Loonbelasting
RVU en pseudo-eindheffing
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De regeling voor vervroegde uittreding (RVU) ziet op regelingen waarmee een werkgever oudere werknemers voorafgaand aan hun pensioen of AOW-leeftijd laat uittreden met een overbruggingsuitkering. Art. 32ba Wet LB 1964 treft zulke regelingen met een pseudo-eindheffing bij de werkgever, los van de gewone loonbelasting die de werknemer eventueel over de uitkering zelf verschuldigd is, om te voorkomen dat de oude VUT-praktijk in een nieuw jasje wordt voortgezet. Het leerstuk is functioneel bedoeld: het voorkomt dat een vervroegde-uittredingsregeling wordt vormgegeven als een andere beloningscomponent, zoals een ontslagvergoeding of een sociaal plan, terwijl zij materieel dezelfde overbruggingsfunctie vervult als een klassieke VUT-regeling. De toets is niet vormgebonden: bepalend is of de regeling naar doel en objectieve kenmerken de periode tot pensioen of AOW overbrugt, ongeacht hoe partijen haar noemen. Binnen dit kader zijn twee lagen te onderscheiden: de hoofdregel van lid 1 belast elke kwalificerende regeling met pseudo-eindheffing, terwijl de drempelvrijstelling van lid 7 beperkte overbruggingsuitkeringen kort vóór de AOW-leeftijd daarvan uitzondert.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer kwalificeert een regeling als regeling voor vervroegde uittreding in de zin van art. 32ba lid 6 Wet LB 1964?
- Welke regelingen zijn uitgezonderd, en wat is het gevolg van kwalificatie voor de werkgever?
- Hoe werkt de drempelvrijstelling voor uitkeringen kort vóór de AOW-leeftijd?
- Wat gebeurt er als een RVU-aanspraak van karakter wijzigt, wordt afgekocht of vervreemd?
- Hoe vraagt een inhoudingsplichtige vooraf zekerheid over de kwalificatie?
Wanneer speelt dit
Het thema komt op bij het opstellen of beoordelen van sociale plannen en individuele vertrekregelingen voor werknemers tegen het einde van hun loopbaan, bij cao-afspraken die ouderen de mogelijkheid bieden eerder te stoppen, bij generatiepactregelingen, en bij de vraag of een non-activiteitsregeling voor 57-plussers als RVU moet worden aangemerkt. Ook bij de afkoop of vervreemding van een reeds bestaande aanspraak ingevolge zo'n regeling speelt de RVU-toets, evenals bij de vraag of een inhoudingsplichtige voorafgaand aan invoering van een regeling zekerheid wil vragen aan de inspecteur. Voor de praktijk is dit een terugkerend aandachtspunt bij afvloeiingsregelingen, sociale plannen en cao-afspraken over eerder stoppen met werken: telkens moet worden beoordeeld of de vormgeving toch als RVU kwalificeert, met een aanmerkelijke heffing bij de werkgever tot gevolg.
Kwalificatie: wanneer is een regeling een RVU
Een regeling, of een gedeelte van een regeling, is een regeling voor vervroegde uittreding als zij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van pensioen- of AOW-uitkeringen te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van die periode, dan wel tot aanvulling van pensioenuitkeringen (art. 32ba lid 6, eerste zin, Wet LB 1964). Uitgezonderd zijn een pensioenovereenkomst in de zin van de Pensioenwet, een beroepspensioenregeling onder de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en een pensioenregeling onder hoofdstuk IIB of hoofdstuk VIII Wet LB 1964 (lid 6, tweede zin): deze vallen al onder het reguliere pensioenkader. Kwalificatie vergt aldus twee stappen: eerst wordt getoetst of de regeling het overbruggings- of aanvullingsdoel van de eerste zin heeft, vervolgens of zij niet onder een van de uitgezonderde regelingen van de tweede zin valt.
Bij de beoordeling of een regeling een RVU is, moet worden aangeknoopt bij de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling zelf, niet bij de achteraf gebleken feitelijke uitstroom van werknemers of de feitelijk overeengekomen vergoedingen (ECLI:NL:HR:2018:958). Een regeling hoeft niet expliciet "vervroegde uittreding" te heten om te kwalificeren: non-activiteitsverlof voor werknemers van 57 jaar of ouder met een uitkering tot de pensioen- of AOW-leeftijd is eerder als RVU aangemerkt (ECLI:NL:HR:2016:827).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Pseudo-eindheffingstarief | 57,7% (2026) | art. 32ba lid 1 Wet LB 1964 |
| Maximale periode drempelvrijstelling | 36 maanden vóór de AOW-leeftijd | art. 32ba lid 7 Wet LB 1964 |
| Drempelbedrag per maand (basis, jaarlijks geïndexeerd) | € 2.657 (2026) | art. 32ba lid 7-9 Wet LB 1964 |
(wettekst geldend per 2026)
Gevolg van kwalificatie: pseudo-eindheffing en fictiebepaling
Kwalificeert een regeling als RVU, dan is de inhoudingsplichtige, doorgaans de werkgever, of het fonds of de verzekeraar dat de regeling uitvoert, 57,7% pseudo-eindheffing verschuldigd over de op hem drukkende uitkering, bijdrage of premie, als eindheffingsbestanddeel los van de gewone loonbelasting bij de werknemer (art. 32ba lid 1 Wet LB 1964). De bepaling wijkt daarmee in zoverre af van de gewone systematiek van de wet: de heffing loopt via de werkgever, niet via de werknemer. Een uitkering, bijdrage of premie wordt daarbij geacht te zijn gedaan of voldaan op het tijdstip waarop zij is betaald of verrekend, ter beschikking is gesteld, of rentedragend is geworden (lid 2). Een bedrag drukt niet op de inhoudingsplichtige voor zover deze ter zake bedragen van werknemers heeft ingehouden of van andere inhoudingsplichtigen vergoed heeft gekregen (lid 3); doorbelaste of door de werknemer zelf gedragen bedragen blijven zo buiten de heffing bij de werkgever.
