Vennootschapsbelasting

Vaste inrichting en objectvrijstelling

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten (art. 15e Wet Vpb 1969) voorkomt dat een in Nederland gevestigde vennootschap tweemaal wordt belast over winst die zij in het buitenland behaalt: eenmaal in de bronstaat, eenmaal in Nederland over de wereldwinst. De regeling werkt niet als verrekening maar als vrijstelling bij de bron: de winst uit de andere staat wordt al bij de winstberekening van de Nederlandse grondslag afgezonderd, zodat Nederland in beginsel niet over dat deel heft. De vrijstelling is objectgebonden en symmetrisch: zowel een positief als een negatief bedrag aan winst uit de andere staat blijft in beginsel buiten de Nederlandse winst (art. 15e lid 1 Wet Vpb 1969). Kernbegrip is de vaste inrichting, een vast bedrijfsonderdeel in het buitenland waarmee (een deel van) een onderneming wordt gedreven, zoals een filiaal, fabriek of bouwplaats. Of, en in welke omvang, winst wordt vrijgesteld hangt in de eerste plaats af van de vraag of een belastingverdrag van toepassing is. Ook bij herstructureringen waarbij de buitenlandse onderneming wordt overgedragen aan een verbonden lichaam, bij de definitieve beëindiging van de buitenlandse activiteiten, en bij hybride kwalificatieverschillen met de vestigingsstaat komt de regeling aan de orde.

Dit thema beantwoordt:

  • Wat valt onder "winst uit een andere staat" en hoe verschilt dat met en zonder toepasselijk verdrag?
  • Wanneer geldt de objectvrijstelling niet, en wat is dan het gevolg voor een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming?
  • Hoe werkt de arm's length-toerekening van winst aan een vaste inrichting zonder verdrag?
  • Wat gebeurt er met een negatief saldo bij de definitieve staking van een buitenlandse onderneming?
  • Hoe wordt het saldo van vrijgestelde winst bij beschikking vastgesteld en herzien?

Winst uit een andere staat: met en zonder verdrag

Van winst uit een andere staat is sprake in twee varianten, afhankelijk van of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of vergelijkbare regeling van toepassing is (art. 15e lid 2 Wet Vpb 1969). Is dat het geval, dan gaat het om de winst die toerekenbaar is aan een vaste inrichting in die staat, opbrengsten uit aldaar gelegen onroerende zaken, en overige voordelen die het verdrag aan die staat toewijst, voor zover Nederland daarvoor een vrijstelling moet verlenen (onderdeel a). Ontbreekt een verdrag, dan gaat het om winst uit een buitenlandse onderneming met een vaste inrichting, opbrengsten uit onroerende zaken in die staat, en opbrengsten uit rechten op aandelen in de winst van een onderneming met leiding aldaar, voor zover die rechten niet uit effectenbezit voortkomen (onderdeel b). Voor de niet-verdragssituatie gelden twee verduidelijkingen: werkzaamheden gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen in, op of boven het winningsgebied van de andere staat gelden mede als buitenlandse onderneming (lid 3), en het gebied van die staat omvat mede het gebied waarover zij op grond van internationaal recht soevereine rechten mag uitoefenen (lid 4). Inkomen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer telt zonder verdragstoepassing alleen mee als buitenlandse ondernemingswinst voor zover dat inkomen in de vestigingsstaat daadwerkelijk in een winstbelasting wordt betrokken (lid 5). Voor diezelfde niet-verdragssituatie schrijft lid 6 een zelfstandige arm's length-toerekening voor: aan de buitenlandse onderneming worden de voordelen toegerekend die zij zou behalen als zelfstandige en onafhankelijke onderneming die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden, rekening houdend met de uitgeoefende functies, gebruikte activa en gelopen risico's.

Uitsluitingsgronden: wanneer verrekening in plaats van vrijstelling geldt

Ook als winst kwalificeert als winst uit een andere staat, blijft de objectvrijstelling in een aantal gevallen buiten toepassing. Zij geldt niet voor winst uit een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming in de zin van art. 15g Wet Vpb 1969, tenzij een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting Nederland toch tot een vrijstelling verplicht (art. 15e lid 7 Wet Vpb 1969), en zij geldt in het geheel niet voor een belastingplichtige die als beleggingsinstelling is aangemerkt (lid 8). Van een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming is sprake wanneer de werkzaamheden van de buitenlandse onderneming, samen met die van lichamen waarin de belastingplichtige een belang van 5% of meer heeft, grotendeels bestaan uit beleggen of het financieren van de belastingplichtige of verbonden lichamen, én de winst in de vestigingsstaat niet is onderworpen aan een naar Nederlandse begrippen reële heffing naar de winst; actieve financieringswerkzaamheden en niet-beleggingsonroerend goed tellen daarbij niet mee als besmet (art. 15g Wet Vpb 1969). Kwalificeert de buitenlandse onderneming zo, dan treedt in plaats van de vrijstelling een verrekeningsregime op grond van art. 15h Wet Vpb 1969: bij een positief resultaat wordt de drukkende buitenlandse winstbelasting verrekend, bij een negatief resultaat vermindert een inhaalregeling de Nederlandse winst met 5/H deel van dat bedrag, waarbij H het hoogste tarief van art. 22 Wet Vpb 1969 is.

