Vennootschapsbelasting

Buitenlandse belastingplicht en technisch aanmerkelijk belang

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting regelt wanneer een lichaam dat niet in Nederland is gevestigd, toch in de Nederlandse heffing wordt betrokken voor bepaalde in Nederland opkomende voordelen: winst uit een Nederlandse onderneming en, bij een technisch aanmerkelijk belang, voordelen uit een belang in een Nederlandse vennootschap. Het leerstuk kent twee pijlers: de klassieke bronstaatheffing over winst uit een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger, aangevuld met specifieke situaties die art. 17a Wet Vpb 1969 uitdrukkelijk tot Nederlandse onderneming rekent, en het technisch aanmerkelijk belang van art. 17 lid 3 onderdeel b Wet Vpb 1969: een antimisbruikbepaling tegen buitenlandse aandeelhouders die hun belang in een Nederlandse vennootschap houden om, via een kunstmatige constructie, heffing bij een ander te ontgaan.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer is een buitenlands lichaam buitenlands belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting?
  • Wat rekent art. 17a Wet Vpb 1969 tot een Nederlandse onderneming, naast de vaste inrichting?
  • Wanneer geldt het technisch aanmerkelijk belang van art. 17 lid 3 onderdeel b Wet Vpb 1969?
  • Hoe werkt de tegenbewijsregeling van art. 17 lid 5?
  • Hoe wordt de winst van een buitenlandse belastingplichtige belast, en tegen welk tarief?

Nederlands inkomen: drie cumulatieve elementen

Anders dan bij binnenlandse belastingplicht, die de wereldwinst in de heffing betrekt, beperkt buitenlandse belastingplicht zich tot een afgebakend Nederlands inkomen van een lichaam dat niet in Nederland is gevestigd. Daarvoor moet aan drie elementen tegelijk zijn voldaan: het lichaam is niet naar zijn fiscale woonplaats in Nederland gevestigd, het behoort tot de wettelijke opsomming van lichamen die voor de vennootschapsbelasting belastingplichtig kunnen zijn, en het geniet Nederlands inkomen in de zin van art. 17 lid 3 Wet Vpb 1969. Ontbreekt een van deze elementen, dan is er geen buitenlandse belastingplicht op grond van dit artikel.

Het Nederlandse inkomen is het gezamenlijke bedrag van drie bestanddelen (art. 17 lid 3 Wet Vpb 1969): de belastbare winst uit een onderneming die wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland (onderdeel a), het technisch aanmerkelijk belang (onderdeel b), en de winst van een op Aruba, Curaçao of Sint Maarten gevestigd lichaam uit een BES-onderneming die voor de opbrengstbelasting in Nederland zou zijn gevestigd (onderdeel c).

Een buitenlands belastingplichtig lichaam wordt alleen aangeslagen over het belastbare Nederlandse bedrag: het Nederlandse inkomen, verminderd met verrekenbare verliezen uit Nederlands inkomen (art. 17 lid 1 en 2 Wet Vpb 1969). Dat bedrag wordt belast tegen het gewone Vpb-tarief van art. 22 Wet Vpb 1969: 19% tot € 200.000 en € 38.000 plus 25,8% over het meerdere daarboven (2026); er geldt geen apart, hoger of lager tarief voor buitenlandse belastingplichtigen.