Wijzigt een RVU-aanspraak op enig moment van karakter, doordat zij niet langer als zodanig is aan te merken, of wordt zij afgekocht of vervreemd, dan geldt een fictiebepaling: onmiddellijk daaraan voorafgaand wordt de aanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking bij de werknemer of gewezen werknemer, gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer met als minimum het bij afkoop of vervreemding genoten bedrag (lid 4). De uitvoerder van de regeling wordt daarbij geacht op datzelfde moment een RVU-uitkering ter grootte van die waarde te hebben gedaan, zodat ook over deze fictieve uitkering pseudo-eindheffing verschuldigd is (lid 5).
Drempelvrijstelling en indexatie
Uitkeringen in de laatste 36 maanden vóór de AOW-leeftijd blijven buiten de RVU-kwalificatie voor zover zij in totaal niet hoger zijn dan € 2.657 vermenigvuldigd met het naar boven afgeronde aantal maanden tussen de eerste uitkering in die periode en het bereiken van de AOW-leeftijd; alle RVU-regelingen van dezelfde werkgever worden daarbij samengevoegd (lid 7). Het bedrag van € 2.657 wordt bij het begin van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen: eerst gekoppeld aan het netto-ouderdomspensioen per maand vermeerderd met € 300 (lid 8), en in latere jaren verder aangepast met de contractloonontwikkelingsfactor van art. 10.2b lid 2 Wet IB 2001 (lid 9); is in het voorafgaande jaar al afgerond, dan mag bij die volgende vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. Voor al verstreken kalendermaanden werkt een aanpassing niet terug. Wordt het geïndexeerde maandbedrag overschreden, dan volgt heffing over het meerdere, niet over de gehele uitkering. Deze drempelvrijstelling was aanvankelijk een tijdelijke maatregel en is per 2026 structureel gemaakt; daar staat een oplopend eindheffingstarief tegenover, 57,7% in 2026 en in latere jaren verder oplopend, met een voorziene periodieke evaluatie van de regeling (Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 3).
Procedure: vooraf zekerheid en afdracht
De pseudo-eindheffing wordt niet aangevraagd; zij treedt automatisch op zodra een regeling aan de definitie van lid 6 voldoet. Wel kan de inhoudingsplichtige vooraf zekerheid vragen: op verzoek beslist de inspecteur bij een voor bezwaar vatbare beschikking of een regeling een RVU is (lid 10). Dat verzoek moet worden gedaan vóórdat de regeling, of een wijziging daarvan, wordt ingevoerd; achteraf zekerheid vragen kan niet via deze weg. Omdat het om een voor bezwaar vatbare beschikking gaat, staat tegen het antwoord van de inspecteur bezwaar en vervolgens beroep open. Bij ministeriële regeling kunnen daarnaast nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het gehele artikel (lid 11). De heffing is verschuldigd over het loontijdvak waarin de werknemer de uitkering geniet; is de loonaangifte over dat tijdvak al ingediend, dan moet deze zo nodig via naheffing of correctie worden hersteld.
Reikwijdte: wat valt wel en wat niet onder de RVU
Onder de RVU vallen regelingen die naar hun objectieve kenmerken overbrugging naar pensioen of AOW beogen, ongeacht de gekozen benaming: een non-activiteitsregeling, een sociaal plan of een individuele vertrekregeling kan evengoed kwalificeren als een regeling die expliciet "vervroegde uittreding" heet. Buiten het bereik vallen, naast de pensioenovereenkomst, beroepspensioenregeling en pensioenregeling van lid 6, het niet-drukkende deel van lid 3 en de uitkeringen binnen de drempelvrijstelling van lid 7. Een verplichte werknemersbijdrage aan een cao-RVU-regeling komt ten laste van het brutoloon en vormt loonheffingsrechtelijk negatief loon, wat meespeelt bij de vraag wat nog op de werkgever drukt.
