Loonbelasting
Inhoudingsplicht voor de loonheffingen
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De inhoudingsplicht is het scharnierpunt van het loonbelastingsysteem: de wet heft loonbelasting niet rechtstreeks bij de werknemer, maar via een tussenpersoon die het loon uitbetaalt. Pas wanneer vaststaat wie inhoudingsplichtige is, kan worden bepaald wie moet inhouden, aangifte doen en afdragen, en wie het risico van naheffing draagt als dat ten onrechte niet gebeurt. De wet knoopt het begrip aan het bestaan van een dienstbetrekking, maar breidt dat uit met fictieve dienstbetrekkingen en aangewezen categorieën om te voorkomen dat betalingen buiten het heffingssysteem vallen omdat een formele werkgever in Nederland ontbreekt.
Dit thema beantwoordt:
- Wie is hoofdregel-inhoudingsplichtige op grond van art. 6 lid 1 Wet LB 1964, en welke arbeidsverhoudingen merkt de wet fictief als dienstbetrekking aan?
- Wanneer is een buitenlandse werkgever in Nederland inhoudingsplichtig?
- In welke gevallen verschuift de inhoudingsplicht van de werkgever naar een verzekeraar of een andere aangewezen partij?
- Hoe kan een grensoverschrijdend concern één concernonderdeel als inhoudingsplichtige laten aanwijzen?
- Wat betekent het voor de werknemer als een inhoudingsplichtige werkgever ontbreekt?
Wie is inhoudingsplichtige: de hoofdregel
Art. 6 lid 1 Wet LB 1964 wijst drie categorieën aan als inhoudingsplichtige: degene tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan (onderdeel a, de gewone werkgever), degene die loon uit een vroegere dienstbetrekking verstrekt, ook na afloop van het dienstverband (onderdeel b), en degene die uitkeringen of verstrekkingen doet uit hoofde van een aanspraak die niet tot het loon behoorde, bijvoorbeeld bij de uitkering van een eerder onbelast opgebouwde pensioenaanspraak (onderdeel c).
Het begrip dienstbetrekking is ruimer dan de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Art. 3 Wet LB 1964 merkt onder meer de aanneming van werk buiten bedrijfs- of beroepsuitoefening, bemiddelaars die tegen beloning en overwegend voor één opdrachtgever bemiddelen, degene die werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, het meewerkende kind van 15 jaar of ouder in de onderneming van de ouder, en de coöperatie- of vennootschapsbestuurder fictief als dienstbetrekking aan. Art. 4 Wet LB 1964 voegt daar onder meer de thuiswerker, de topsporter en arbeid ten behoeve van een lichaam waarin de belastingplichtige of diens partner een aanmerkelijk belang heeft aan toe; onderdeel f opent daarnaast een opting-in-route waarmee partijen een arbeidsverhouding bij gezamenlijke verklaring aan de inspecteur alsnog vrijwillig onder het loonbelastingregime kunnen brengen. Zodra een arbeidsverhouding zo als dienstbetrekking geldt, is de wederpartij daarbij in beginsel inhoudingsplichtige via art. 6 lid 1 onderdeel a Wet LB 1964.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Noordzee-vasteinrichtingfictie (aaneengesloten periode) | ten minste 30 dagen | art. 6 lid 3 onderdeel b Wet LB 1964 |
| Leeftijdsgrens meewerkend kind (fictieve dienstbetrekking) | 15 jaar of ouder | art. 3 Wet LB 1964 |
(wettekst geldend per 2026)
Buitenlandse werkgevers: vaste inrichting of loonadministratie in Nederland
Voor wie niet in Nederland woont of is gevestigd, geldt een aanvullende, beperkende toets (art. 6 lid 2 Wet LB 1964): inhoudingsplicht ontstaat alleen als een vaste inrichting in Nederland voor de uitoefening van bedrijf, beroep of andere bezigheid bestaat, of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger (onderdeel a), dan wel cumulatief bij personeel wiens loon aan de Nederlandse inkomstenbelasting is onderworpen, loonadministratie die in Nederland wordt gehouden, én een melding als inhoudingsplichtige bij de inspecteur (onderdeel b). De twee routes staan naast elkaar: één van beide volstaat, maar onderdeel b vereist dat alle drie de genoemde elementen tegelijk aanwezig zijn.
