Loonbelasting

Auto van de zaak (bijtelling)

Bijgewerkt op 19 juli 2026

De bijtelling voor de auto van de zaak regelt hoe het voordeel van een ook privé gebruikte, door de werkgever ter beschikking gestelde auto in de loonheffing wordt betrokken. Het is een forfaitaire correctie: in plaats van het werkelijke privévoordeel te bepalen, stelt de wet het voordeel op een vast percentage van de waarde van de auto, tenzij de belastingplichtige aantoont dat er nauwelijks privé mee is gereden.

Het leerstuk raakt zowel werkgever als werknemer. Voor de werkgever bepaalt het de inhoudingsverplichting in de loonaangifte, voor de werknemer de omvang van het belaste loon in natura. Rond de kernregel is een stelsel van verklaringen (geen privégebruik, uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto) en bewijsregels gebouwd, met eigen sanctie- en naheffingsmechanismen wanneer een verklaring achteraf onjuist blijkt.

Het is een van de meest gelitigeerde onderdelen van de loonbelasting: de combinatie van een forfait, een omkering van de bewijslast en controlemiddelen zoals rittenregistraties en (voorheen) ANPR-camera's heeft geleid tot een substantiële hoeveelheid rechtspraak.

Wanneer speelt dit

Het thema speelt zodra een werkgever een auto ter beschikking stelt aan een werknemer of directeur-grootaandeelhouder die deze ook buiten werktijd kan gebruiken, ongeacht of dat gebruik zich daadwerkelijk voordoet: de wet gaat uit van terbeschikkingstelling, niet van feitelijk gebruik. Ook vragen rond bestelauto's met een privégebruikverbod, deelauto's die via een abonnement voor zakelijke ritten worden gereserveerd, en discussies over de juiste cataloguswaarde bij oudere auto's vallen hieronder. Verder speelt het bij een lopende rittenregistratie die de inspecteur betwist, bij het aanvragen of intrekken van een verklaring geen privégebruik, en bij naheffingstrajecten wanneer een eerder afgegeven verklaring niet blijkt te kloppen.

Wettelijk kader

Art. 13bis Wet LB 1964 vormt de kern. Lid 1 bepaalt dat het voordeel op kalenderjaarbasis wordt gesteld op ten minste "22% van de waarde van de auto indien de auto niet meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen" of "35% van de waarde van de auto indien de auto meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen". Ditzelfde lid bepaalt dat de auto "in ieder geval geacht [wordt] ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt". De bewijslast ligt dus bij wie geen bijtelling wil: zolang niet "blijkt" (het zwaardere bewijscriterium) van beperkt privégebruik, geldt het forfait.

Voor emissievrije auto's kent lid 2 een verlaging: het voordeel "wordt op kalenderjaarbasis verlaagd met 4% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO2-uitstoot 0 gram per kilometer is", met een cap ("ten hoogste € 1.200") die niet geldt bij auto's op waterstof of met bepaalde geïntegreerde zonnepanelen. Lid 18 voegt daaraan een overgangsbepaling toe: na wijziging van de CO2-grens of het percentage blijft voor 60 maanden vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum van eerste toelating het oude regime van toepassing.

Lid 3 stelt buiten twijfel dat "woon-werkverkeer geacht [wordt] niet voor privédoeleinden plaats te vinden", en biedt de tegenbewijsmogelijkheid: "Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil." Lid 4 beperkt het voordeel tot het deel dat uitgaat boven een eventuele eigen bijdrage van de werknemer.

Lid 5 definieert de "waarde van de auto" als de catalogusprijs vermeerderd met BPM, met een uitzondering voor auto's die meer dan vijftien jaar geleden in gebruik zijn genomen: daarvoor geldt de waarde in het economische verkeer. Datzelfde lid sluit bepaalde bestelauto's van het bijtellingsregime uit, namelijk auto's die door aard of inrichting nagenoeg uitsluitend geschikt zijn voor goederenvervoer, en bestelauto's waarvoor een schriftelijk vastgelegd en gehandhaafd privégebruikverbod geldt (vier cumulatieve voorwaarden: schriftelijke vastlegging, bewaring bij de loonadministratie, voldoende toezicht en een passende sanctie bij overtreding).

