Loonbelasting
Excessieve vertrekvergoedingen
Bijgewerkt op 19 juli 2026
De pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen (art. 32bb Wet LB 1964) is een heffing die de werkgever, en niet de werknemer, treft wanneer het loon van een vertrekkende werknemer in het jaar van vertrek en het jaar erna sterk uitstijgt boven het loon van de jaren daarvoor. Het bovenmatige deel wordt bij de inhoudingsplichtige belast als eindheffingsbestanddeel tegen een tarief van 75%. De regeling richt zich daarmee niet op de werknemer die de vertrekvergoeding ontvangt, maar op de werkgever die haar toekent.
De functie van de regeling is het ontmoedigen van bovenmatige gouden handdrukken, met name bij bestuurders en andere hoger betaalde werknemers wier beloning in de aanloop naar of bij het vertrek fors wordt opgehoogd. De wet werkt met een vergelijkingssystematiek: het loon in het vertrekjaar en het daaropvolgende jaar (A) en het loon in het jaar vóór vertrek (B) worden afgezet tegen een vergelijkingsloon dat is afgeleid van het toetsloon van de werknemer.
Omdat de heffing bij de werkgever wordt geheven en tegen een hoog tarief, heeft zij direct gevolgen voor de onderhandeling rond ontslag en voor de fiscale kwalificatie van beloningscomponenten die rond het vertrekmoment worden toegekend of uitgeoefend, zoals aandelenopties.
Wanneer speelt dit
Het thema komt op bij beëindiging van de dienstbetrekking van een werknemer met een toetsloon boven de wettelijke grens, doorgaans bestuurders, directieleden of andere senior werknemers. Concreet spelen vragen over art. 32bb Wet LB 1964 bij: het vaststellen van de vertrekvergoeding wanneer het loon in het vertrekjaar (en het jaar erna) hoger uitvalt dan in de referentiejaren; de behandeling van aandelenoptierechten die rond het vertrek onvoorwaardelijk worden of worden uitgeoefend; overgang van onderneming, waarbij art. 32bb Wet LB 1964 volgens een kennisgroepstandpunt niet van toepassing is omdat sprake is van een voortgezette dienstbetrekking bij de verkrijger; en grensoverschrijdende situaties met verdragstoepassing.
Wettelijk kader
Art. 32bb lid 1 Wet LB 1964 bepaalt dat een vertrekvergoeding "voor zover die vergoeding meer bedraagt dan het toetsloon" wordt aangemerkt als loon dat als eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 75%. De heffing raakt dus alleen het deel van de vergoeding dat het toetsloon te boven gaat, en wordt bij de inhoudingsplichtige (de werkgever) geheven, niet bij de werknemer.
Lid 2 stelt een drempel: de regeling is niet van toepassing "ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer bedraagt dan € 700.000". Dit bedrag wordt volgens lid 8 jaarlijks bij ministeriële regeling geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor van art. 10.2 Wet IB 2001.
Lid 3 definieert het toetsloon aan de hand van het moment waarop de dienstbetrekking is aangevangen, in vier situaties (onderdelen a tot en met d). In de onderdelen a tot en met c wordt aangesloten bij het (voor b en c op jaarbasis herleide) loon in een referentiejaar vóór het vertrek. Onderdeel d ziet op de dienstbetrekking die is aangevangen in het kalenderjaar van beëindiging zelf; het toetsloon is dan het loon dat de werknemer in dat kalenderjaar van de inhoudingsplichtige zou hebben genoten indien de dienstbetrekking aan het begin van dat kalenderjaar was aangevangen en niet in dat kalenderjaar was beëindigd.
Lid 4 werkt de vertrekvergoeding zelf uit als de som van het positieve verschil tussen het loon in het vertrekjaar plus het jaar erna (A) en het vergelijkingsloon, en het positieve verschil tussen het loon in het jaar vóór vertrek (B) en het vergelijkingsloon. Het vergelijkingsloon is in beginsel het toetsloon, naar evenredigheid verminderd voor het deel van het vertrekjaar dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan.
