Vennootschapsbelasting
Vaste inrichting en objectvrijstelling
Bijgewerkt op 19 juli 2026
De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten (art. 15e Wet VPB 1969) zorgt ervoor dat de winst van een in Nederland gevestigde vennootschap die (mede) via een vaste inrichting in het buitenland wordt behaald, buiten de Nederlandse belastinggrondslag blijft. Niet alleen positieve resultaten worden vrijgesteld, ook negatieve resultaten van de buitenlandse onderneming worden uit de winst geëlimineerd; voor definitieve stakingsverliezen geldt hierop een uitzondering. Daarmee wijkt de regeling af van een verrekeningssysteem: Nederland heft in beginsel niet over de vaste-inrichtingswinst, in plaats van te heffen en vervolgens een vermindering te geven voor de in het buitenland betaalde belasting.
De regeling vormt het sluitstuk van de systematiek waarbij een Nederlandse vennootschap wereldwinst aangeeft, maar het deel dat aan een andere staat is toe te rekenen via een objectieve vrijstelling weer wordt afgezonderd. Voor de vraag wanneer sprake is van een vaste inrichting en hoe de winst daaraan moet worden toegerekend, wordt aangesloten bij de gangbare verdragspraktijk en, waar van toepassing, bij het concrete belastingverdrag met de andere staat. De objectvrijstelling kent daarnaast belangrijke uitzonderingen, onder meer voor laagbelaste buitenlandse beleggingsondernemingen, voor beleggingsinstellingen, voor buiten beschouwing blijvende vaste inrichtingen (hybride mismatches) en voor CFC-achtige "besmette voordelen", die de toepassing in de praktijk complexer maken dan de hoofdregel op het eerste gezicht doet vermoeden.
Wanneer speelt dit
Het thema is relevant zodra een Nederlandse VPB-plichtige activiteiten in het buitenland ontplooit die kwalificeren als vaste inrichting, zoals een filiaal, bouwplaats, fabriek of ander vast bedrijfsonderdeel in een andere staat. Ook winst uit in het buitenland gelegen onroerende zaken en bepaalde winstrechten die aan een buitenlandse onderneming zijn toe te rekenen, vallen onder het bereik van de regeling, evenals offshore-activiteiten op of boven een winningsgebied van minstens dertig aaneengesloten dagen en de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer. Ook bij herstructureringen waarbij een buitenlandse onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan wordt overgedragen, en bij hybride kwalificatieverschillen tussen Nederland en de vestigingsstaat van de vaste inrichting, komt de regeling aan de orde.
Wettelijk kader
Art. 15e Wet VPB 1969 is de kernbepaling. Lid 1 vermindert de winst met de positieve en negatieve bedragen van de winst uit een andere staat: de objectvrijstelling werkt dus tweezijdig.
Lid 2 definieert wat onder "winst uit een andere staat" wordt verstaan, met een tweedeling. Onderdeel a geldt wanneer een verdrag of vergelijkbare regeling voorziet in de heffingsverdeling: dan gaat het om winst toerekenbaar aan een vaste inrichting, opbrengsten uit in die staat gelegen onroerende zaken en overige voordelen die op grond van dat verdrag aan die staat zijn toegewezen, voor zover Nederland daarvoor een vrijstelling moet verlenen. Onderdeel b geldt zonder toepasselijk verdrag: winst uit een buitenlandse onderneming met een vaste inrichting, opbrengsten uit onroerende zaken in die staat (inclusief gerelateerde rechten) en opbrengsten uit rechten op aandelen in de winst van een onderneming met leiding in die staat, voor zover die rechten niet uit effectenbezit voortkomen.
Lid 3 en lid 4 verduidelijken het toepassingsgebied voor de niet-verdragssituatie: werkzaamheden van ten minste dertig aaneengesloten dagen in, op of boven een winningsgebied gelden mede als buitenlandse onderneming, en het gebied van de andere staat omvat mede het gebied waar die staat op grond van internationaal recht soevereine rechten mag uitoefenen. Lid 5 bepaalt dat inkomen uit scheep- of luchtvaartexploitatie in het internationale verkeer alleen als buitenlandse ondernemingswinst telt voor zover dat inkomen in de vestigingsstaat van de vaste inrichting daadwerkelijk in een winstbelasting wordt betrokken.
Lid 6 codificeert, voor de niet-verdragssituatie van lid 2, onderdeel b, de "arm's length"-toerekening van voordelen aan de buitenlandse onderneming, zoals die zou gelden als de vaste inrichting een zelfstandige en onafhankelijke onderneming was, rekening houdend met uitgeoefende functies, gebruikte activa en gelopen risico's.