Voor fondsen en verzekeraars die een RVU-regeling uitvoeren, kan de regeling kwalificeren voor de vrijstelling van art. 5 lid 1 onderdeel b Wet Vpb 1969, mits het winstbestemmingsvereiste van die bepaling volledig wordt nageleefd. Bij een (getemporiseerde) verhoging van de AOW-leeftijd kan de looptijd van een bestaand overbruggingspensioen of prepensioen wijzigen; een beleidsbesluit van het Ministerie van Financiën voorziet in een goedkeuring voor zulke looptijdaanpassingen.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij het vormgeven van sociale plannen en individuele regelingen voor oudere werknemers is de toetsing aan objectieve kenmerken en doelstelling leidend, niet de bedoeling van partijen of de latere feitelijke uitstroom.
- De drempelvrijstelling van lid 7 vergt samentelling van alle RVU-regelingen bij dezelfde werkgever; overschrijding van het geïndexeerde maandbedrag leidt tot heffing over het meerdere, niet over het geheel.
- Bij het drukken-vereiste van lid 3 telt met name de verplichte werknemersbijdrage aan een cao-RVU-regeling, die ten laste van het brutoloon komt en loonheffingsrechtelijk negatief loon vormt.
- Bij belangen rond de grens van de drempelvrijstelling, of bij twijfel over de kwalificatie van een nieuwe of gewijzigde regeling, ligt de vooraf-beschikking van lid 10 voor de hand; dat verzoek moet vóór invoering of wijziging van de regeling zijn gedaan.
- Fondsen en verzekeraars die een RVU-regeling uitvoeren, moeten voor de vrijstelling van art. 5 lid 1 onderdeel b Wet Vpb 1969 het winstbestemmingsvereiste volledig naleven.
Recente ontwikkelingen
- HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:827: non-activiteitsverlof voor werknemers van 57 jaar of ouder met een uitkering tot de pensioen- of AOW-leeftijd is aangemerkt als regeling voor vervroegde uittreding in de zin van art. 32ba lid 6 Wet LB 1964.
- HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:958: de RVU-kwalificatie wordt beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling, niet aan de hand van de achteraf gebleken feitelijke uitstroom of overeengekomen vergoedingen.
- Kennisgroep Belastingdienst, KG:204:2022:32 (12 september 2022): de RVU-eindheffing is verschuldigd over het loontijdvak waarin de werknemer de uitkering geniet; de werkgever corrigeert de loonaangifte over dat tijdvak zo nodig.
- Kennisgroep Belastingdienst, KG:204:2022:33 (12 september 2022): een verplichte werknemersbijdrage aan een cao-RVU-regeling komt ten laste van het brutoloon en vormt loonheffingsrechtelijk negatief loon.
- Ministerie van Financiën, beleidsbesluit AOW-leeftijdverhoging: goedkeuring voor aanpassing van de looptijd van overbruggingspensioenen en prepensioenen bij een (getemporiseerde) verhoging van de AOW-leeftijd.
- Kennisgroep Belastingdienst, KG:211:2024:8 (24 april 2024): een RVU-regeling kwalificeert als regeling in de zin van art. 5 lid 1 onderdeel b Wet Vpb 1969, mits het winstbestemmingsvereiste volledig wordt nageleefd.
- Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 3 en nr. 16 (Belastingplan 2026): de drempelvrijstelling van lid 7 wordt structureel gemaakt.
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
2 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2016:827 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat een regeling die werknemers van 57 jaar of ouder non-activiteitsverlof verleent met een uitkering tot het bereiken van de pensioen- of AOW-leeftijd, terecht is aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van artikel 32ba, lid 6, Wet LB 1964.
-
ECLI:NL:HR:2018:958 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat bij de beoordeling of een regeling een regeling voor vervroegde uittreding (RVU) is, moet worden aangeknoopt bij de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling en niet bij de achteraf gebleken feitelijke uitstroom van werknemers of de feitelijk overeengekomen vergoedingen.
Beleid en standpunten
6 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 36812 nr. 3
-
KG:211:2024:8 (2024)
Standpunt: Een Regeling voor Vervroegde Uittreding kwalificeert als regeling in de zin van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969. Het winstbestemmingsvereiste moet echter wel volledig worden nageleefd.
-
KG:204:2022:33 (2022)
Standpunt: Een verplichte werknemerbijdrage aan een cao-regeling voor vervroegde uittreding komt ten laste van het brutoloon en vormt loonheffingsrechtelijk negatief loon.
- Kamerstuk 36812 nr. 16
-
Besluit BWBR0046972
Goedkeuring inzake aanpassing looptijd pensioenen door AOW-leeftijdverhoging. Het besluit geeft voorwaarden voor aanpassingen van overbruggingspensioenen en prepensioenen naar aanleiding van AOW-leeftijdswijzigingen.
-
KG:204:2022:32 (2022)
Standpunt: RVU-eindheffing is verschuldigd over het loontijdvak waarin de werknemer de uitkering geniet; de werkgever dient de loonaangifte over dat tijdvak zo nodig te corrigeren.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.