Lid 5 bepaalt dat bij de vaststelling van A en B ook wordt meegenomen wat aan loon uit een aandelenoptierecht zou zijn genoten als dat recht op het moment van beëindiging zou zijn uitgeoefend (niet uitgeoefend recht) respectievelijk verhandelbaar zou zijn geworden (wel uitgeoefend recht). Lid 6 bevat een tegenbewijsregeling: lid 1 is niet van toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het verschil verband houdt met loon uit een aandelenoptierecht dat al onvoorwaardelijk was toegekend vóór het jaar voorafgaand aan de beëindiging.
Lid 7 regelt het toerekeningsmoment: een vertrekvergoeding wordt geacht te zijn toegekend op het moment van beëindiging van de dienstbetrekking, of op het latere moment waarop zij als loon wordt genoten, met verrekening als op meerdere momenten wordt berekend. Lid 9 sluit samenloop uit met de pseudo-eindheffing voor bepaalde als eindheffingsbestanddeel aangemerkte bedragen van art. 32ba lid 1.
Belangrijkste rechtspraak
De Hoge Raad oordeelde in 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1463) dat de wetgever bij art. 32bb Wet LB 1964 mocht aanknopen bij loon dat al vóór de invoering van de bepaling was genoten, dat geen tegenbewijsregeling behoefde te worden opgenomen voor loonbestanddelen die geen verband houden met het vertrek, en dat dit niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM of het discriminatieverbod.
In 2025 (ECLI:NL:HR:2025:508) oordeelde de Hoge Raad dat bij de berekening van het toetsloon ook vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen meetellen, zoals extraterritoriale kosten onder de 30%-regeling.
Over de reikwijdte van de tegenbewijsregeling van lid 6 oordeelde de Hoge Raad in 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1877) dat deze uitsluitend ziet op aandelenoptierechten, en dat het ontbreken van een verband tussen de toekenning van performance shares of conversion shares en de beëindiging van de dienstbetrekking niet meebrengt dat deze buiten de grondslag van de pseudo-eindheffing blijven.
Verder besliste de Hoge Raad in 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2897) dat voor de toepassing van lid 7 niet van belang is of aan de uitoefening van een aandelenoptierecht voorwaarden zijn verbonden: ook een voorwaardelijk toegekend recht geldt als toegekend.
Aandachtspunten voor de praktijk
- De heffing treft de inhoudingsplichtige, niet de werknemer; het financiële risico van een bovenmatige beloningsophoging rond vertrek ligt daarmee bij de werkgever.
- De tegenbewijsregeling van lid 6 is beperkt tot aandelenoptierechten die al vóór het jaar voorafgaand aan de beëindiging onvoorwaardelijk waren toegekend; andere loonbestanddelen die feitelijk niets met het vertrek te maken hebben, vallen volgens de Hoge Raad toch binnen de grondslag als aan de overige voorwaarden van lid 4 is voldaan.
- Bij aandelenopties en vergelijkbare rechten (performance shares, conversion shares) moet apart worden beoordeeld of lid 5 (meetellen in A/B) en lid 7 (toerekeningsmoment) van toepassing zijn, ook als voorwaarden aan uitoefening zijn verbonden of geen aantoonbaar verband met het vertrek bestaat.
- Bij expats en andere werknemers met vrijgestelde vergoedingen of verstrekkingen moet het toetsloon worden herrekend met inbegrip van die vrijgestelde bestanddelen, zoals bevestigd voor extraterritoriale kosten onder de 30%-regeling.
- Volgens kennisgroepstandpunten is art. 32bb Wet LB 1964 niet van toepassing bij overgang van onderneming, omdat sprake is van een voortgezette dienstbetrekking bij de verkrijger; heeft Nederland geen heffingsrecht over de vertrekvergoeding van een in het buitenland wonende bestuurder omdat deze onder het arbeidsartikel (art. 16 OESO-modelverdrag) valt; geldt voor een werknemer die in het buitenland werkzaam is voor een Nederlands lichaam voor de toetsloonbepaling de objectvrijstelling op basis van het door het verdrag toegewezen loonsdeel; en geldt voor de toetsloonbepaling bij een niet in Nederland wonende bestuurder het volledige loon van art. 10 Wet LB 1964, niet alleen het Nederlandse deel.
