Formeel belastingrecht
Fiscale woonplaats
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De fiscale woonplaats bepaalt voor natuurlijke personen en lichamen of, en in welke hoedanigheid, Nederland heffingsbevoegd is: voor de inkomstenbelasting of iemand binnenlandse dan wel buitenlandse belastingplichtige is, voor de vennootschapsbelasting of het wereldwijde resultaat van een lichaam in de Nederlandse heffing valt. De toets van art. 4 lid 1 AWR kent geen formeel criterium, zoals inschrijving in een register of een statutaire zetel, maar beoordeelt woonplaats en vestigingsplaats naar de feitelijke omstandigheden van het concrete geval. Dat maakt het onderwerp casuïstisch en geeft het een formeelrechtelijke component: stelt de inspecteur dat iemand in Nederland woont of een lichaam in Nederland is gevestigd, dan moet hij dat aannemelijk maken. Naast de hoofdregel bevat de wet specifieke ficties voor bijzondere situaties, zoals bemanning van schepen en luchtvaartuigen, en vestigingsplaatsregels die voortvloeien uit EU-richtlijnen voor grensoverschrijdende fusies, moeder-dochterverhoudingen, interest- en royaltybetalingen en beleggingsinstellingen.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer geldt een natuurlijk persoon als inwoner van Nederland en wanneer een lichaam als in Nederland gevestigd?
- Hoe verhoudt de nationale woonplaatstoets zich tot de toepassing van een belastingverdrag?
- Welke ficties gelden voor bemanning van schepen en luchtvaartuigen, icbe's en alternatieve beleggingsinstellingen?
- Wat is het gevolg van de woonplaats voor de belastingplicht in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting?
- Bij wie ligt de bewijslast als de inspecteur stelt dat iemand in Nederland woont of een lichaam in Nederland is gevestigd?
Wanneer speelt dit
Vragen over de fiscale woonplaats komen onder meer op bij emigratie en immigratie van particulieren, bij verplaatsing van de werkelijke leiding van een BV naar het buitenland, bijvoorbeeld na een dga-verhuizing, en bij internationale concernstructuren waarin de vestigingsplaats van een tussenhoudster of beleggingsinstelling onduidelijk is. Ook bij toepassing van een belastingverdrag, wanneer een persoon of lichaam volgens de nationale wetten van twee staten inwoner is, en bij de erfbelasting, wanneer de woonplaats van een erflater op het moment van overlijden moet worden vastgesteld, speelt de vraag een rol. Ook bij grensoverschrijdende juridische fusies, splitsingen en de verplaatsing van een statutaire zetel van een SE of SCE speelt de vestigingsplaatsvraag een rol.
De woonplaatstoets: twee stappen
Art. 4 lid 1 AWR werkt in twee stappen: eerst wordt naar Nederlands recht vastgesteld wie of wat als inwoner respectievelijk als gevestigd lichaam geldt, en pas daarna, als een ander land dezelfde persoon of hetzelfde lichaam eveneens als inwoner aanmerkt, komt de vraag aan de orde wie voor verdragsdoeleinden de woonstaat is. De wettekst zelf geeft geen uitputtende lijst van omstandigheden; de invulling daarvan is bewust aan de rechtspraak overgelaten, juist omdat de wetgever geen formeel criterium boven de feitelijke situatie wilde laten prevaleren. Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2024:721 dat belanghebbende op grond van art. 4 AWR vanwege een duurzame band van persoonlijke aard in Nederland woonde, en behandelde vervolgens de toepassing van het Verdrag Nederland-Duitsland; deze zaak illustreert dat de nationale woonplaatsvraag een zelfstandige eerste stap is die aan de verdragstoepassing voorafgaat.
Een veelvoorkomend misverstand is dat een getal als 183 dagen de Nederlandse maatstaf zou zijn; dat is geen criterium van art. 4 lid 1 AWR maar een begrip uit belastingverdragen, dat pas relevant wordt nadat de nationale woonplaats al is vastgesteld en een verdrag moet worden toegepast.
Natuurlijke personen: duurzame band van persoonlijke aard
Voor natuurlijke personen beoordeelt de rechtspraak of een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland bestaat aan de hand van een samenstel van feitelijke indicatoren, waaronder: waar iemand feitelijk verblijft en voor hoe lang; of een eigen woning in Nederland wordt aangehouden; waar economische activiteiten worden verricht; waar het gezin of de naaste familie woont; en waar de voornaamste bezittingen en inkomstenbronnen, zoals pensioen, zich bevinden. Geen van deze indicatoren is op zichzelf beslissend; de rechter weegt ze in samenhang. In de erfbelastingzaken ECLI:NL:GHAMS:2025:2356 en ECLI:NL:GHAMS:2025:2357 telden daarnaast mee: de duur van het verblijf in een Nederlandse zorginstelling, het afsluiten van een Nederlandse zorgverzekering en inschrijving als inwoner, de keuze voor medische behandeling in de nabijheid van familie, en het gebruik van een Nederlandse notaris en Nederlandse bankrekeningen. Ook een korte periode van fysieke afwezigheid maakt op zichzelf geen einde aan de binnenlandse belastingplicht: zolang de duurzame band van persoonlijke aard aanhoudt, blijft iemand binnenlands belastingplichtig, ook als hij een deel van het jaar in het buitenland verblijft.
