Loonbelasting
Auto van de zaak (bijtelling)
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De bijtelling voor de auto van de zaak brengt het voordeel van een ook privé gebruikte, door de werkgever ter beschikking gestelde auto in de loonheffing. De wet werkt met een forfait: in plaats van het werkelijke privévoordeel te berekenen, stelt art. 13bis Wet LB 1964 het voordeel op een vast percentage van de waarde van de auto, tenzij de werknemer aantoont dat er nauwelijks privé mee is gereden. Drie bouwstenen bepalen de uitkomst: de terbeschikkingstelling (het aanknopingspunt, los van feitelijk gebruik), de waarde van de auto (de grondslag) en het bijtellingspercentage (afhankelijk van leeftijd en CO2-uitstoot van de auto).
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer is sprake van terbeschikkingstelling van een auto voor privédoeleinden?
- Wanneer blijft de bijtelling achterwege en welk bewijs is daarvoor nodig?
- Hoe worden de waarde van de auto en het toepasselijke percentage bepaald?
- Hoe werken de verklaring geen privégebruik en de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto?
- Wat gebeurt er bij intrekking van een verklaring of een onjuiste mededeling?
Terbeschikkingstelling: het aanknopingspunt
Beslissend voor de bijtelling is niet of de werknemer daadwerkelijk privé heeft gereden, maar of hij feitelijk kan bepalen of en hoe hij de auto gebruikt: van terbeschikkingstelling in de zin van art. 13bis lid 1 Wet LB 1964 is sprake zodra de werknemer zelfstandig over het gebruik beslist, ook als daar formele belemmeringen tegenover staan. De Hoge Raad oordeelde dat van terbeschikkingstelling sprake was bij een enig bestuurder die zelfstandig kon bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruikmaakte, ook al bewaarde de werkgever de sleutel in een kluis (ECLI:NL:HR:2016:81). Omgekeerd geldt de bijtelling niet wanneer een auto uitsluitend voor bepaalde opdrachten in het belang van de werkgever wordt gebruikt (ECLI:NL:HR:2015:1360). Woon-werkverkeer telt voor deze beoordeling niet als privégebruik (lid 3).
Uitzondering: geen bijtelling bij beperkt privégebruik
De wet gaat uit van een vermoeden: een auto wordt in beginsel geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. Dat vermoeden wordt weerlegd als blijkt, een zwaardere maatstaf dan aannemelijk maken, dat op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé is gereden, bijvoorbeeld met een sluitende rittenregistratie of anderszins bewijs (lid 1 en lid 3). Daarnaast vallen twee categorieën bestelauto's buiten de regeling (lid 5 onderdeel a): auto's die door aard of inrichting nagenoeg uitsluitend geschikt zijn voor goederenvervoer, en bestelauto's met een privégebruikverbod dat aan vier cumulatieve voorwaarden voldoet: het verbod is schriftelijk vastgelegd, de vastlegging wordt bij de loonadministratie bewaard, de werkgever houdt voldoende toezicht op de naleving en legt bij overtreding een passende sanctie op.
Waarde van de auto en het percentage
Blijft de bijtelling niet achterwege, dan wordt het voordeel forfaitair gesteld op een percentage van de waarde van de auto: de catalogusprijs vermeerderd met BPM, of bij een auto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen de waarde in het economische verkeer (lid 5 onderdeel b). Het standaardforfait van 22% geldt voor auto's die niet meer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen; daarboven geldt 35% (lid 1). Tot en met 2025 lag die omslaggrens bij 15 jaar; met ingang van 2026 is zij verschoven naar 16 jaar, los van de grens van vijftien jaar voor de grondslagwisseling. Voor auto's zonder CO2-uitstoot wordt het voordeel verlaagd met 4% van de waarde, met een cap die stapsgewijs is afgebouwd van € 1.800 (2024) via € 1.500 (2025) naar € 1.200 (2026); de cap geldt niet voor auto's op waterstof en voor auto's met geïntegreerde zonnepanelen die aan de verbruiksnorm van lid 2 voldoen (lid 2). Na een wijziging van de CO2-grens of het percentage blijft voor een auto het op de datum van eerste toelating geldende regime nog 60 maanden van toepassing (lid 18), zodat de bijtelling van een specifieke auto niet gelijk hoeft op te lopen met de cap die in het lopende kalenderjaar voor nieuwe auto's geldt. De Hoge Raad oordeelde dat de forfaitaire bepaling van het voordeel niet van elke redelijke grond is ontbloot en niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM, en dat een hoge bijtelling ten opzichte van de aanschafwaarde bij oude auto's geen individuele en buitensporige last oplevert (ECLI:NL:HR:2017:964); ook een overgangsregeling die voor oudere elektrische auto's een hogere bijtelling handhaafde bleek niet EVRM-strijdig (ECLI:NL:HR:2019:1), en een verhoging van het bijtellingspercentage voor een elektrische auto vormde evenmin een onaanvaardbare inbreuk op dat artikel (ECLI:NL:GHARL:2026:1661).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Standaardforfait (auto niet meer dan 16 jaar oud) | 22% van de waarde van de auto | art. 13bis lid 1 onderdeel a Wet LB 1964 |
| Hoog forfait (auto meer dan 16 jaar oud) | 35% van de waarde van de auto | art. 13bis lid 1 onderdeel b Wet LB 1964 |
| Verlaging emissievrije auto (0 g/km CO2) | 4% van de waarde; cap € 1.200 (2026; € 1.800 in 2024, € 1.500 in 2025) | art. 13bis lid 2 Wet LB 1964 |
| Drempel "blijken" geen privégebruik | niet meer dan 500 km privé per kalenderjaar | art. 13bis lid 1 en lid 3 Wet LB 1964 |
| Overgangstermijn bij wijziging CO2-grens of percentage | 60 maanden vanaf eerste toelating | art. 13bis lid 18 Wet LB 1964 |
(wettekst geldend per 2026)
Eigen bijdrage en gevolg van toepassing
Het bijtellingsbedrag telt mee als loon in natura en is onderworpen aan loonheffing; de werkgever houdt daarover belasting in. Een eigen bijdrage van de werknemer voor het privégebruik vermindert het voordeel, maar alleen voor zover die bijdrage al onvoorwaardelijk verschuldigd is in het tijdvak waarin zij in mindering wordt gebracht, ook als betaling of verrekening pas later plaatsvindt (lid 4; ECLI:NL:HR:2015:31).
