Inkomstenbelasting

Geruisloze inbreng in de BV

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Wie een onderneming in de inkomstenbelasting drijft en deze wil omzetten in een NV of BV, moet in beginsel afrekenen over de stille reserves, de fiscale reserves en de goodwill: de onderneming wordt fiscaal geacht te zijn gestaakt. Artikel 3.65 Wet IB 2001 biedt hiervoor een uitzondering. Op verzoek van de belastingplichtige wordt de onderneming voor de winstbepaling geacht niet te zijn gestaakt, zodat de BV de fiscale boekwaarden van de ondernemer overneemt en directe belastingheffing over de omzetting uitblijft.

De faciliteit is daarmee een doorschuifregeling: geen vrijstelling, maar uitstel. De heffing over de opgebouwde fiscale claim verplaatst zich naar de vennootschap en, via de verkrijgingsprijs van de aandelen, naar de aanmerkelijkbelangsfeer van de voormalige ondernemer. Om die verplaatste claim veilig te stellen, verbindt de inspecteur aan de inwilliging standaardvoorwaarden, vastgelegd bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Geruisloze inbreng speelt in de kern bij de rechtsvormkeuze van de IB-ondernemer: het moment waarop een eenmanszaak, vof of maatschap doorgroeit en de ondernemer(s) de onderneming willen onderbrengen in een BV zonder de afrekenlast van een gewone (ruisende) inbreng.

Wanneer speelt dit

  • Bij de omzetting van een eenmanszaak, vof- of maatschapsaandeel in een NV of BV, wanneer de fiscale claim op stille reserves en goodwill wordt doorgeschoven in plaats van afgerekend.
  • Bij de inbreng van een verhuurde onderneming in een nieuw opgerichte BV, waarbij de vraag speelt of de faciliteit openstaat als de onderneming (deels) uit verhuuractiviteiten bestaat.
  • Bij gecombineerde transacties waarin de inbreng samenvalt met andere rechtshandelingen (zoals het aangaan van een samenwerkingsverband), waardoor de vraag rijst of nog sprake is van "omzetting van een onderneming".
  • Bij overdracht van een firma-aandeel kort voor of tijdens de voorperiode, en bij de vraag of terugwerkende kracht mogelijk is.
  • Bij medegerechtigdheid in een onderneming (bijvoorbeeld als commanditair vennoot), waar de aard daarvan bepalend is voor toegang tot de faciliteit.
  • Bij (voorgenomen) emigratie of latere verplaatsing van de feitelijke leiding van de opgerichte vennootschap.

Wettelijk kader

Art. 3.65 lid 1 Wet IB 2001 vormt de kern van de regeling. De bepaling eist dat, wil de onderneming voor de winstbepaling geacht worden niet te zijn gestaakt, "de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming en de door Onze Minister nader te stellen voorwaarden zijn vervuld." Dit is een dubbele voorwaarde: de kapitaalverhouding in de BV moet corresponderen met de vermogensverhouding in de oude onderneming, én de door de minister gestelde (standaard)voorwaarden moeten zijn vervuld. De faciliteit is bovendien niet van toepassing "voor de toepassing van artikel 3.54a" en kent een aparte regeling voor medegerechtigden: bij medegerechtigdheid als bedoeld in art. 3.3 lid 1 onderdeel b is de faciliteit uitgesloten, en bij medegerechtigdheid als bedoeld in onderdeel a geldt zij alleen als die medegerechtigdheid "de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn gerechtigdheid of medegerechtigdheid als ondernemer."

Lid 2 regelt dat een negatieve terugkeerreserve bij de omzetting vervalt zonder winstgevolg, met een correctie in de verkrijgingsprijs van de aandelen. Lid 3 bepaalt dat de inspecteur beslist "bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn opgenomen": de standaardvoorwaarden zijn zelf voor bezwaar vatbaar.

Lid 4 begrenst het doel van die voorwaarden: zij "strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, die verschuldigd zouden zijn of zouden worden indien het eerste lid buiten toepassing zou blijven." Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de grootte van het geplaatste en gestorte aandelenkapitaal, de verkrijgingsprijs van de aandelen en boekwaarde van verkregen schuldvorderingen, de berekening van voorkoming van dubbele belasting, vermogensbestanddelen die als deelneming in de zin van art. 13 Wet VPB 1969 gaan kwalificeren, en de vervreemding van de aandelen in de opgerichte vennootschap.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2020:645 (2020) dat wanneer het aangaan van een samenwerkingsverband en de inbreng van de onderneming in een BV in samenhang moeten worden beschouwd als één geheel van rechtshandelingen, geen sprake is van een "omzetting van een onderneming" in de zin van art. 3.65 Wet IB 2001, zodat de faciliteit niet van toepassing is. De kwalificatie van de gehele transactiestructuur is bepalend, niet alleen de laatste stap naar de BV.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde daarentegen in ECLI:NL:GHAMS:2022:3203 (2022) dat een belanghebbende bij inbreng van een verhuurde onderneming in een nieuw opgerichte BV wél gebruik kon maken van de geruisloze-inbrengfaciliteit.

In ECLI:NL:HR:2015:1257 (2015) oordeelde de Hoge Raad dat het belastingvoordeel dat ontstaat doordat een incidentele hoge ondernemingsbate in de (voor)voorperiode bij de BV wordt belast, geen incidenteel fiscaal voordeel is dat aan de terugwerkende kracht van de geruisloze inbreng in de weg staat.

In ECLI:NL:HR:2013:1909 (2013) oordeelde de Hoge Raad dat de extra standaardvoorwaarde voor buitenlandse belastingplichtigen niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het toepasselijke belastingverdrag, omdat het verschil bij latere verplaatsing van de feitelijke leiding gerechtvaardigd is door het wegvallen van de Nederlandse aanknopingspunten voor belastingheffing.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Beoordeel een voorgenomen omzetting niet geïsoleerd: als de inbreng onderdeel is van een breder geheel van rechtshandelingen, loopt de kwalificatie als "omzetting van een onderneming" gevaar (HR 2020:645).
  • Verhuurde ondernemingen zijn niet zonder meer uitgesloten van de faciliteit; GHAMS 2022:3203 laat zien dat toepassing onder omstandigheden mogelijk is, maar de feitelijke kwalificatie van de activiteiten blijft leidend.
  • Terugwerkende kracht staat niet snel op losse schroeven door incidentele resultaten in de (voor)voorperiode; toets dit per geval tegen de aard en oorzaak van de bate.
  • Houd bij (voorgenomen) emigratie of verplaatsing van de feitelijke leiding rekening met de extra standaardvoorwaarde voor buitenlandse belastingplichtigen.
  • Toets bij medegerechtigdheid nauwkeurig of deze een rechtstreekse voortzetting vormt van de gerechtigdheid of medegerechtigdheid als ondernemer, gelet op de uitsluitingen in art. 3.65 lid 1, tweede volzin.
  • De standaardvoorwaarden zelf zijn voor bezwaar vatbaar (art. 3.65 lid 3): een individuele voorwaarde kan afzonderlijk worden aangevochten.

Recente ontwikkelingen

De kennisgroep van de Belastingdienst nam in augustus 2025 het standpunt in (KG:212:2025:4) dat de geruisloze omzetting van art. 3.65 Wet IB 2001 niet toepasbaar is voor medegerechtigden wier medegerechtigdheid voortvloeit uit doorgeschoven voortgezet ondernemerschap. Dit sluit aan bij de uitsluitingen die de wet zelf al kent voor medegerechtigdheid in art. 3.65 lid 1, tweede volzin.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 15 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.