Loonbelasting

30%-regeling

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De 30%-regeling is de gangbare aanduiding voor de bewijsregel in art. 31a lid 8 en lid 9 Wet LB 1964, die een inhoudingsplichtige toestaat een vast gedeelte van het loon van bepaalde ingekomen of uitgezonden werknemers zonder nader bewijs aan te merken als vergoeding voor extraterritoriale kosten. Die kosten, extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking, zijn onder de gerichte vrijstelling van art. 31a lid 2, onderdeel e, Wet LB 1964 al onbelast te vergoeden, maar dan moet de werkgever per werknemer aantonen dat en tot welk bedrag de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De 30%-regeling vervangt die individuele bewijslast door een forfait van ten hoogste 30% van het loon. Toepassing vergt een gezamenlijk verzoek van werkgever en werknemer en een beschikking van de inspecteur; de regeling werkt niet van rechtswege.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer kwalificeert een werknemer als ingekomen of uitgezonden werknemer?
  • Hoe wordt de specifieke deskundigheid getoetst via de salarisnorm?
  • Wat levert de bewijsregel op, en welk aanvullend maximum geldt naast het percentage?
  • Hoe verlopen de aanvraag, de beschikking en de jaarlijkse keuze?
  • Hoe lang loopt de regeling, en hoe werkt een wetswijziging door in een eerder afgegeven beschikking?

Grondgedachte: bewijsregel in plaats van individueel bewijs

Een werknemer die van buiten Nederland wordt aangetrokken, of vanuit Nederland wordt uitgezonden, maakt extra kosten van het verblijf buiten het land van herkomst: dubbele huisvesting, hogere kosten van levensonderhoud, taallessen, aanvraag van verblijfsdocumenten. Art. 31a lid 2, onderdeel e, Wet LB 1964 omschrijft extraterritoriale kosten als extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking, en sluit daarbij twee kostensoorten uitdrukkelijk uit voor zover de vergoeding of verstrekking ziet op de periode waarin de werknemer in Nederland arbeid verricht dan wel in Nederland verblijft en in een ander land arbeid verricht: uitgaven van levensonderhoud en uitgaven voor gesprekskosten voor privédoeleinden. Zonder de 30%-regeling zou de werkgever voor elke ingekomen of uitgezonden werknemer afzonderlijk moeten aantonen welke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt; de bewijsregel van art. 31a lid 8 en lid 9 Wet LB 1964 vervangt dat onderzoek door een forfait. De regeling functioneert binnen het bredere stelsel van eindheffingsbestanddelen van art. 31 Wet LB 1964, waaronder ook de overige gerichte vrijstellingen van de werkkostenregeling vallen.

Wie kwalificeert: ingekomen en uitgezonden werknemers

Om als ingekomen werknemer te kwalificeren, moet de werknemer door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland zijn aangeworven of vanuit een functie buiten Nederland naar Nederland zijn gezonden, beschikken over een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of slechts schaars voorhanden is, en gedurende meer dan twee derde van de 24 maanden voorafgaand aan de tewerkstelling op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens hebben gewoond (art. 10e UBLB 1965). Deze 150-kilometergrens sluit met name grensforensen uit de buurlanden uit. Voor uitgezonden werknemers geldt een aparte, functiegebonden definitie: het gaat onder meer om werknemers die worden uitgezonden voor een ambassadefunctie, voor werkzaamheden in het Caribisch deel van het Koninkrijk, voor militaire dienst buiten het Koninkrijk, naar bij ministeriële regeling aangewezen regio's, of voor wetenschappelijk onderzoek of onderwijs (art. 10e UBLB 1965).