Recente ontwikkelingen
Het arrest van april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:508) over het meetellen van vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen bij de toetsloonberekening is een recente verduidelijking die relevant is voor vertrekkende werknemers met een 30%-regeling of vergelijkbare vrijstelling.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
6 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2014:1463 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever bij de pseudo-eindheffing voor bovenmatige vertrekvergoedingen (art. 32bb Wet LB 1964) mocht aanknopen bij loon genoten vóór de invoering van die bepaling, geen tegenbewijsregeling behoefde op te nemen voor niet met het vertrek samenhangende loonbestanddelen, en dit niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM of het discriminatieverbod.
-
ECLI:NL:HR:2025:508 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de berekening van het toetsloon bij de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding (art. 32bb Wet LB) ook vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen meetellen, zoals extraterritoriale kosten onder de 30%-regeling.
-
ECLI:NL:HR:2020:1877 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 32bb, lid 6, Wet LB 1964 alleen betrekking heeft op aandelenoptierechten en dat het ontbreken van een verband tussen de toekenning van Performance Shares/Conversion Shares en de beëindiging van de dienstbetrekking niet meebrengt dat deze buiten de grondslag van de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoedingen blijven.
-
ECLI:NL:HR:2016:2897 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat voor artikel 32bb, lid 7, Wet LB 1964 niet van belang is of aan de uitoefening van een aandelenoptierecht voorwaarden zijn verbonden; ook een voorwaardelijk toegekend recht geldt als toegekend.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1688 (2022)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de naheffingsaanslag loonbelasting 2014 terecht is vernietigd omdat niet vaststond dat al belasting was geheven over de loonbestanddelen in 2013, waardoor de pseudo-eindheffing van artikel 32bd Wet LB buiten toepassing blijft.
-
ECLI:NL:HR:2020:820 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de vraag of een dienstbetrekking bestaat tussen een moedervennootschap en een werknemer de civielrechtelijke maatstaven van art. 7:610 BW gelden, en bevestigt dat de dienstbetrekking bij de moeder en niet bij de dochtermaatschappij lag.
Beleid en standpunten
6 bronnen in de kennisbank- KG:204:2024:16 (2024)
-
KG:204:2023:14 (2023)
Standpunt: Bij overgang van onderneming geldt artikel 32bb Wet LB 1964 (pseudo-eindheffing op vervroegde uittreding) niet, omdat sprake is van voortgezette dienstbetrekking bij de verkrijger.
-
KG:041:2023:15 (2023)
Standpunt: Voor bepaling toetsloon artikel 32bb Wet LB 1964 bij werknemer in buitenland werkzaam voor Nederlands lichaam geldt objectvrijstelling op basis van door verdrag toegewezen loonsdeel.
-
KG:041:2023:14 (2023)
Standpunt: Een excessieve vertrekvergoeding (artikel 32bb Wet LB 1964) aan in buitenland woonachtige bestuurder valt onder arbeidsartikel (OESO-artikel 16), waardoor Nederland geen heffingsrecht heeft. Verdragteksten bepalen nader waar heffingsrecht toekomt.
-
KG:041:2023:13 (2023)
Standpunt: Voor bepaling toetsloon artikel 32bb Wet LB bij niet in Nederland wonende bestuurder geldt volledige loon artikel 10 Wet LB 1964, niet alleen Nederlandse deel.
-
KG:003:2025:11 (2025)
Standpunt: Het fictieve reguliere voordeel van de excessieflenenregeling is niet in strijd met artikel 1 EP EVRM; de wetgever blijft binnen zijn beoordelingsmarge en de inmenging in eigendom is gerechtvaardigd.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.