Verklaringen: geen privégebruik en uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto
Wie geen bijtelling wil zonder per rit een rittenregistratie bij te houden, kan bij de inspecteur een verklaring geen privégebruik aanvragen; de inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking (lid 7 en 8). Zolang de werknemer die verklaring overlegt, houdt de werkgever geen belasting in over het voordeel, tenzij hij weet dat de mededeling onjuist is (lid 7). De inspecteur kan de verklaring intrekken, zo nodig met terugwerkende kracht (lid 9); bij intrekking, of als de werknemer niet doet blijken van beperkt privégebruik, volgt naheffing, in beginsel bij de werknemer, tenzij de inhoudingsplichtige wist van de onjuistheid (lid 11). Voor bestelauto's bestaat een parallelle route, de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto (lid 13 tot en met 17): bij een vermoeden van een privérit moeten de werknemer en de inhoudingsplichtige doen blijken dat die rit zakelijk was; slagen zij daar niet in, dan wordt de bestelauto geacht voor meer dan 500 kilometer privé te zijn gebruikt en volgt naheffing, in beginsel bij de werknemer (lid 15). De bijzondere bewijsmaatstaf "blijken" uit lid 1, 3, 10 en 15 werkt niet alleen ten nadele van de belastingplichtige: voor de controlemiddelen van de Belastingdienst zelf gelden de gewone grenzen. Voor het gebruik van ANPR-signaleringen bood geen enkele wettelijke bepaling een toereikende grondslag, zodat dit een inbreuk op artikel 8 EVRM opleverde en de daarop gebaseerde naheffingsaanslagen loonheffingen werden vernietigd (ECLI:NL:HR:2017:288).
Reikwijdte: deelauto's en overige situaties
Deelauto's die een werkgever via abonnement reserveert voor zakelijke ritten van werknemers leveren op zichzelf geen belast loon op; pas bij privégebruik door de werknemer ontstaat loon in natura (KG:204:2025:3). Het niet terugeisen van een laadpaal die eigendom van de werknemer is geworden, vormt geen belast loon, tenzij vooraf een teruggaafbeding was overeengekomen (KG:204:2022:5).
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij bestelauto's telt of alle vier de cumulatieve voorwaarden voor het privégebruikverbod zijn nageleefd; het ontbreken van één voorwaarde doet de uitzondering in zijn geheel vervallen, ook als de overige drie wel zijn voldaan.
- De twee verklaringsroutes lopen parallel maar zijn niet identiek in wie bij intrekking of onjuistheid wordt nageheven: bij de verklaring geen privégebruik is dat in beginsel de werknemer, tenzij de inhoudingsplichtige wist van de onjuistheid (lid 11); bij de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto geldt hetzelfde uitgangspunt, met een aanvullende uitzondering als de inhoudingsplichtige een noodzakelijke intrekking niet meldde (lid 15).
- Het overgangsrecht van lid 18 bevriest voor een specifieke auto 60 maanden lang het regime van de datum van eerste toelating; de bijtelling van die auto loopt dus niet automatisch mee met de cap die voor nieuwe auto's in het lopende jaar geldt.
- Bij een lopend geschil over de rittenregistratie gaat het om de bijzondere maatstaf "blijken" uit lid 1 en lid 3 zelf, naast de algemene regels over omkering en verzwaring van de bewijslast in de AWR; een afwijzing of intrekking van een verklaring is een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking waarna naheffing kan volgen.
- Bij een auto die aan een directeur-grootaandeelhouder ter beschikking wordt gesteld, raakt de bijtelling ook de discussie over het gebruikelijk loon; wil de werkgever autokosten via de vrije ruimte onderbrengen, dan raakt dat de werkkostenregeling.