Specifieke deskundigheid: de salarisnorm

De specifieke deskundigheid wordt getoetst via een salarisnorm (art. 10eb UBLB 1965): het loon op jaarbasis moet boven een bepaalde grens uitkomen. Voor werknemers met een Nederlandse, of daarmee gelijk te stellen, mastergraad die jonger zijn dan 30 jaar geldt een verlaagde norm. Wetenschappelijk onderzoekers bij daarvoor aangewezen instellingen en artsen in opleiding tot specialist zijn van de salarisnorm uitgezonderd. De bedragen worden jaarlijks bij ministeriële regeling geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor. Zakt het jaarloon van een werknemer onder de, eventueel verlaagde, norm, dan vervalt de kwalificatie als specifiek deskundig en daarmee de basis voor verdere toepassing van de bewijsregel.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Bewijsregel (percentage van het loon)ten hoogste 30% (2026; instroom vanaf 2024 daalt naar 27% per 1 januari 2027)art. 31a lid 8 en lid 9 Wet LB 1964
Salarisnorm specifieke deskundigheid€ 48.013 op jaarbasis (2026)art. 10eb UBLB 1965
Verlaagde salarisnorm (mastergraad, jonger dan 30 jaar)€ 36.497 op jaarbasis (2026)art. 10eb UBLB 1965
150-kilometergrensmeer dan 150 km van de Nederlandse grens, gedurende meer dan 2/3 van 24 maandenart. 10e UBLB 1965
Maximale looptijd (ingekomen werknemer)5 jaar vanaf de eerste dag van tewerkstelling (sinds 2019)art. 31a lid 8 Wet LB 1964
WNT-maximum voor het forfaitten hoogste 30% van de maximale bezoldiging van art. 2.3 WNT, naar tijdsgelang herrekendart. 31a lid 8 Wet LB 1964

(wettekst geldend per 2026)

De bewijsregel: percentage, schoolgelden en het WNT-maximum

Is aan de voorwaarden voldaan, dan mag de inhoudingsplichtige een deel van het loon, ten hoogste 30% van het daarvoor aan te wijzen gedeelte, zonder nader bewijs aanmerken als vergoeding voor extraterritoriale kosten (art. 31a lid 8 Wet LB 1964); voor uitgezonden werknemers geldt een vergelijkbaar percentage van ten hoogste 30% (art. 31a lid 9 Wet LB 1964). Daarnaast kent de wet een afzonderlijke faciliteit voor schoolgelden: naast het percentage van het loon mag ook het bedrag van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen schoolgelden onbelast worden vergoed; die schoolgeldvergoeding valt buiten het percentage en telt daar niet in mee. Op het via de bewijsregel vrijgestelde bedrag zit een aanvullend maximum: per werknemer wordt, naast de schoolgelden, ten hoogste 30% van de maximale bezoldiging van art. 2.3 Wet normering topinkomens in aanmerking genomen, naar tijdsgelang herrekend als de regeling niet het gehele kalenderjaar wordt toegepast. Voor werknemers bij wie de bewijsregel al vóór 2024 werd toegepast, blijft dit percentage van 30% gelden voor de resterende looptijd van de beschikking; voor de overige gevallen, instroom vanaf 2024, daalt het naar ten hoogste 27% per 1 januari 2027.

Aanvraag, beschikking en jaarlijkse keuze

Toepassing van de bewijsregel vergt een gezamenlijk verzoek van werkgever en werknemer bij de inspecteur (art. 10ei UBLB 1965); de regeling werkt dus niet van rechtswege. Wordt het verzoek gedaan binnen vier maanden na aanvang van de tewerkstelling als extraterritoriale werknemer, dan werkt de beschikking van de inspecteur terug tot en met de aanvang van die tewerkstelling; bij overschrijding van die termijn werkt de beschikking pas vanaf een later tijdstip. Een beleidsbesluit over de 30%-regeling verduidelijkt dat een onvolledig maar door beide partijen ondertekend verzoek al geldt als een geldig pro-formaverzoek, en dat de werkgever vooruitlopend op de afgifte van de beschikking de bewijsregel al mag toepassen. Is de beschikking eenmaal afgegeven, dan is toepassing per kalenderjaar niet automatisch: de inhoudingsplichtige moet voor het eerste loontijdvak van elk kalenderjaar waarin de werknemer aan de voorwaarden voldoet, kiezen of hij de bewijsregel toepast (art. 31a lid 17 Wet LB 1964); die keuze geldt vervolgens voor het gehele kalenderjaar zolang de werknemer aan de voorwaarden blijft voldoen, en kan niet via een correctiebericht worden herzien. Bij een verzoek binnen de eerste vier maanden van de tewerkstelling geldt een afwijkend eerste keuzemoment: dan wordt de keuze voor het eerst gemaakt over het eerstvolgende loontijdvak na afloop van die vier maanden (art. 31a lid 18 Wet LB 1964). Ontbreekt voor een tijdvak een geldige beschikking, dan vindt de bewijsregel voor dat tijdvak geen toepassing, ook niet wanneer voor een eerdere periode al wel een beschikking was afgegeven die inmiddels onherroepelijk is verstreken (ECLI:NL:HR:2026:124).

