel voor economische eigendom onder art. 2 lid 2 WBR ligt laag: elk samenstel van rechten en plichten dat een belang met ten minste enig risico van waardeverandering vertegenwoordigt, kan al kwalificeren, ook zonder juridische levering. Dit vergt zorgvuldige beoordeling van samengestelde koop-, huur- en gebruiksovereenkomsten.
- De uitzondering van art. 2 lid 3 onderdeel b voor het recht op levering van een woning in combinatie met voorafgaande toegang of werkzaamheden geldt alleen cumulatief: zowel de zesmaandentermijn als de toepasselijkheid van het 2%-tarief of de vrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel p moeten zijn vervuld.
- Voor het 2%-tarief van art. 14 lid 2 WBR is naast feitelijk hoofdverblijfgebruik ook een voorafgaande, duidelijke, stellige en onvoorwaardelijke schriftelijke verklaring conform art. 15a vereist; het ontbreken daarvan staat toepassing van het verlaagde tarief in de weg, los van de vraag of het pand materieel als woning kwalificeert.
Recente ontwikkelingen
De Hoge Raad heeft eind 2025, met de arresten ECLI:NL:HR:2025:1800 en ECLI:NL:HR:2025:1796 van dezelfde datum, nadere invulling gegeven aan de kwalificatie van "woning" bij verkrijging van kavels met (gedeeltelijke) bebouwing, met uiteenlopende uitkomsten: in de ene zaak kwalificeerde het verkregen kavelgedeelte wel als woning, in de andere zaak niet. Ook op beleidsniveau is dit thema in ontwikkeling: de Belastingdienst publiceerde in augustus 2025 een kennisgroepstandpunt over het tarief bij verkrijging van onverdeelde eigendom van een woning met een gebruiksovereenkomst die exclusieve gebruiksrechten toekent, wat wijst op aanhoudende praktijkvragen rond de tarieftoepassing bij gedeelde of onverdeelde eigendom.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
38 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHARL:2024:3651 (2024)
Het Hof oordeelt dat de overdracht van een kavel met resterende bebouwing van een voormalige woning niet in aanmerking komt voor het verlaagde overdrachtsbelastingtarief, omdat het overgebleven gebouwdeel op zichzelf niet voor bewoning bestemd of geschikt is en de beoordeling binnen de kadastrale eigendomsgrens moet plaatsvinden.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:3652 (2024)
Het Hof oordeelt dat de beoordeling of een woning is verkregen dient plaats te vinden binnen de kadastrale eigendomsgrens van de verkregen kavel, en dat het overgedragen gebouwdeel op zichzelf niet voor bewoning bestemd of geschikt is, zodat het niet als woning kwalificeert waarop het verlaagde tarief overdrachtsbelasting van toepassing is.
-
ECLI:NL:HR:2025:1800 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat wie een kavel verwerft waarop een gebouw deels staat, naar civielrechtelijke maatstaven een onverdeeld aandeel verkrijgt in de gehele woning ex art. 14, lid 2, Wet BRV, ook als het gebouw op percelen van andere eigenaren staat; het 2%-tarief geldt.
-
ECLI:NL:HR:2025:1796 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat voor het verlaagde tarief van art. 14 lid 2 Wet BRV naar civielrechtelijke maatstaven moet worden bepaald of het verkregen deel van een gebouw een woning is; een kavel met alleen een stuk buitenmuur en terras levert geen woning op.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1828 (2022)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat belanghebbende, gelet op het samenstel van rechten en plichten uit de overdrachtsakte, een belang bij de onroerende zaken heeft verworven met ten minste enig risico op waardeverandering (artikel 2, tweede lid, Wet BRV).
-
ECLI:NL:HR:2017:290 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat een pand naar zijn aard voor bewoning is bestemd (art. 14 lid 2 Wbr) aan de hand van het oorspronkelijke bouwdoel; bij ander gebruik blijft die aard alleen behouden bij beperkte aanpassingen om het weer bewoonbaar te maken.