Recente ontwikkelingen
- 14 februari 2025: de Belastingdienst kennisgroep neemt een standpunt in over deelauto's die werkgevers via abonnement reserveren voor zakelijke ritten van werknemers (KG:204:2025:3).
- Belastingplan 2026: de leden Grinwis en Oosterhuis dienen een amendement in over het verlengen van de bijtellingskorting voor elektrische auto's van de zaak (Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 102, gewijzigd ter vervanging van nr. 53).
- 1 januari 2026: de omslaggrens naar het hoge forfait van 35% verschuift van meer dan 15 naar meer dan 16 jaar geleden in gebruik genomen, en de cap voor de verlaging bij emissievrije auto's daalt naar € 1.200 (art. 13bis lid 1 en lid 2 Wet LB 1964, tekst geldend per 1 januari 2026).
- 17 maart 2026: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt, anders dan de rechtbank, dat de verhoging per 1 januari 2020 van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto geen onaanvaardbare inbreuk op artikel 1 Eerste Protocol EVRM vormt en vernietigt de rechtbankuitspraak (ECLI:NL:GHARL:2026:1661).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
16 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2015:31 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat bij de bijtelling wegens privégebruik van de auto op grond van artikel 13bis, lid 6, Wet LB 1964 alleen rekening wordt gehouden met een vergoeding voor privégebruik voor zover deze in het desbetreffende tijdvak reeds onvoorwaardelijk verschuldigd is geworden, ook al is zij nog niet betaald of verrekend.
-
ECLI:NL:HR:2019:1 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat de overgangsregeling van artikel 36c Wet LB 1964, die voor auto's met eerste toelating vóór 1 januari 2017 een hogere bijtelling handhaaft, niet evident van elke redelijke grond is ontbloot en dus geen inbreuk vormt op artikel 1 Eerste Protocol EVRM of het discriminatieverbod.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:3754 (2022)
Het Hof Amsterdam oordeelt, anders dan de rechtbank, dat geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast bij de naheffingsaanslagen loonheffingen.
-
ECLI:NL:HR:2017:964 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat de forfaitaire bepaling van het belastbare voordeel van een ook privé gebruikte auto (art. 13bis Wet LB 1964) niet van elke redelijke grond is ontbloot en niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM, en dat oude auto's met een hoge bijtelling ten opzichte van de aanschafwaarde geen individuele en buitensporige last opleveren.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:1661 (2026)
Het Hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat de verhoging per 1 januari 2020 van het bijtellingspercentage wegens privégebruik van een elektrische auto geen onaanvaardbare inbreuk vormt op artikel 1 EP, en vernietigt daarom de rechtbankuitspraak.
-
ECLI:NL:HR:2015:1360 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 13bis, lid 1, Wet LB 1964 niet geldt wanneer auto's uitsluitend voor bepaalde opdrachten in het belang van de werkgever worden gebruikt, en dat opzet of grove schuld van een rechtspersoon wordt beoordeeld met alle omstandigheden van het geval.
-
ECLI:NL:HR:2016:81 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van terbeschikkingstelling van een auto in de zin van artikel 13bis, lid 1, Wet LB 1964 wanneer de enig bestuurder zelfstandig kon bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruikmaakte, ook al bewaarde de werkgever de sleutel in een kluis.
-
ECLI:NL:HR:2017:288 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat de algemene taakomschrijving van de Belastingdienst noch enige andere wettelijke bepaling een toereikende grondslag biedt voor gebruik van ANPR-signaleringen, zodat dit een inbreuk op art. 8 EVRM oplevert en de daarop gebaseerde naheffingsaanslagen loonheffingen over 2010 en 2011 worden vernietigd.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:991 (2020)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de naheffingsaanslag loonheffingen voor bijtelling privegebruik bestelauto's en niet aangegeven lonen in stand blijft omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar onjuist is (art. 27e lid 1 AWR).
-
ECLI:NL:HR:2016:1030 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor bijtelling wegens privégebruik van de ter beschikking gestelde auto geen grond bestaat, gelet op de verzwaarde bewijslast van art. 13bis Wet LB 1964. Hij verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.
Beleid en standpunten
23 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 34002 nr. 28
-
KG:204:2025:3 (2025)
Standpunt: Werkgevers die deelauto's via abonnement reserveren voor zakelijke ritten werknemers voorzien van vervoer zonder loonbestanddeel; privégebruik door werknemer leidt tot belast loon in natura.
- Kamerstuk 36812 nr. 102
-
KG:204:2024:6 (2024)
Standpunt: Bij weekendverblijf geldt gericht vrijgestelde kilometervergoeding alleen voor reizen thuis-werk; bij langdurig (3 maanden) alternatief verblijf dat als verblijfplaats kwalificeert, ook van daar naar werk.
- Kamerstuk 36812 nr. 53
- Kamerstuk 35927 nr. 3
- Kamerstuk 36602 nr. 3
- Kamerstuk 33752 nr. 9
- Kamerstuk 36418 nr. 47
- Kamerstuk 31704 nr. 3
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.