Inkomstenbelasting
Ondernemerschap in de inkomstenbelasting
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Het begrip ondernemer in de inkomstenbelasting bepaalt wie toegang heeft tot de fiscale faciliteiten die aan winst uit onderneming zijn verbonden, zoals ondernemersaftrekken en doorschuifregelingen. De wet knoopt daarbij niet aan bij een economische of maatschappelijke opvatting van "ondernemen", maar bij een juridisch criterium: voor wiens rekening de onderneming wordt gedreven en wie rechtstreeks wordt verbonden voor de verbintenissen van die onderneming. Dat maakt de kwalificatie in de kern een aansprakelijkheids- en rekeningvraag, niet enkel een feitelijke-activiteitenvraag.
Naast de "klassieke" ondernemer kent de wet in art. 3.5 Wet IB 2001 een uitbreiding voor de zelfstandige beroepsbeoefenaar. De afbakening met resultaat uit overige werkzaamheden en met loon uit dienstbetrekking is in de praktijk het meest omstreden onderdeel van dit leerstuk: dezelfde feitencombinatie (zelfstandig werk, één of enkele opdrachtgevers, doorlopende samenwerking) kan naar gelang de omstandigheden tot verschillende kwalificaties leiden, met elk een eigen fiscaal regime.
Ondernemerschap is ook relevant buiten de lopende belastingheffing: bij bedrijfsopvolging, staking, inbreng in een B.V. en geruisloze omzetting is het bestaan (of voortbestaan) van ondernemerschap vaak een voorwaarde voor toegang tot de betreffende doorschuif- of omzettingsfaciliteit.
Wanneer speelt dit
Het ondernemerschap staat centraal bij zzp'ers en freelancers die voor één of een beperkt aantal opdrachtgevers werken, bij interim- en consultancyconstructies waarin een managementfee wordt gefactureerd in plaats van loon te ontvangen, bij werkzaamheden via een coöperatie of samenwerkingsverband, en bij de vraag of iemand die zorg- of dienstverlening verricht binnen een gereguleerd kader (zoals AWBZ of Wmo) daarmee al een onderneming drijft. Ook bij bedrijfsopvolging en herstructurering, waaronder inbreng van een verhuurde onderneming en geruisloze omzetting, is de vraag relevant of, en voor wiens rekening, de onderneming wordt gedreven of voortgezet. Tot slot komt de vraag terug bij navorderingsdiscussies, waarin de kwalificatie van activiteiten als (geen) onderneming rechtstreeks van invloed is op de belastbare grondslag.
Wettelijk kader
Art. 3.4 Wet IB 2001 verstaat onder ondernemer "de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming". Dit is een dubbele toets: er moet sprake zijn van een onderneming die voor rekening van de belastingplichtige wordt gedreven, én van rechtstreekse verbondenheid voor de verbintenissen van die onderneming. Beide elementen moeten worden vervuld; het is geen alternatieve toets.
Art. 3.5 Wet IB 2001 breidt dit begrippenkader uit. Lid 1 bepaalt dat onder "onderneming" mede wordt verstaan "het zelfstandig uitgeoefende beroep", en lid 2 bepaalt dat onder "ondernemer" mede wordt verstaan "de beoefenaar van een zelfstandig beroep". Deze twee bepalingen werken samen: de zelfstandige beroepsbeoefenaar wordt voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen op één lijn gesteld met de "gewone" ondernemer van art. 3.4, zonder dat de wet in dit excerpt zelf omschrijft wanneer een beroep "zelfstandig uitgeoefend" is.
Belangrijkste rechtspraak
In ECLI:NL:GHARL:2021:176 (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2021) oordeelde het hof dat de activiteiten van een administratieservice geen onderneming vormden; de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 werd om die reden verminderd, terwijl het hof tevens oordeelde dat voor de navordering een rechtvaardigend nieuw feit aanwezig was en de overige uitspraken van de inspecteur bevestigde. De zaak illustreert dat de kwalificatie als onderneming feitelijk wordt getoetst, ook wanneer er tegelijk een navorderingsdiscussie loopt.
ECLI:NL:GHARL:2020:10512 (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2020) betrof de vraag of vergoedingen die een consultant ontving voor werkzaamheden als commercieel verkoopdirecteur op grond van een consultingovereenkomst, moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking. Diezelfde afbakening tussen winst en loon keert terug in ECLI:NL:GHARL:2025:6762 (2025), waar het geschil ging over de vraag of een managementfee kwalificeert als winst uit onderneming dan wel als loon uit dienstbetrekking; het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Ook ECLI:NL:GHAMS:2020:3636 (Gerechtshof Amsterdam, 2020) speelde zich af op het grensvlak van winst uit onderneming: de zaak betrof de vraag of inkomsten die belanghebbende in 2013 had verworven met zorgwerkzaamheden in het kader van de AWBZ of de Wet maatschappelijke ondersteuning, als winst uit onderneming moesten worden gekwalificeerd.
Aandachtspunten voor de praktijk
- De toets van art. 3.4 Wet IB 2001 vereist zowel drijven-voor-rekening-van als rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen; ontbreekt één van beide elementen, dan is er geen ondernemerschap in de zin van dit artikel.
- Het onderscheid tussen winst uit onderneming en loon uit dienstbetrekking blijft, blijkens de aangehaalde rechtspraak over managementfees en consultingovereenkomsten, sterk feitelijk en casusgebonden; een contractuele aanduiding als "consultingovereenkomst" of "managementfee" is niet doorslaggevend voor de kwalificatie.