Voor de invulling van vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in onderdeel a sluit art. 6 lid 3 onderdeel a Wet LB 1964 aan bij art. 3 leden 4 tot en met 12 Wet Vpb 1969; zie voor de kwalificatie van een vaste inrichting zelf het thema vaste inrichting en objectvrijstelling. Daarnaast gelden twee eigen ficties: werkzaamheden op het Noordzeewinningsgebied gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen vestigen eveneens een vaste inrichting (onderdeel b), evenals tussenkomstwerkzaamheden ten behoeve van personen die tegen beloning persoonlijke arbeid in Nederland verrichten voor een derde (onderdeel c). Diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers van andere mogendheden, de hun toegevoegde ambtenaren en bij ministeriële regeling aangewezen internationale organisaties en hun vertegenwoordigers worden nooit als inhoudingsplichtige aangemerkt (art. 6 lid 4 Wet LB 1964).
Verlegging van de inhoudingsplicht
Twee bepalingen verleggen de inhoudingsplicht naar een andere partij dan de gewone werkgever. Vindt art. 19b Wet LB 1964 toepassing, dan is voor de aanspraak die daardoor als loon wordt aangemerkt niet de werkgever maar de verzekeraar van die aanspraak inhoudingsplichtige (art. 6 lid 5 Wet LB 1964). Die verlegging werkt alleen als de aangesproken partij ook daadwerkelijk als verzekeraar kwalificeert: kwalificeerde een afzonderlijke stichting daarvoor niet, dan bleef de werkgever op grond van art. 6 lid 1 Wet LB 1964 inhoudingsplichtig voor de nageheven pensioenaanspraken (ECLI:NL:GHAMS:2021:1144). Daarnaast kan bij ministeriële regeling een ander dan de partij van art. 6 of art. 7 Wet LB 1964 worden aangewezen als inhoudingsplichtige voor drie categorieën: bemiddelaars die tegen beloning geregeld bemiddelen bij het tot stand komen van overeenkomsten tussen te bezoeken personen en een opdrachtgever, degene die een thuiswerker als hulp bijstaat, en de beroepsbeoefenaar van een tak van sport (art. 8 Wet LB 1964).
Voor grensoverschrijdende concerns voorziet art. 6 lid 6 Wet LB 1964 in een keuzeregeling: een in Nederland gevestigd concernonderdeel kan samen met een niet in Nederland gevestigd concernonderdeel dat op grond van lid 2 of lid 3 inhoudingsplichtige is, de inspecteur gezamenlijk verzoeken om bij beschikking te worden aangewezen als inhoudingsplichtige voor de werknemers van dat buitenlandse onderdeel. De inspecteur kan daaraan voorwaarden verbinden; aanwijzing, wijziging en intrekking gebeuren steeds bij een voor bezwaar vatbare beschikking. De wet noemt geen termijn voor het verzoek of de beslissing daarop.
Gevolg van kwalificatie: inhouding en afdracht
Zodra vaststaat wie inhoudingsplichtige is, volgt uit art. 27 Wet LB 1964 de handelingsverplichting: de belasting wordt geheven door inhouding op het loon (lid 1), op het tijdstip waarop het loon wordt genoten (lid 2), volgens de op dat moment geldende loonbelastingtabel (lid 3), en de in een tijdvak ingehouden belasting wordt op aangifte afgedragen (lid 5). De loonbelasting is dus een aangiftebelasting: de inhoudingsplichtige berekent, houdt in en draagt zelf af, zonder voorafgaande aanslag. Blijft dat ten onrechte achterwege, dan loopt de naheffing via de inhoudingsplichtige, niet via de werknemer.
Het kwalificatievraagstuk blijft ook spelen als de inhoudingsplichtige er niet meer is. Er bestaat geen wettelijke basis om een rechtspersoon die op het inhoudingstijdstip niet meer bestaat en geen personeel meer in dienst heeft, alsnog als inhoudingsplichtige voor de crisisheffing (destijds art. 32bd Wet LB 1964) aan te merken: zonder rechtspersoon en zonder personeel is er niemand meer tot wie een dienstbetrekking bestaat (ECLI:NL:HR:2018:2308). Omgekeerd schaadt het ontbreken van een inhoudingsplichtige werkgever de werknemer zelf niet: voor de gerichte vrijstelling van extraterritoriale kosten (art. 3.84 lid 2 Wet IB 2001) volstaat dan een onderzoek naar de werkelijke kosten door de werknemer zelf, zonder dat de werkgever daarbij betrokken hoeft te zijn (ECLI:NL:HR:2025:1236). Die vrijstelling loopt normaliter via de werkkostenregeling van de werkgever.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij grensoverschrijdende tewerkstelling moet steeds afzonderlijk worden getoetst of route a (vaste inrichting/vertegenwoordiger) of route b (loonadministratie in Nederland plus melding) van art. 6 lid 2 Wet LB 1964 is vervuld; voor route b ontbreekt de inhoudingsplicht al zodra een van de drie elementen niet is vervuld.
