Loonbelasting

30%-regeling

Bijgewerkt op 19 juli 2026

De 30%-regeling is de gangbare aanduiding voor de bewijsregel in art. 31a lid 8 en lid 9 Wet LB 1964, die inhoudingsplichtigen toestaat een vast gedeelte van het loon van bepaalde ingekomen of uitgezonden werknemers zonder nader bewijs aan te merken als vergoeding voor extraterritoriale kosten. De regeling is een uitwerking van de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten van art. 31a lid 2, onderdeel e, Wet LB 1964, en functioneert binnen het bredere stelsel van eindheffingsbestanddelen van art. 31 Wet LB 1964.

Zonder deze bewijsregel zou een inhoudingsplichtige voor elke vergoeding van extraterritoriale kosten afzonderlijk moeten onderbouwen dat en tot welk bedrag daadwerkelijk extra kosten zijn gemaakt. De 30%-regeling voorkomt die bewijslast door, onder de bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, een forfaitair percentage van het loon zonder meer als onbelaste kostenvergoeding te accepteren. Kenmerkend is dat toepassing niet automatisch is: de inhoudingsplichtige moet jaarlijks kiezen of hij de bewijsregel toepast, en die keuze werkt voor het gehele kalenderjaar door zolang aan de voorwaarden wordt voldaan.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op bij de aanstelling van werknemers die van buiten Nederland worden aangetrokken of door een Nederlandse werkgever naar het buitenland worden uitgezonden, telkens wanneer de werkgever extraterritoriale kosten wil vergoeden zonder per werknemer de werkelijke kosten te hoeven aantonen. Het speelt ook bij de jaarlijkse keuzemomenten die de wet voorschrijft, bij wijzigingen in de looptijd van een eerder afgegeven beschikking, bij de vraag of vergoedingen onder de bewijsregel meetellen voor andere loonheffingsgrondslagen (zoals de pseudo-eindheffing bij excessieve vertrekvergoedingen), en bij situaties waarin de werkgever zelf niet inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting maar toch extraterritoriale kosten wil vergoeden.

Wettelijk kader

Art. 31a lid 2, onderdeel e, Wet LB 1964 definieert extraterritoriale kosten als "extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking", met een uitdrukkelijke uitsluiting: voor zover de vergoeding of verstrekking ziet op de periode waarin de werknemer in Nederland arbeid verricht dan wel in Nederland verblijft en in een ander land arbeid verricht, worden "uitgaven van levensonderhoud" en "uitgaven voor gesprekskosten voor privédoeleinden" van de gerichte vrijstelling uitgezonderd.

De eigenlijke 30%-regeling staat in art. 31a lid 8 Wet LB 1964. Dat lid bepaalt dat voor "bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen", geldt, "onder daarbij te stellen voorwaarden", dat vergoedingen van kosten en verstrekkingen van verblijf buiten het land van herkomst "gedurende ten hoogste vijf jaar ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30% van het daarbij aan te wijzen gedeelte van het loon, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden." De wettekst zelf regelt dus niet welke groepen werknemers en welke voorwaarden dit zijn; dat is gedelegeerd aan de algemene maatregel van bestuur. Daarnaast geldt een aanvullend maximum: naast de schoolgelden wordt per werknemer "ten hoogste een bedrag aan vergoedingen en verstrekkingen in aanmerking genomen van 30% van het bedrag van de maximale bezoldiging, bedoeld in artikel 2.3 van de Wet normering topinkomens", met een naar tijdsgelang herrekening als de regeling niet het gehele kalenderjaar wordt toegepast.

Lid 9 kent een vergelijkbare regeling toe aan werknemers die door een inhoudingsplichtige vanuit Nederland naar het buitenland worden uitgezonden, eveneens "onder daarbij te stellen voorwaarden" en tot "ten hoogste 30%" van het aan te wijzen deel van het loon; op tekstniveau noemt deze bepaling, anders dan lid 8, geen maximale looptijd van vijf jaar.