Artikel 17a: wat geldt als Nederlandse onderneming

Naast de vaste inrichting en de vaste vertegenwoordiger rekent art. 17a Wet Vpb 1969 een aantal specifieke situaties uitdrukkelijk tot een Nederlandse onderneming: in Nederland gelegen onroerende zaken en daarmee samenhangende rechten, waaronder rechten op exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen (onderdeel a); winstrechten of medegerechtigdheid in een vanuit Nederland geleide onderneming, voor zover niet voortvloeiend uit effectenbezit (onderdeel b); schuldvorderingen op een Nederlandse vennootschap wanneer de crediteur zelf een technisch aanmerkelijk belang in die vennootschap heeft (onderdeel c); bestuurders- en commissariswerkzaamheden voor een Nederlands lichaam, ook bij een tot buiten Nederland beperkte bevoegdheid (onderdeel d); en werkzaamheden in het Noordzeewinningsgebied gedurende ten minste 30 aaneengesloten dagen, met een doortelregel: bedraagt de totale duur binnen een tijdvak van 12 maanden ten minste 30 dagen, dan geldt de 30-dagenvoorwaarde als vervuld bij voortzetting door hetzelfde of een verbonden lichaam (onderdeel e en f). Onderdeel g rekent hiertoe stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in een omgekeerd hybride lichaam, gehouden door een lichaam in een staat die dat lichaam niet als belastingplichtige voor een winstbelasting beschouwt, voor zover zonder de transparantiefictie van art. 2 lid 3 Wet Vpb 1969 belastbare Nederlandse ondernemingswinst zou zijn genoten.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Vpb-tarief, eerste schijf (t/m € 200.000)19% (2026)art. 22 Wet Vpb 1969
Vpb-tarief, tweede schijf (boven € 200.000)€ 38.000 + 25,8% over het meerdere (2026)art. 22 Wet Vpb 1969
Aanmerkelijkbelangdrempel voor het technisch aanmerkelijk belangten minste 5% van het kapitaal, de stemrechten of de winstbewijzenart. 4.6 Wet IB 2001 jo. art. 17 lid 3 onderdeel b Wet Vpb 1969
Minimale duur Noordzee-werkzaamheden (met doortelregel)30 aaneengesloten dagen, of 30 dagen binnen 12 maanden bij doortellingart. 17a onderdeel e en f Wet Vpb 1969

(wettekst geldend per 2026)

Technisch aanmerkelijk belang: cumulatieve voorwaarden

De tweede pijler, art. 17 lid 3 onderdeel b Wet Vpb 1969, is een antimisbruikbepaling met een eigen, cumulatieve toets. Er moet sprake zijn van een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 Wet IB 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap, niet zijnde een vrijgestelde beleggingsinstelling: een technisch aanmerkelijk belang in een VBI valt buiten onderdeel b. Van een aanmerkelijk belang is onder meer sprake bij een belang van ten minste 5% van het geplaatste kapitaal, van winstbewijzen voor ten minste 5% van de jaarwinst of het liquidatiesaldo, of van ten minste 5% van de stemrechten (art. 4.6 Wet IB 2001). Daarnaast moet de belastingplichtige het belang houden met als hoofddoel, of een van de hoofddoelen, om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan, én moet sprake zijn van een kunstmatige constructie, transactie of samenstel daarvan: kunstmatig is een constructie voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Ontgaansmotief en kunstmatigheid zijn cumulatief: ontbreekt een van beide, dan is onderdeel b niet van toepassing, ook als aan de andere voorwaarde wel is voldaan.

Is aan alle voorwaarden voldaan, dan wordt het belastbare inkomen uit dat aanmerkelijk belang bepaald met overeenkomstige toepassing van afdeling 4.2 Wet IB 2001 en meegenomen in het Nederlandse inkomen van art. 17 lid 3, belast tegen het Vpb-tarief van art. 22 Wet Vpb 1969.

Bewijslast en tegenbewijs

Art. 17 lid 5 Wet Vpb 1969 kent een tegenbewijsregeling: voldoet de belastingplichtige aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, dan wordt hij, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt, geacht het belang zonder ontgaanshoofddoel te houden én geacht sprake te zijn van geldige zakelijke redenen. Wordt niet aan die voorwaarden voldaan, dan moet de belastingplichtige zelf aannemelijk maken dat geen ontgaanshoofddoel bestaat, óf dat sprake is van geldige zakelijke redenen: een alternatieve, geen cumulatieve bewijslast.