- Ook activiteiten binnen een gereguleerd kader (zoals zorgverlening onder AWBZ/Wmo) zijn onderwerp geweest van rechtspraak over de kwalificatie als winst uit onderneming.
- Bij navorderingsdiscussies kan de vraag of activiteiten al dan niet een onderneming vormen samenlopen met de vraag naar een nieuw feit voor de navordering; beide elementen worden, zoals in de aangehaalde uitspraak, afzonderlijk beoordeeld.
- Art. 3.5 Wet IB 2001 stelt de zelfstandige beroepsbeoefenaar gelijk aan de ondernemer van art. 3.4, maar het excerpt van dat artikel bevat geen nadere omschrijving van "zelfstandig uitgeoefend"; die afbakening moet uit overige bronnen worden afgeleid.
Kernartikelen
- Art. 3.4 Wet IB 2001 — Art. 3.4 Wet IB 2001: Begrip ondernemer
- Art. 3.5 Wet IB 2001 — Art. 3.5 Wet IB 2001: Zelfstandig uitgeoefend beroep
Belangrijkste rechtspraak
22 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2022:3203 (2022)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat belanghebbende bij de inbreng van de verhuurde onderneming in een nieuw opgerichte B.V. gebruik kan maken van de geruisloze inbrengfaciliteit van artikel 3.65 Wet IB 2001.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:6762 (2025)
De zaak betreft of een managementfee kwalificeert als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking; het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
-
ECLI:NL:GHARL:2021:2554 (2021)
De zaak betreft of de werkzaamheden die belanghebbende voor diverse coöperaties heeft verricht resulteren in winst uit onderneming of in loon; het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
-
ECLI:NL:GHARL:2021:176 (2021)
Het Hof oordeelt dat voor de navordering een rechtvaardigend nieuw feit aanwezig is en dat de activiteiten van administratieservices geen onderneming vormen; de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 wordt verminderd en de overige uitspraken van de Inspecteur worden bevestigd.
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3391 (2024)
- ECLI:NL:HR:2024:1472 (2024)
-
ECLI:NL:GHARL:2020:10512 (2020)
De zaak betreft of de vergoedingen die een consultant ontving voor werkzaamheden als commercieel verkoopdirecteur op grond van een consultingovereenkomst moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking.
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1134 (2026)
-
ECLI:NL:HR:2016:702 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de beoordeling of de economische eigendom van geleasede apparatuur van de lessor op de lessee is overgegaan, in de regel niet relevant is of de lessee de risico's van waardeverandering of tenietgaan heeft afgewenteld; het eerste cassatiemiddel slaagt en de zaak wordt verwezen.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:3636 (2020)
De zaak betreft de vraag of de inkomsten die belanghebbende in 2013 heeft verworven met zorgwerkzaamheden in het kader van de AWBZ of de Wet maatschappelijke ondersteuning, moeten worden gekwalificeerd als winst uit onderneming.
Beleid en standpunten
12 bronnen in de kennisbank-
KG:212:2023:4 (2023)
Standpunt: De doorschuiffaciliteit voor overlijdenswinst geldt niet als de onderneming alleen wordt voortgezet door verhuur aan derden in plaats van eigen exploitatie.
-
Besluit BWBR0046229
Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor lijfrenten in de winstsfeer, met aanpassingen van het omzettingsbeleid voor stamrechten.
-
KG:212:2025:4 (2025)
Standpunt: De geruisloze omzetting van artikel 3.65 Wet IB 2001 is niet toepasbaar voor medegerechtigden wiens medegerechtigdheid voortvloeit uit doorgeschoven voortgezet ondernemerschap.
-
Besluit BWBR0040957
Goedkeuring inzake doorschuifregeling inkomstenbelasting: samenvoeging en actualisering van besluiten over geruisloze doorschuiving onder artikelen 3.62-3.63 Wet IB 2001, met nieuw goedkeuring overdracht aan werknemer.
-
Besluit BWBR0046254
Beleid inzake firmaproblematiek inkomstenbelasting; actualisering en samenvoeging besluiten met terugwerkende kracht aangaan personenvennootschap.
-
Besluit BWBR0027722
Goedkeuring/beleid inzake salaire differé en executeurbeloning: het bepaalt de fiscale behandeling van achterstallige lonen voor werkzaamheden voor de erflater en executeurbeloningen voor erfgenamen voor loonheffing en erfbelasting.
-
Besluit BWBR0051693
Beleid inzake geruisloze omzetting van onderneming in naamloze of besloten vennootschap met standaardvoorwaarden.
-
KG:212:2022:3 (2022)
Standpunt: De doorschuiffaciliteit van artikel 3.62 Wet IB 2001 is van toepassing wanneer een onderneming door overlijden wordt overgedragen aan minderjarige kinderen en deze rechtstreeks voort zetten, ook met een door de rechter aangestelde bewindvoerder.
-
Besluit BWBR0052637
Goedkeuring/beleid inzake fiscale maatregelen energieschok: het besluit bevat vooruitlopende goedkeuringen voor burgers en bedrijven die geraakt worden door hogere brandstofkosten ingevolge de situatie in het Midden-Oosten.
-
Besluit BWBR0047168
Dit beleidsbesluit bevat fiscale noodmaatregelen in verband met de coronacrisis, waaronder uitstelmogelijkheden en betalingsregelingen.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.