Voor een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting in de zin van art. 12ac lid 1 onderdeel b Wet Vpb 1969 blijft de objectvrijstelling voor zover de winst niet is onderworpen aan een naar de winst geheven belasting in de vestigingsstaat, achterwege (lid 9); dit ziet op hybride kwalificatieverschillen tussen Nederland en de vestigingsstaat. Ook besmette voordelen die aan een vaste inrichting in een aangewezen staat toerekenbaar zijn, blijven van de vrijstelling uitgesloten (lid 11 jo. art. 13ab Wet Vpb 1969; zie CFC-regeling). Wordt de onderneming die, of het zelfstandige onderdeel dat, met behulp van die vaste inrichting wordt gedreven overgedragen, dan wordt de daarbij behaalde winst verminderd met de rechtstreeks daarmee samenhangende besmette voordelen, voor zover die al op grond van lid 11 in aanmerking zijn genomen (lid 12). Voor de onderworpenheidstoetsen van lid 5, art. 15g lid 1 onderdeel b en art. 15h lid 3 telt sinds de Wet minimumbelasting 2024 ook een kwalificerende binnenlandse bijheffing mee als belasting naar de winst (lid 13).

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Minimumduur offshore-werkzaamheden voor kwalificatie als buitenlandse onderneming (zonder verdrag)30 aaneengesloten dagenart. 15e lid 3 Wet Vpb 1969
Belang-drempel voor "laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming"5% of meer, middellijk of onmiddellijkart. 15g lid 1 onderdeel a Wet Vpb 1969
Inhaalregeling bij negatief resultaat laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming5/H deel van het negatieve bedrag (H = hoogste Vpb-tarief, 25,8%)art. 15h lid 2 Wet Vpb 1969 jo. art. 22 Wet Vpb 1969
Maximum stakingsverlies vaste inrichting buiten EU/EER (tenzij belegd onroerend goed)€ 5.000.000art. 15i lid 4 Wet Vpb 1969
Termijn om stakingsverlies te effectuerenuiterlijk het derde kalenderjaar na (nagenoeg) volledige stakingart. 15i lid 5 onderdeel b Wet Vpb 1969
Terugname stakingsverlies bij herleven van buitenlandse winstbinnen 3 jaar na de aftrekart. 15i lid 6 Wet Vpb 1969
Herzieningstermijn saldobeschikking5 jaar na vaststellingart. 15i lid 8 en art. 15j lid 3 Wet Vpb 1969

(wettekst geldend per 2026)

Definitieve staking: stakingsverlies of doorschuiving

Houdt de belastingplichtige op winst uit de andere staat te genieten, dan geldt een derde route naast vrijstelling en verrekening. Art. 15i Wet Vpb 1969 staat aftrek toe van het resterende negatieve saldo als stakingsverlies, voor zover in de andere staat geen tegemoetkoming voor dat verlies is verleend. Het verlies wordt, behoudens voor beleggingsonroerend goed, niet tot een hoger bedrag dan € 5.000.000 in aanmerking genomen, tenzij het gaat om het ophouden van winst uit een EU-lidstaat, een EER-staat of een aangewezen associatiestaat (lid 4). Aftrek vergt bovendien dat de activiteiten niet in belangrijke mate worden voortgezet door een verbonden lichaam, dat de staking uiterlijk in het derde kalenderjaar na het (vrijwel) volledig staken plaatsvindt, en dat de omvang van het verlies wordt onderbouwd (lid 5); herleeft binnen drie jaar na de aftrek alsnog winst uit die staat, dan wordt het afgetrokken bedrag teruggenomen (lid 6).

Worden de buitenlandse activiteiten wél in belangrijke mate voortgezet door een verbonden lichaam, dan geldt niet art. 15i maar het spiegelbeeld van art. 15j Wet Vpb 1969: het saldo schuift dan door naar dat lichaam in plaats van aftrekbaar te worden bij de belastingplichtige zelf. Deze doorschuiving blijft echter achterwege bij "voortzetting in het zicht van staking": wordt de voortgezette activiteit binnen drie jaar alsnog gestaakt zonder aantoonbaar zakelijke reden, dan geldt alsnog de stakingsverliesroute van art. 15i.