Lid 17 stelt een procedurele voorwaarde: de inhoudingsplichtige moet voor het eerste loontijdvak van elk kalenderjaar waarin de werknemer aan de voorwaarden van lid 8 of lid 9 voldoet, kiezen of hij die leden toepast; die keuze geldt vervolgens voor het gehele kalenderjaar zolang de werknemer aan de voorwaarden blijft voldoen. Lid 18 kent een afwijkend eerste keuzemoment toe bij een verzoek binnen de eerste vier maanden van de tewerkstelling.

Art. 31 Wet LB 1964 vormt het bredere kader van eindheffingsbestanddelen waarbinnen art. 31a functioneert: lid 2, onderdeel c, van art. 31 bepaalt dat de verschuldigde belasting over vergoedingen als bedoeld in art. 31 lid 1, onderdelen f en g, wordt vastgesteld "aan de hand van artikel 31a".

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2026:123 (2026) dat de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen of verdragsrecht, ook niet wanneer eerder al een 30%-beschikking met een langere looptijd was afgegeven. In ECLI:NL:GHAMS:2025:1998 (2025) oordeelde het hof dat de geldigheidsduur van een in 2017 afgegeven beschikking door de wetswijziging is verkort, zodat de beschikking niet meer geldt in de betreffende tijdvakken, en dat de inspecteur die beschikking niet hoefde te wijzigen of in te trekken.

In ECLI:NL:HR:2025:1236 (2025) oordeelde de Hoge Raad dat wanneer de werkgever niet inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting, voor de gerichte vrijstelling van extraterritoriale kosten (art. 3.84 lid 2 Wet IB 2001) kan worden volstaan met een onderzoek naar de werkelijke kosten dat door de werknemer zelf is gedaan, zonder dat de werkgever daarbij betrokken hoefde te zijn. Dit arrest ziet op de inkomstenbelastingvariant van de vrijstelling, niet rechtstreeks op art. 31a, maar is relevant waar geen inhoudingsplichtige werkgever betrokken is.

ECLI:NL:HR:2025:508 (2025) ten slotte oordeelde dat voor de berekening van het toetsloon bij de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding (art. 32bb Wet LB) ook vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen meetellen, zoals extraterritoriale kosten onder de 30%-regeling.

Voor de komende jaren is al wetgeving aangenomen die de regeling versobert. Het maximale percentage gaat per 1 januari 2027 van 30% naar 27% (Belastingplan 2025); wie de regeling al vóór 2024 toepaste valt onder overgangsrecht en behoudt gedurende de resterende looptijd het 30%-percentage. Daarnaast is de partiële buitenlandse belastingplicht voor werknemers met een 30%-beschikking per 1 januari 2025 afgeschaft, met overgangsrecht tot en met 2026 voor wie de regeling uiterlijk in 2023 toepaste.

Aandachtspunten voor de praktijk

De verkorting van de looptijd van acht naar vijf jaar geldt volgens de Hoge Raad ook voor eerder afgegeven beschikkingen met een langere looptijd; een oudere beschikking biedt dus geen garantie voor de oorspronkelijk toegekende duur. Het jaarlijkse keuzemoment van lid 17 is dwingend: de keuze voor het toepassen van lid 8 of lid 9 moet bij het eerste loontijdvak van het kalenderjaar worden gemaakt. Uitgaven van levensonderhoud en gesprekskosten voor privédoeleinden zijn op grond van lid 2, onderdeel e, van de gerichte vrijstelling uitgezonderd voor zover de vergoeding of verstrekking ziet op de periode waarin de werknemer in Nederland arbeid verricht dan wel in Nederland verblijft en in een ander land arbeid verricht. Bij de toetsing of een pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding aan de orde is, telt de vrijgestelde extraterritoriale-kostenvergoeding mee in het toetsloon. Waar de werkgever zelf niet inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting, kan de onderbouwing van de werkelijke extraterritoriale kosten in de inkomstenbelasting ook door de werknemer zelf worden verzorgd.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 112 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.