-
ECLI:NL:HR:2017:295 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat een pand naar zijn aard voor bewoning is bestemd (art. 14 lid 2 Wbr) als het oorspronkelijk voor bewoning is gebouwd, en dat dit bij latere verbouwing behouden blijft als slechts beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer bewoonbaar te maken.
-
ECLI:NL:HR:2019:1779 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende een woning heeft verkregen in de zin van art. 14 Wet op belastingen van rechtsverkeer, omdat het appartementsrecht bouwkundig al was voorbereid op bewoning en niet meer met beperkte aanpassingen geschikt kon worden gemaakt voor de oorspronkelijke kantoorfunctie, zodat het verlaagde tarief van 2% geldt.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:3002 (2025)
De zaak betreft een op aangifte voldaan bedrag van € 5.300 aan overdrachtsbelasting en de afwijzing van een verzoek om een digitale zitting van een belanghebbende die het autonome gedachtegoed aanhangt.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:3012 (2023)
Het Hof oordeelt dat belanghebbende bij akte een samenstel van rechten en verplichtingen heeft verkregen dat een belang vertegenwoordigt bij een recht waaraan een onroerende zaak kan worden onderworpen (art. 2, tweede lid, Wet BRV), zodat sprake is van een belaste verkrijging overdrachtsbelasting.
Beleid en standpunten
16 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0045104
Goedkeuring/beleid inzake belastbaar feit overdrachtsbelasting. Het besluit bevat nieuwe goedkeuringen voor afstand van opstalrechten en juridische moeder-dochterfusies.
-
Kamerstuk 35026 nr. 11
Overdrachtsbelasting: 0% eerstkoper natuurlijke persoon, 10% meerder eigenaar, 2% overige gevallen.
-
Besluit BWBR0045469
Goedkeuring inzake overdrachtsbelasting startersvrijstelling: nadere toelichting via vragen en antwoorden over toepassing 2%-tarief en startersvrijstelling overdrachtsbelasting na invoering Wet differentiatie overdrachtsbelasting.
-
Besluit BWBR0039381
Beleid inzake samenloop van overdrachtsbelasting en omzetbelasting bij onroerendezaaktransacties, met goedkeuringen voor ongewenste dubbele heffing.
-
Besluit BWBR0050630
Beleid inzake startersvrijstelling en 2%-tarief overdrachtsbelasting, aangepast naar wettelijke wijziging per 1 januari 2025. Dit besluit actualiseert het beleid van 2023 met inhoudelijke aanpassingen.
-
KG:052:2025:3 (2025)
Standpunt: Bij verkrijging van onverdeelde eigendom van een woning (niet juridisch gesplitst) met gebruiksovereenkomst waarin exclusieve gebruiksrechten per deel en verklaringen van hoofdverblijf gelden het verlaagde tarief van 2%.
-
KG:052:2023:4 (2023)
Standpunt: Gemeenschappelijke ruimtes in een woning met kamerverhuur worden volledig als hoofdverblijf aangemerkt. Geldt het lage overdrachtsbelasingtarief voor de gehele woning als het gebruikte gedeelte minstens 90% omvat.
-
KG:052:2022:9 (2022)
Standpunt: Bij birdnesting kan slechts één woning als hoofdverblijf dienen; het verlaagde tarief van artikel 14(2) WBR geldt niet voor een tweede verblijfplaats der ouders.
-
KG:052:2023:7 (2023)
Standpunt: Vestiging van opstalrecht voor zonnepanelen zonder retributie is niet onderworpen aan overdrachtsbelasting (artikel 15, onderdeel a, WBR). Het opstalrecht bevordert instandhouding van eigendommen en vervult maatschappelijk belang.
-
Besluit BWBR0035566
Goedkeuring inzake omzetbelasting en overdrachtsbelasting: verkoop van woningen onder voorwaarden zonder cumulatie van belasting.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.