Winsttoerekening aan de vaste inrichting: emissiekosten

De beschikbare rechtspraak bij dit thema raakt niet aan het technisch aanmerkelijk belang, maar vormt één lijn over de toerekening van kosten aan een Nederlandse vaste inrichting van een buitenlands lichaam (art. 17 lid 3 onderdeel a Wet Vpb 1969). Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat emissiekosten van converteerbare obligaties en aandelen, die bij gebrek aan een afdwingbare terugbetalingsverplichting als eigen vermogen gelden, niet aan de Nederlandse vaste inrichting van een buitenlandse belastingplichtige kunnen worden toegerekend, zonder strijd met de vrijheid van vestiging (ECLI:NL:GHAMS:2020:3634). De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat emissiekosten, als orgaankosten eigen aan de rechtsvorm van een vennootschap, op grond van art. 7 lid 3 van het belastingverdrag Nederland-Frankrijk niet aan een vaste inrichting hoeven te worden toegerekend, ook al kreeg die het aangetrokken kapitaal mede ter beschikking (ECLI:NL:HR:2024:706).

Rechtsvormvergelijking en open cv-achtige structuren

Per 1 januari 2025 is de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen in werking getreden (Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen, Stb. 2024, 339): een buitenlandse rechtsvorm wordt voor de vennootschapsbelasting behandeld als de Nederlandse rechtsvorm waarmee de aard en inrichting vergelijkbaar zijn. Buitenlandse open cv-achtige samenwerkingsverbanden die voorheen niet-transparant werden aangemerkt, gelden sindsdien in beginsel als transparant; de vraag naar buitenlandse belastingplicht verschuift dan van het lichaam zelf naar de achterliggende participanten, voor zover die zelf een Nederlandse onderneming drijven of anderszins Nederlands inkomen in de zin van art. 17 genieten.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij winsttoerekening aan de vaste inrichting is de aard van de kosten bepalend: orgaankosten en instrumenten die als eigen vermogen gelden, worden niet zonder meer toegerekend, ook niet bij feitelijke inzet van het aangetrokken kapitaal.
  • Bij de technisch-aanmerkelijkbelangtoets is de cumulatie van ontgaansmotief en kunstmatigheid een aandachtspunt: ontbreekt één van beide, dan is onderdeel b niet van toepassing.
  • De VBI-uitzondering van onderdeel b wordt soms over het hoofd gezien bij belangen die via een beleggingsvehikel worden gehouden.
  • De tegenbewijsregeling van lid 5 kent twee alternatieve gronden, geen cumulatieve bewijslast.
  • Zekerheid vooraf wordt vaak gecombineerd gevraagd met de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting.

Recente ontwikkelingen

  • 2020: Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat emissiekosten van converteerbare obligaties en aandelen, die als eigen vermogen worden aangemerkt, niet aan de Nederlandse vaste inrichting van een buitenlandse belastingplichtige kunnen worden toegerekend (ECLI:NL:GHAMS:2020:3634).
  • 2022-2023: advance tax rulings over zekerheid vooraf buitenlandse belastingplicht Vpb bij herstructurering, voor een houdstercoöperatie (ATR 20220816-000012) en een persoonlijke houdstervennootschap met family office (ATR 20230613-000008).
  • 2024: de Hoge Raad oordeelt dat emissiekosten, als orgaankosten eigen aan de rechtsvorm, niet op grond van art. 7 lid 3 van het belastingverdrag Nederland-Frankrijk aan een vaste inrichting hoeven te worden toegerekend (ECLI:NL:HR:2024:706).
  • 2025: advance tax ruling combineert een verzoek om de deelnemingsvrijstelling, buitenlandse belastingplicht Vpb, de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting en de conditionele bronbelasting dividenden (ATR 20250916-000004).
  • 2026: reeks advance tax rulings over buitenlandse belastingplicht Vpb, deels gecombineerd met de inhoudingsvrijstelling of inhoudingsplicht dividendbelasting (ATR 20260421-000004, ATR 20260428-000004, ATR 20260526-000004), tot en met de meest recent gepubliceerde ATR's (ATR 20260630-000002, ATR 20260630-000005, ATR 20260630-000016, ATR 20260721-000003).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 602 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.