De overige leden bevatten uitzonderingen. Lid 7 en lid 8 sluiten de objectvrijstelling uit voor winst uit een laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming (art. 15g Wet VPB 1969, tenzij een verdrag toch tot vrijstelling verplicht) en voor beleggingsinstellingen. Lid 9 sluit de vrijstelling uit voor zover de winst van een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting (art. 12ac, eerste lid, onderdeel b, Wet VPB 1969) niet is onderworpen aan een winstbelasting in de vestigingsstaat; dit ziet op hybride-mismatchsituaties. Volgens een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst moet Nederland het resultaat van een dergelijke buiten beschouwing blijvende vaste inrichting op grond van een verdrag niettemin vrijstellen, ongeacht lid 9. Lid 11 en lid 12 sluiten de vrijstelling uit voor besmette voordelen (art. 13ab, eerste lid, Wet VPB 1969) toerekenbaar aan een vaste inrichting in een aangewezen staat, met een correctie bij overdracht van de onderneming. Lid 13 koppelt "belastingheffing naar de winst" mede aan een kwalificerende binnenlandse bijheffing (art. 1.2 Wet minimumbelasting 2024).
Belangrijkste rechtspraak
ECLI:NL:HR:2025:850 (Hoge Raad, 6 juni 2025) betreft een over meerdere jaren gemaakte afschrijvingsfout op een buitenlandse vaste inrichting. De Hoge Raad oordeelt dat wanneer navordering over de eerdere jaren niet meer volledig mogelijk is, de fout gezamenlijk kan worden hersteld via de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar. Dit arrest is relevant voor de praktische verwerking van de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst binnen de objectvrijstelling over de jaren heen.
Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2023:1399 (29 juni 2023) dat goodwill uit een grensoverschrijdende juridische fusie fiscaal niet splitsbaar is omdat zij volledig betrekking heeft op de verkregen activa en passiva, zodat de belanghebbende die goodwill niet op de Nederlandse hoofdhuisbalans kan activeren en afschrijven.
Aandachtspunten voor de praktijk
Van belang is eerst of voor de relevante staat een verdrag van toepassing is, want dat bepaalt welk onderdeel van lid 2 (a of b) de omvang van de vrijgestelde winst afbakent. Bij winstallocatie in de niet-verdragssituatie van lid 2, onderdeel b, is de arm's length-toerekening van lid 6 de basis voor het bedrag dat wordt vrijgesteld of, bij een verlies, uit de winst wordt geëlimineerd; in de verdragssituatie van onderdeel a wordt de winsttoerekening beheerst door het toepasselijke verdrag. Bij offshore-activiteiten is van belang of de dertig-dagengrens van lid 3 wordt gehaald, wat bepalend is voor de kwalificatie als buitenlandse onderneming zonder verdrag. Bij structuren met beleggingskarakter is van belang of de uitzonderingen van lid 7 (art. 15g) of lid 8 van toepassing zijn, want dan geldt de objectvrijstelling niet of slechts onder voorwaarden. Bij fouten in de toerekening van vaste-inrichtingswinst over meerdere jaren is de foutenleer een correctiemechanisme wanneer navordering niet meer volledig mogelijk is, zoals in ECLI:NL:HR:2025:850. Bij grensoverschrijdende fusies waarbij een buitenlandse onderneming betrokken is, is de onsplitsbaarheid van fusiegoodwill op de hoofdhuisbalans van belang, gelet op het oordeel in ECLI:NL:GHAMS:2023:1399. Bij internationale structuren met lokale bijheffingen of kwalificatieverschillen is de wisselwerking van belang met de Wet minimumbelasting 2024 (lid 13) en de hybride-mismatchbepalingen (lid 9, art. 12ac); voor lid 9 geldt bovendien dat een toepasselijk verdrag deze uitsluiting volgens het kennisgroepstandpunt niettemin opzij kan zetten.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
11 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2025:850 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat een over meerdere jaren gemaakte afschrijvingsfout op een buitenlandse vaste inrichting, als navordering over de eerdere jaren niet meer volledig mogelijk is, gezamenlijk kan worden hersteld via de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar.
-
ECLI:NL:HR:2014:1183 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat de ruilarresten niet kunnen worden toegepast wanneer een bedrijfsmiddel is vervreemd waarvoor in beginsel een herinvesteringsreserve op grond van artikel 3.54 Wet IB 2001 kan worden gevormd, omdat de wettelijke regeling de aan de ruilarresten ten grondslag liggende gedachte heeft geabsorbeerd.
-
ECLI:NL:PHR:2022:991 (2022)
De conclusie behandelt of de remittance-bepaling van artikel 2(5) en/of de antimisbruikbepaling van artikel 30 Verdrag Nederland-Malta de verdragsvoordelen wegnemen voor een naar Malta verplaatste BV die als non-domiciled resident niet-overgemaakte buitenlandse vermogenswinst en Duitse handelswinst heeft.