Looptijd: vijf jaar, verminderingen en de verkorting van 2019

De maximale looptijd voor een ingekomen werknemer bedraagt sinds 1 januari 2019 vijf jaar, verkort vanaf de eerdere maximale duur van acht jaar; deze verkorting werkt ook door in beschikkingen die vóór de wetswijziging met een langere looptijd waren afgegeven. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in een reeks zaken dat de verkorting doorwerkt in eerder afgegeven beschikkingen (ECLI:NL:GHAMS:2024:3557, ECLI:NL:GHAMS:2024:3558 en ECLI:NL:GHAMS:2024:3559), en bevestigde dat een in 2017 afgegeven beschikking door de wetswijziging is verkort zodat deze niet meer geldt in de betreffende tijdvakken, zonder dat de inspecteur de beschikking hoefde te wijzigen of in te trekken (ECLI:NL:GHAMS:2025:1998). De Hoge Raad bevestigde deze uitkomst: de verkorting van de maximale looptijd is niet in strijd met algemene rechtsbeginselen of verdragsrecht, ook niet wanneer eerder al een beschikking met een langere looptijd was afgegeven (ECLI:NL:HR:2026:123). Voor uitgezonden werknemers noemt de wettekst zelf geen maximale looptijd van vijf jaar; die looptijd loopt gelijk aan de duur van de uitzending (art. 10ec UBLB 1965). De looptijd van vijf jaar is bovendien geen vast gegeven vanaf nul: is de werknemer eerder in Nederland tewerkgesteld geweest of heeft hij eerder in Nederland verbleven, dan wordt de looptijd daarmee verminderd (art. 10ef UBLB 1965), zodat een werknemer die kort geleden nog in Nederland woonde of werkte niet alsnog de volledige looptijd van vijf jaar krijgt toegekend.

Reikwijdte en doorwerking naar andere regelingen

Voor de gerichte vrijstelling van extraterritoriale kosten in de inkomstenbelasting (art. 3.84 lid 2 Wet IB 2001) geldt een spiegelbeeldsituatie voor werknemers zonder Nederlandse inhoudingsplichtige werkgever: de Hoge Raad oordeelde dat dan kan worden volstaan met een onderzoek naar de werkelijke kosten dat door de werknemer zelf is gedaan, zonder dat de werkgever daarbij betrokken hoeft te zijn (ECLI:NL:HR:2025:1236). De vergoeding van extraterritoriale kosten telt bovendien mee bij de toetsing van andere, aan het loon gekoppelde regelingen: voor de berekening van het toetsloon bij de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding (art. 32bb Wet LB 1964) telt ook de vrijgestelde extraterritoriale-kostenvergoeding onder de 30%-regeling mee (ECLI:NL:HR:2025:508). Sinds 1 januari 2025 is de partiële buitenlandse belastingplicht voor werknemers met een 30%-beschikking afgeschaft, met overgangsrecht tot en met 2026 voor wie de regeling uiterlijk in 2023 toepaste. Dat raakt de bredere vraag naar de fiscale behandeling van grensoverschrijdend werken, waarbinnen de 30%-regeling een specifieke bewijsregel voor extraterritoriale kosten vormt; voor de woonplaatsbepaling van de werknemer zelf, bijvoorbeeld bij een buitenlandse formele werkgever, zie het thema fiscale woonplaats.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De looptijd van vijf jaar is geen garantie: een oudere beschikking met een langere oorspronkelijke duur wordt door een latere wetswijziging alsnog verkort, en de looptijd kan al bij aanvang korter uitvallen wanneer de werknemer eerder in Nederland heeft gewerkt of verbleven (art. 10ef UBLB 1965).
  • De aanvraagtermijn van vier maanden is een harde knip: alleen bij tijdige indiening werkt de beschikking terug tot de aanvang van de tewerkstelling; bij late indiening gaat looptijd verloren zonder dat de maximale duur van vijf jaar wordt verlengd.
  • Het jaarlijkse keuzemoment van art. 31a lid 17 Wet LB 1964 is dwingend: de keuze geldt voor het gehele kalenderjaar en kan niet tussentijds via een correctiebericht worden herzien.
  • Uitgaven van levensonderhoud en gesprekskosten voor privédoeleinden blijven uitgezonderd voor zover de vergoeding ziet op de periode waarin de werknemer in Nederland arbeid verricht dan wel in Nederland verblijft en in een ander land arbeid verricht: een makkelijk over het hoofd geziene beperking bij hybride werkpatronen.
  • Ontbreekt voor een tijdvak een geldige beschikking, dan vindt de bewijsregel voor dat tijdvak geen toepassing, ook al was voor een eerdere periode wel een beschikking afgegeven.
  • Waar de werkgever zelf niet inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting, kan de onderbouwing van de werkelijke extraterritoriale kosten in de inkomstenbelasting ook door de werknemer zelf worden verzorgd.

