Inkomstenbelasting

Ondernemersfaciliteiten IB (zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling)

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling zijn de kern van de ondernemersfaciliteiten in de Wet IB 2001 voor de IB-ondernemer. De zelfstandigenaftrek beloont een minimale tijdsbesteding aan de onderneming met een vast bedrag en is gekoppeld aan het urencriterium van art. 3.6 Wet IB 2001; de MKB-winstvrijstelling stelt daarnaast een percentage van de winst vrij, ongeacht het aantal gewerkte uren. Sinds 2020 is de zelfstandigenaftrek in stappen afgebouwd, van € 7.030 naar € 1.200 in 2026, terwijl de MKB-winstvrijstelling in 2024 en 2025 is verlaagd naar 12,7%. Het fiscale voordeel verschuift zo van een vast, aan uren gekoppeld bedrag naar een percentuele vrijstelling die voor elke IB-ondernemer geldt, ook zonder dat aan het urencriterium is voldaan.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer voldoet een ondernemer aan het urencriterium van art. 3.6 Wet IB 2001?
  • Welke uren tellen niet mee bij een samenwerkingsverband met verbonden personen?
  • Hoe hoog is de zelfstandigenaftrek en wanneer ontstaat een niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek?
  • Hoe wordt niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek in latere jaren verrekend?
  • Hoe verhoudt de MKB-winstvrijstelling zich tot het urencriterium?

Urencriterium: toegang tot de zelfstandigenaftrek (art. 3.6 Wet IB 2001)

Van het urencriterium is sprake bij het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet (art. 3.6 lid 1 Wet IB 2001). Deze basiseis van 1.225 uur geldt in combinatie met een van twee alternatieve voorwaarden: de tijd die in totaal aan die onderneming(en) en aan werkzaamheden in de zin van resultaat uit overige werkzaamheden en loondienst wordt besteed, wordt grotendeels, dat wil zeggen voor meer dan de helft, aan de onderneming(en) besteed (onderdeel a), of de ondernemer was in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer (onderdeel b, de nieuwe-ondernemer-uitzondering).

Lid 2 sluit uren binnen een samenwerkingsverband met verbonden personen uit van de telling langs twee alternatieve gronden: de werkzaamheden voor het samenwerkingsverband zijn hoofdzakelijk van ondersteunende aard én een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen zou ongebruikelijk zijn (onderdeel a), of het samenwerkingsverband houdt verband met een onderneming waaruit een verbonden persoon wél als ondernemer winst geniet maar de belastingplichtige zelf niet (onderdeel b). Als verbonden personen gelden huisgenoten van de belastingplichtige en bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of hun huisgenoten (lid 3). Lid 4 trekt onderdeel b door naar een samenwerkingsverband dat verband houdt met een lichaam waarin de belastingplichtige of een verbonden persoon een aanmerkelijk belang houdt, zodat de uitsluiting niet via een bv-structuur kan worden omzeild. Onderbreking van de werkzaamheden wegens zwangerschap telt, gedurende de periode die overeenkomt met het wettelijke zwangerschaps- en bevallingsverlof van werkneemsters, niet als onderbreking van de uren (lid 5).

De bewijslast dat aan het urencriterium is voldaan rust op de ondernemer, ook bij een navorderingsaanslag (ECLI:NL:HR:2011:BU4804). Die bewijslast staat centraal in een reeks feitelijke procedures: Gerechtshof Amsterdam weigerde de zelfstandigen- en startersaftrek omdat het urencriterium niet was gehaald (ECLI:NL:GHAMS:2023:387), oordeelde dat aan studie bestede uren onder omstandigheden meetellen, maar uitsluitend voor zover de studie de bestaande vakkennis van de ondernemer op peil houdt en niet voor het verwerven van geheel nieuwe kennis (ECLI:NL:GHAMS:2023:3572), en beoordeelde ook in latere jaren opnieuw of de 1.225 uur waren gehaald (ECLI:NL:GHAMS:2022:1285; ECLI:NL:GHAMS:2024:2041).