- Bij een later geconstateerde vaste inrichting wordt de inhoudings- en afdrachtplicht volgens KG:204:2022:14 niet met terugwerkende kracht gecorrigeerd: de plicht ontstaat pas vanaf het moment waarop de werkgever wist of redelijkerwijs moest weten dat de vaste-inrichtingdrempel zou worden overschreden.
- Het inhoudingsplichtige-begrip werkt door buiten de loonbelasting zelf: volgens KG:204:2022:17 is een niet in Nederland gevestigde werkgever ook geen inhoudingsplichtige voor de meldingsverplichting van art. 22a Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, tenzij hij op grond van de Wet LB 1964 wél inhoudingsplichtig is in Nederland.
- Bij postume betalingen kan de inhoudingsplicht een tijdlang bij een derde blijven liggen die niet de oorspronkelijke werkgever is: volgens KG:204:2025:4 mag een bank lijfrentetermijnen vanaf het overlijden tot de overlijdensmelding blijven behandelen als loon uit vroegere dienstbetrekking (art. 6 lid 1 onderdeel b Wet LB 1964).
- De categorieën van art. 3 en 4 Wet LB 1964 worden bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie vaak over het hoofd gezien omdat een klassieke gezagsverhouding ontbreekt; toch ontstaat daarmee wel degelijk een inhoudingsplicht bij de wederpartij.
Recente ontwikkelingen
- 2024: de verleggingsregeling voor premies werknemersverzekeringen (art. 6 lid 6 Wet LB 1964) geldt niet voor buitenlandse werkgevers die zelf geen inhoudingsplichtige zijn (KG:041:2024:5), en een werknemer zonder inhoudingsplichtige werkgever mag de gerichte vrijstelling van art. 3.84 lid 2 Wet IB 2001 zelf toepassen (KG:041:2024:16).
- 2025: het maximumpremieloon en het maximumbijdrageloon gelden bij de verleggingsregeling van art. 6 lid 6 Wet LB 1964 slechts eenmaal, ook al zijn twee concernonderdelen als inhoudingsplichtige betrokken (KG:041:2025:3).
- 2025: de Hoge Raad laat een gerichte vrijstelling van € 7.700 in de werkkostenregeling in stand nadat de inspecteur zijn aanvankelijke standpunt dat geen kostenvergoeding was overeengekomen ondubbelzinnig had prijsgegeven (ECLI:NL:HR:2025:1617).
- 2026: Gerechtshof Amsterdam beoordeelt of een kostenvergoeding van de werkgever aan een piloot gericht kan zijn vrijgesteld en of sprake is van een individuele en buitensporige last bij de aanslag inkomstenbelasting 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1284).
- 2026: kennisgroepstandpunt KG:204:2026:9 verduidelijkt welke loonbelastingtabel geldt voor WAZO-uitkeringen en aanvullingen daarop: zolang de dienstbetrekking voortduurt geldt de witte tabel, maar voor een aanvulling na afloop van de dienstbetrekking geldt de groene tabel, omdat de voormalige werkgever dan niet meer "degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat" is (art. 6 lid 1 onderdeel a Wet LB 1964).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
10 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2021:1144 (2021)
De zaak betreft de vraag of belanghebbende als pensioenverzekeraar inhoudingsplichtige is voor de loonbelasting en wat de hoogte is van de aan werknemers toegekende pensioenaanspraken waarover is nageheven.
-
ECLI:NL:HR:2018:2308 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat er geen wettelijke basis is om een rechtspersoon die op het inhoudingstijdstip niet meer bestaat en geen personen meer in dienst heeft, alsnog als inhoudingsplichtige voor de crisisheffing (art. 32bd Wet LB) aan te merken.