Procedure, saldobeschikking en foutenherstel

De objectvrijstelling werkt van rechtswege in de aangifte; een keuze of verzoek is niet nodig. Wel kan de belastingplichtige de inspecteur vragen het saldo van de positieve en negatieve bedragen aan winst uit de andere staat bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen, mits daarbij een berekening wordt overgelegd; dezelfde weg staat open voor het saldo dat bij staking naar een verbonden lichaam wordt doorgeschoven. Een onjuist vastgesteld saldo kan de inspecteur binnen vijf jaar na de vaststelling herzien (art. 15i lid 8 en art. 15j lid 3 Wet Vpb 1969). Voor internationale structuren kan de kwalificatie ook vooraf ter zekerheid worden voorgelegd aan het College Internationale Fiscale Zekerheid.

Voor de toerekening van vaste-inrichtingswinst over meerdere jaren biedt de foutenleer een correctiemogelijkheid wanneer navordering niet meer volledig mogelijk is: de Hoge Raad oordeelde dat een over meerdere jaren gemaakte afschrijvingsfout op een buitenlandse vaste inrichting in dat geval gezamenlijk kan worden hersteld in het oudste nog openstaande jaar (ECLI:NL:HR:2025:850). Bij een grensoverschrijdende juridische fusie waarmee een buitenlandse onderneming wordt verkregen, oordeelde Gerechtshof Amsterdam dat de fusiegoodwill fiscaal niet splitsbaar is omdat zij volledig op de verkregen activa en passiva ziet, zodat zij niet op de Nederlandse hoofdhuisbalans kan worden geactiveerd en afgeschreven (ECLI:NL:GHAMS:2023:1399).

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij de 5%-belangdrempel van art. 15g Wet Vpb 1969 telt ook een middellijk gehouden belang mee; kwalificeert de buitenlandse onderneming als laagbelaste beleggingsonderneming, dan geldt bij een negatief resultaat de 5/H-inhaalregeling van art. 15h.
  • Bij definitieve beëindiging bepaalt het onderscheid tussen art. 15i (stakingsverlies) en art. 15j (doorschuiving) waar het verlies neerslaat; een voortzetting die binnen drie jaar alsnog wordt gestaakt telt als voortzetting in het zicht van staking.
  • Fouten in de toerekening van vaste-inrichtingswinst over meerdere jaren kunnen via de foutenleer worden hersteld in het oudste nog openstaande jaar wanneer navordering niet meer volledig mogelijk is (ECLI:NL:HR:2025:850).
  • Bij verkrijging van een buitenlandse onderneming via een grensoverschrijdende fusie blijft de fusiegoodwill buiten de Nederlandse hoofdhuisbalans (ECLI:NL:GHAMS:2023:1399).
  • Bij hybride kwalificatieverschillen speelt lid 9 (art. 12ac Wet Vpb 1969); kennisgroepstandpunt KG:040:2024:4 zet die uitsluiting voor het Verdrag Nederland-Mexico 1993 opzij, maar uitdrukkelijk alleen voor de periode vóór 1 januari 2024.
  • Structuren waarin een buitenlandse onderneming via een fiscale beleggingsinstelling wordt gehouden, vallen volledig buiten de objectvrijstelling (lid 8).

Recente ontwikkelingen

  • 2021 (25 mei): twee advance tax rulings verlenen zekerheid vooraf over de toepassing van de objectvrijstelling op winst uit buitenlands onroerend goed, gehouden via een samenwerkingsverband respectievelijk rechtstreeks, voor de jaren 2020 tot en met 2024 (ATR 20210525-000010 en ATR 20210525-000011).
  • 2023 (29 juni): Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat goodwill uit een grensoverschrijdende juridische fusie fiscaal niet splitsbaar is en niet op de Nederlandse hoofdhuisbalans kan worden geactiveerd (ECLI:NL:GHAMS:2023:1399).
  • 2024 (16 juli): de Belastingdienst publiceert kennisgroepstandpunt KG:040:2024:4 over de toepassing van het Verdrag Nederland-Mexico 1993 op een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting, beperkt tot de periode vóór 1 januari 2024.
  • 2025 (6 juni): de Hoge Raad oordeelt dat een meerjarige afschrijvingsfout op een buitenlandse vaste inrichting via de foutenleer in het oudste openstaande jaar kan worden hersteld wanneer navordering niet meer volledig mogelijk is (ECLI:NL:HR:2025:850).
  • 2026 (19 mei): een advance tax ruling verleent zekerheid over de objectvrijstelling voor een buitenlandse vaste inrichting in samenhang met art. 8bc Wet Vpb 1969 en de rechtsvormkwalificatie van een niet-EU groepsvennootschap, voor de jaren 2025 tot en met 2029 (ATR 20260519-000008).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 43 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.