-
ECLI:NL:HR:2013:916 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat het financiële en daarmee het uiteindelijke belang in belanghebbende in belangrijke mate (ten minste 30 procent) is gewijzigd in de zin van artikel 15e lid 1 Wet Vpb 1969, zodat de herinvesteringsreserve aan de winst moet worden toegevoegd.
-
ECLI:NL:HR:2014:1187 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat sprake is van fraus legis wanneer een samenstel van rechtshandelingen zo is getimed dat het herinvesteringstijdstip vlak voor een belangwijziging in de belastingplichtige plaatsvindt met als doorslaggevend oogmerk art. 15e Wet Vpb 1969 te ontgaan, zodat de herinvesteringsreserve alsnog aan de winst wordt toegevoegd.
-
ECLI:NL:HR:2014:1190 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat doel en strekking van artikel 15e Wet Vpb 1969 op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien een samenstel van rechtshandelingen, gericht op het ontgaan van die bepaling, het herinvesteringstijdstip vlak vóór een belangwijziging plant om vrijval van de herinvesteringsreserve te voorkomen, en verwijst de zaak voor onderzoek naar voorraad en fraus legis.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:1399 (2023)
Het Hof oordeelt dat goodwill uit een grensoverschrijdende juridische fusie fiscaal niet splitsbaar is omdat zij volledig betrekking heeft op de verkregen activa en passiva, zodat belanghebbende die niet op de Nederlandse hoofdhuisbalans kan activeren en afschrijven.
-
ECLI:NL:HR:2014:1188 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat de uitspraak van het Hof over het moment van afboeken van de herinvesteringsreserve op de vervangende onroerende zaken niet in stand kan blijven en verwijst het geding, mede voor beoordeling van de subsidiaire stelling van fraus legis.
-
ECLI:NL:HR:2014:1186 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van fraus legis wanneer door een samenstel van rechtshandelingen vrijval van een herinvesteringsreserve wordt voorkomen, en verwijst het geding.
-
ECLI:NL:HR:2014:1181 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat doel en strekking van artikel 15e Wet Vpb 1969 op onaanvaardbare wijze zouden worden doorkruist als de herinvesteringsreserve niet aan de winst wordt toegevoegd, omdat de volgorde van herinvestering en aandelenoverdracht doorslaggevend was ingegeven door de wens de vennootschapsbelastingheffing te verijdelen (fraus legis).
Beleid en standpunten
42 bronnen in de kennisbank-
KG:040:2024:4 (2024)
Standpunt: Nederland moet resultaat van buiten beschouwing blijvende vaste inrichting (artikel 12ac Wet Vpb 1969) op grond van verdrag toch vrijstellen, ongeacht artikel 15e lid 9.
-
Besluit BWBR0048320
Goedkeuring/beleid inzake internationaal belastingrecht winstsfeer: het bevat uitleg van bepalingen in belastingverdragen en Besluit voorkoming dubbele belasting voor situaties in de winstsfeer.
-
ATR 20260519-000008 (2026)
X1, X2, X3 (Nederlandse vennootschappen, multinationale industriële groep, 501–1.000 medewerkers) onder W (non-EU tophoudster); X3 hield aandelen Y (non-EU principaal). Verzoek zekerheid vaste inrichting buitenland, objectvrijstelling, artikel 8bc Wet Vpb, Y-rechtsvorm-kwalificatie 2025–2029.
-
Besluit BWBR0049041
Beleid inzake Syllabus AEB: uitgangspunten voor berekening van vermindering van vennootschapsbelasting ter voorkoming van dubbele belasting.
-
ATR 20210525-000011 (2021)
X verzoekt zekerheid op objectvrijstelling voor ondernemingswinsten uit onroerend zaak gehouden in Verdragsland A 2020-2024.
-
ATR 20210525-000010 (2021)
X (Netherlands agrarisch) houdster participatie samenwerkingsverband A (verdragsland onroerend zaken verhuur) vraagt objectvrijstelling buitenlandse ondernemingswinsten 2020-2024.
-
Kamerstuk 35241 nr. 7
Implementatie EU-richtlijn hybridemismatches (Richtlijn 2017/952) ter bestrijding van dubbele aftrek en dubbele niet-heffing bij hybride constructies en internationale structuren.
-
Besluit BWBR0050635
Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor vermindering van dubbele belasting onder belastingverdragen en andere regelingen ter vermijding van dubbele belasting.
-
Besluit BWBR0049172
Goedkeuring inzake doorschuiffaciliteit fonds voor gemene rekening: algemene toestemming voor inspecteur om verzoeken af te doen onder de doorschuiffaciliteit van artikel V van de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening, onder voorwaarden.
-
Besluit BWBR0049147
Goedkeuring voor doorschuiffaciliteit bij afschaffing van de open commanditaire vennootschap per 1 januari 2025. De inspecteur krijgt algemene toestemming voor verzoeken onder in bijlage opgenomen voorwaarden.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.