Recente ontwikkelingen

  • 1 januari 2019: de maximale looptijd van de bewijsregel wordt verkort van acht naar vijf jaar (art. 31a lid 8 Wet LB 1964), een wijziging die ook doorwerkt in vóór die datum afgegeven beschikkingen met een langere looptijd.
  • 10 april 2024: kennisgroepstandpunt KG:041:2024:12 over het jaarlijkse keuzemoment: de keuze voor de expatregeling wordt gemaakt in het eerste loontijdvak van elk jaar en kan niet via een correctiebericht worden herzien.
  • 17 april 2024: kennisgroepstandpunt KG:041:2024:11 over de overgangsregelingen bij de wijziging van de expatregeling (2024-2025): beslissend is dat een vergoeding waarop art. 31a lid 8 Wet LB 1964 van toepassing was, daadwerkelijk in de desbetreffende overgangsperiode is genoten.
  • 3 december 2024: het Gerechtshof Amsterdam oordeelt in een reeks zaken dat de verkorting van de looptijd van acht naar vijf jaar doorwerkt in eerder afgegeven beschikkingen (ECLI:NL:GHAMS:2024:3557, ECLI:NL:GHAMS:2024:3558 en ECLI:NL:GHAMS:2024:3559).
  • 1 januari 2025: de partiële buitenlandse belastingplicht voor werknemers met een 30%-beschikking wordt afgeschaft, met overgangsrecht tot en met 2026 voor wie de regeling uiterlijk in 2023 toepaste.
  • 4 april 2025: de Hoge Raad oordeelt dat voor de berekening van het toetsloon bij de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding ook de vrijgestelde extraterritoriale-kostenvergoeding onder de 30%-regeling meetelt (ECLI:NL:HR:2025:508).
  • 22 juli 2025: het Gerechtshof Amsterdam bevestigt dat de geldigheidsduur van een in 2017 afgegeven beschikking door de wetswijziging is verkort, zonder dat de inspecteur de beschikking hoefde te wijzigen of in te trekken (ECLI:NL:GHAMS:2025:1998).
  • 5 september 2025: de Hoge Raad oordeelt dat voor de gerichte vrijstelling van extraterritoriale kosten in de inkomstenbelasting kan worden volstaan met een onderzoek naar de werkelijke kosten door de werknemer zelf, zonder dat de werkgever daarbij betrokken hoeft te zijn (ECLI:NL:HR:2025:1236).
  • 13 februari 2026: de Hoge Raad oordeelt dat de verkorting van de maximale looptijd niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen of verdragsrecht (ECLI:NL:HR:2026:123), en dat de bewijsregel geen toepassing kan vinden wanneer voor het betreffende tijdvak geen beschikking is afgegeven nadat een eerdere beschikking is verstreken (ECLI:NL:HR:2026:124).
  • 1 januari 2027: het percentage van de bewijsregel voor instroom vanaf 2024 daalt naar ten hoogste 27%; wie de regeling al vóór 2024 toepaste, behoudt onder overgangsrecht gedurende de resterende looptijd van de beschikking het percentage van 30%.

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 142 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.