-
ECLI:NL:HR:2023:246 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat de waardeaangroei van een belastbare (pensioen)aanspraak niet tot het loon behoort, vernietigt de hofuitspraak en verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag.
-
ECLI:NL:HR:2025:1236 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat wanneer de werkgever niet inhoudingsplichtig is voor de loonbelasting, voor de gerichte vrijstelling van extraterritoriale kosten (art. 3.84 lid 2 Wet IB 2001) kan worden volstaan met een onderzoek naar de werkelijke kosten dat door de werknemer zelf is gedaan, zonder dat de werkgever daarbij betrokken hoefde te zijn.
-
ECLI:NL:GHAMS:2026:1284 (2026)
De zaak betreft de vraag of een door de werkgever aan een piloot betaalde kostenvergoeding kan kwalificeren als gericht vrijgestelde vergoeding onder de Wet op de loonbelasting, en of sprake is van een individuele en buitensporige last bij de aanslag inkomstenbelasting 2018.
-
ECLI:NL:HR:2025:1617 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht € 7.700 als gerichte vrijstelling voor de werkkostenregeling in aanmerking heeft genomen overeenkomstig het nadere standpunt van de inspecteur, nadat deze zijn aanvankelijke standpunt dat geen kostenvergoeding was overeengekomen ondubbelzinnig had prijsgegeven en belanghebbende geen hogere kosten had bewezen.
-
ECLI:NL:PHR:2021:842 (2021)
De conclusie betreft de vraag of belanghebbende inhoudingsplichtig is voor de crisisheffing over aandelen en preferred equity certificates die een gelieerde vennootschap met medeweten van de werkgever aan managers heeft toegekend, gelet op art. 10 en art. 32bd Wet LB 1964.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:382 (2020)
Het Hof oordeelt dat de inspecteur terecht op grond van artikel 12a, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964 een gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan € 44.000.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:920 (2023)
De zaak betreft of de naheffingsaanslag loonbelasting over 2014-2018 terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, met als deelvragen onder meer of het stamrecht al vóór 2014 is afgekocht, of belanghebbende inhoudingsplichtige was, en of de verzuimboetes wegens een pleitbaar standpunt achterwege hadden moeten blijven.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:91 (2022)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, over de uitleg van art. 14, lid 3, Verdrag Nederland-VK en art. 3.84, lid 2, Wet IB 2001 bij de aanslag IB/PVV 2015 zonder vermindering ter voorkoming van dubbele belasting.
Beleid en standpunten
19 bronnen in de kennisbank-
KG:041:2025:3 (2025)
Standpunt: Het maximumpremieloon en het maximumbijdrageloon gelden bij toepassing van de verleggingsregeling slechts eenmaal, ook al zijn er twee concernonderdelen als inhoudingsplichtige betrokken.
-
KG:041:2024:5 (2024)
Standpunt: De verleggingsregeling voor premies werknemersverzekeringen geldt niet voor buitenlandse werkgevers die geen inhoudingsplichtige zijn.
-
KG:041:2024:16 (2024)
Standpunt: Een werknemer zonder inhoudingsplichtige werkgever mag artikel 3.84 lid 2 Wet IB 2001 (werkkostenregeling) toepassen om vergoedingen overeenkomstig het loonbelastingstelsel onbelast te ontvangen.
- Kamerstuk 30804 nr. 12-h1
-
KG:204:2022:17 (2022)
Standpunt: Een niet in Nederland gevestigde werkgever is geen inhoudingsplichtige voor meldingsverplichting onder artikel 22a UBIB, tenzij deze een inhoudingsplicht in Nederland heeft op grond van de Wet LB.
-
KG:204:2022:14 (2022)
Standpunt: Moment inhoudings- en afdrachtplicht loonbelasting ontstaat op eerste dag werkzaamheden ook wanneer vaste inrichting terugwerkend wordt vastgesteld.
-
Besluit BWBR0033855
Beleid inzake 30%-regeling voor extraterritoriale werknemers, met aanpassingen per 1 januari 2012.
-
KG:204:2025:4 (2025)
Standpunt: bank mag lijfrentetermijnen vanaf moment van overlijden tot overlijdensmelding blijven behandelen als loon uit vroegere dienstbetrekking, onder toepassing van goedkeuring Staatssecretaris Financiën 21 juni 2022.
- KG:204:2026:14 (2026)
- KG:204:2026:9 (2026)
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.