Lid 7 tot en met 12 regelen de verklaring geen privégebruik: bij overlegging daarvan laat de inhoudingsplichtige inhouding achterwege, tenzij hij weet dat de mededeling onjuist is; bij intrekking of het niet kunnen doen blijken van beperkt privégebruik volgt naheffing, in beginsel bij de werknemer, tenzij de inhoudingsplichtige wist van de onjuistheid. Lid 13 tot en met 17 kennen een parallel regime voor de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto, met een vergelijkbare bewijslastverdeling per rit bij een vermoeden van privégebruik.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2015:31 (2015) dat bij de bijtelling alleen rekening wordt gehouden met een vergoeding voor privégebruik voor zover deze in het desbetreffende tijdvak al onvoorwaardelijk verschuldigd is geworden, ook als zij nog niet is betaald of verrekend.

In ECLI:NL:HR:2017:964 (2017) oordeelde de Hoge Raad dat de forfaitaire bepaling van het belastbare voordeel niet van elke redelijke grond is ontbloot en niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM, en dat oude auto's met een hoge bijtelling ten opzichte van de aanschafwaarde geen individuele en buitensporige last opleveren.

ECLI:NL:HR:2016:81 (2016) verduidelijkt het begrip terbeschikkingstelling: er is sprake van terbeschikkingstelling in de zin van lid 1 wanneer de enig bestuurder zelfstandig kon bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruikmaakte, ook al bewaarde de werkgever de sleutel in een kluis.

In ECLI:NL:HR:2017:288 (2017) oordeelde de Hoge Raad dat de algemene taakomschrijving van de Belastingdienst noch enige andere wettelijke bepaling een toereikende grondslag bood voor het gebruik van ANPR-signaleringen als controlemiddel, zodat dit een inbreuk op artikel 8 EVRM opleverde; de daarop gebaseerde naheffingsaanslagen loonheffingen werden vernietigd.

Aandachtspunten voor de praktijk

Bij terbeschikkingstelling is de feitelijke beschikkingsmacht van belang, niet formele belemmeringen zoals een sleutelkluis: in ECLI:NL:HR:2016:81 was sprake van terbeschikkingstelling omdat de enig bestuurder zelfstandig kon bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruikmaakte, ook al bewaarde de werkgever de sleutel in een kluis.

Bij een rittenregistratie is van belang dat het bewijscriterium in lid 1 en lid 3 "blijken" is, een zwaardere maatstaf dan aannemelijk maken.

Bij bestelauto's is van belang of alle vier de cumulatieve voorwaarden voor een privégebruikverbod uit lid 5 zijn nageleefd (schriftelijke vastlegging, bewaring in de loonadministratie, toezicht, sanctionering); het ontbreken van één voorwaarde doet de uitzondering vervallen.

Bij bewijsmiddelen die de Belastingdienst gebruikt bij controle is van belang dat in ECLI:NL:HR:2017:288 een ontoereikende wettelijke grondslag voor ANPR-gebruik tot vernietiging van de daarop gebaseerde naheffingsaanslagen loonheffingen leidde.

Bij vergoedingen voor privégebruik is van belang of deze op grond van ECLI:NL:HR:2015:31 al onvoorwaardelijk verschuldigd waren in het tijdvak waarin ze in mindering worden gebracht op het voordeel, ook wanneer betaling of verrekening later plaatsvindt.

Recente ontwikkelingen

De Belastingdienst kennisgroep heeft in 2025 een standpunt ingenomen over deelauto's: werkgevers die deelauto's via abonnement reserveren voor zakelijke ritten van werknemers, voorzien de werknemer daarmee van vervoer zonder loonbestanddeel, terwijl privégebruik door de werknemer wel tot belast loon in natura leidt (KG:204:2025:3). Ook is er kennisgroepbeleid over het niet terugeisen van een laadpaal die eigendom van de werknemer is geworden: dit vormt geen belast loon, tenzij een teruggaafbeding was gesteld (KG:204:2022:5). Daarnaast bestaat een besluit dat een overgangstermijn biedt voor de youngtimerregeling, zodat de verhoging van de leeftijdsgrens naar 16 jaar niet voor alle auto's onmiddellijk doorwerkt (Besluit BWBR0052331), wat direct aansluit bij de 16-jaarsgrens uit art. 13bis lid 1 Wet LB 1964.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 6 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.