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Urencriteriumten minste 1.225 uur per kalenderjaarart. 3.6 lid 1 Wet IB 2001
Zelfstandigenaftrek (vóór AOW-leeftijd, 2026)€ 1.200art. 3.76 lid 2 Wet IB 2001
Startersverhoging€ 2.123art. 3.76 lid 3 Wet IB 2001
Zelfstandigenaftrek bij AOW-leeftijd50% van het bedrag volgens lid 2 en 3art. 3.76 lid 4 Wet IB 2001
Verrekentermijn niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek9 kalenderjarenart. 3.76 lid 7 Wet IB 2001
MKB-winstvrijstelling (2026)12,7% van de winst na ondernemersaftrekart. 3.79a Wet IB 2001

(wettekst geldend per 2026)

Zelfstandigenaftrek: hoogte, winstbegrenzing en verrekening (art. 3.76 Wet IB 2001)

Lid 1 koppelt de zelfstandigenaftrek dwingend aan het urencriterium. Voor de ondernemer die de AOW-gerechtigde leeftijd bij het begin van het kalenderjaar nog niet heeft bereikt, bedraagt de aftrek in 2026 € 1.200 (lid 2). Startende ondernemers krijgen daarbovenop een verhoging van € 2.123 (lid 3), tenzij zij een onderneming voortzetten die eerder via de doorschuifregeling van art. 14c Wet Vpb 1969 is overgedragen en dat voortzetten in het kalenderjaar zelf of in een van de vijf daaraan voorafgaande jaren is aangevangen. Heeft de ondernemer de AOW-leeftijd bij het begin van het jaar al bereikt, dan bedraagt de zelfstandigenaftrek 50% van het bedrag volgens lid 2 en 3 (lid 4).

Lid 5 begrenst de zelfstandigenaftrek tot het bedrag van de winst zelf; deze begrenzing geldt niet voor de ondernemer die de startersverhoging geniet, bij wie de aftrek de winst dus wél kan overtreffen. Leidt de begrenzing tot een verlaging, dan wordt het verschil aangemerkt als niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek, die de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststelt en afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeldt (lid 6). Dat bedrag wordt in de volgende negen kalenderjaren verrekend, in de volgorde waarin het is ontstaan en tot ten hoogste het bedrag waarmee de winst van dat latere jaar de daar geldende zelfstandigenaftrek overtreft (lid 7); ook die verrekening loopt via een voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met de aanslag van het verrekeningsjaar (lid 8), en rechtsmiddelen daartegen kunnen uitsluitend de toepassing van lid 7 zelf betreffen (lid 9). Voor de toepassing van het artikel geldt als winst het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit al zijn ondernemingen geniet, niet per onderneming afzonderlijk (lid 10).

Bij staking van de onderneming blijft de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek relevant: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde een correctie omdat voor het jaar waarin de niet-gerealiseerde aftrek zou zijn ontstaan geen zelfstandigenaftrek was geclaimd en de aanslag over dat jaar al onherroepelijk vaststond, zodat bij de staking van de eenmanszaak niets te verrekenen viel (ECLI:NL:GHARL:2025:8439). Bij staking door overlijden keurt een beleidsbesluit goed dat de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek zonder toetsing aan het urencriterium kan worden verrekend.

MKB-winstvrijstelling (art. 3.79a Wet IB 2001)

De MKB-winstvrijstelling bedraagt in 2026 12,7% van het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen, nadat dit bedrag is verminderd met de ondernemersaftrek van paragraaf 3.2.4 Wet IB 2001, waaronder de zelfstandigenaftrek. De vrijstelling werkt dus door op de winst ná aftrek, niet op de brutowinst, en is aan geen urencriterium gekoppeld: ook een IB-ondernemer die niet aan het urencriterium voldoet en dus geen zelfstandigenaftrek geniet, past de MKB-winstvrijstelling toe over zijn volledige winst uit onderneming. De vrijstelling is bovendien niet beperkt tot de jaren waarin de onderneming feitelijk werd gedreven: de Hoge Raad oordeelde dat zij ook kan worden genoten over winst die wordt verantwoord in een jaar ná het staken van de onderneming (ECLI:NL:HR:2012:BX0947).

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De bewijslast dat aan het urencriterium is voldaan rust op de ondernemer, ook bij een navorderingsaanslag; dossiervorming over gewerkte uren is dus bepalend voor de uitkomst van een geschil.
  • Studie-uren tellen alleen mee voor zover de studie de bestaande vakkennis van de ondernemer op peil houdt, niet voor het verwerven van geheel nieuwe kennis.
  • De uitsluitingsgrond voor samenwerkingsverbanden met verbonden personen (art. 3.6 lid 2) vergt een precieze toets langs twee alternatieve gronden; via lid 4 werkt die uitsluiting ook door bij een samenwerkingsverband gekoppeld aan een aanmerkelijk-belangstructuur.
  • De zelfstandigenaftrek is, behalve voor wie de startersverhoging geniet, nooit hoger dan de winst van het jaar zelf; het verschil is negen jaar verrekenbaar, in de volgorde van ontstaan.
  • De MKB-winstvrijstelling geldt ook zonder dat aan het urencriterium is voldaan en loopt door op winst die pas na staking van de onderneming wordt verantwoord.

Recente ontwikkelingen

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 20 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.