Lichamen: de werkelijke leiding
Voor lichamen gaat het om de plaats van de werkelijke leiding, beoordeeld aan de hand van: waar bestuursbesluiten daadwerkelijk worden genomen; waar de dagelijkse bedrijfsvoering, zoals kantoorruimte, apparatuur en personeel, plaatsvindt; wie toegang heeft tot de bankrekeningen en de geldstromen beheert; en waar aandeelhoudersvergaderingen worden gehouden. De statutaire zetel en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel zijn daarbij niet doorslaggevend.
Ficties en uitzonderingen op de feitelijke toets
Naast de hoofdregel van lid 1 bevat art. 4 AWR een aantal specifieke ficties voor situaties waarin de feitelijke toets zelf niet goed werkt. Lid 2 beschouwt schepen en luchtvaartuigen die in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland; zonder deze fictie zou voor mobiel werkend personeel vaak geen eenduidige woonplaats zijn vast te stellen. Lid 3 wijkt af van de hoofdregel ter uitvoering van drie EU-richtlijnen: de fusierichtlijn, met inbegrip van de zetelverplaatsing van een SE of SCE, de moeder-dochterrichtlijn, en de interest- en royaltyrichtlijn. Voor zover dat uit die richtlijnen voortvloeit, wordt een lichaam geacht in een EU-lidstaat te zijn gevestigd indien het volgens de fiscale wetgeving van die lidstaat aldaar is gevestigd; dit voorkomt dat Nederland via de eigen feitelijke-vestigingstoets alsnog een dubbele vestigingsplaats zou construeren voor grensoverschrijdende reorganisaties en concernrelaties die de richtlijnen juist fiscaal neutraal willen faciliteren.
Lid 4 regelt de vestigingsplaats van een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe): deze wordt geacht te zijn gevestigd in de lidstaat waarvan de bevoegde autoriteit de instelling heeft toegelaten. Lid 5 doet hetzelfde voor de alternatieve beleggingsinstelling, mits cumulatief aan twee voorwaarden is voldaan: het lichaam is opgericht of aangegaan naar het recht van die lidstaat, en het doel en de feitelijke werkzaamheid van het lichaam bestaan uitsluitend uit het beleggen van vermogen als bedoeld in art. 28 Wet Vpb 1969. Is niet aan beide voorwaarden van lid 5 voldaan, dan geldt de feitelijke toets van lid 1 onverkort. Beide beleggingsficties bestaan omdat beleggingsinstellingen doorgaans geen fysieke bedrijfsvoering in één land hebben waarop de feitelijke-leidingtoets goed aangrijpt, terwijl de toezichtwetgeving al een eenduidige lidstaat van herkomst aanwijst.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| EU-richtlijnen die de vestigingsplaatsfictie voor lichamen activeren | 3 richtlijnen: fusierichtlijn, moeder-dochterrichtlijn, interest- en royaltyrichtlijn | art. 4 lid 3 AWR |
| Cumulatieve voorwaarden vestigingsplaatsfictie alternatieve beleggingsinstelling | 2 voorwaarden: oprichting naar het recht van de lidstaat; uitsluitend beleggen van vermogen | art. 4 lid 5 AWR |
(wettekst geldend per 2026)
Gevolg voor de belastingplicht
Voor de inkomstenbelasting zijn natuurlijke personen die in Nederland wonen binnenlandse belastingplichtigen, en zij die niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten buitenlandse belastingplichtigen (art. 2.1 lid 1 Wet IB 2001). Binnenlandse belastingplichtigen worden belast over hun wereldwijde inkomen uit werk en woning (hoofdstuk 3 Wet IB 2001) en uit aanmerkelijk belang (hoofdstuk 4 Wet IB 2001); buitenlandse belastingplichtigen alleen over het in Nederland behaalde Nederlandse inkomen (de afdelingen 7.2, 7.3 en 7.5 Wet IB 2001). Voor de vennootschapsbelasting geldt hetzelfde onderscheid: in Nederland gevestigde lichamen als bedoeld in art. 2 lid 1 Wet Vpb 1969, zoals NV's, BV's en coöperaties, zijn binnenlandse belastingplichtigen en worden belast over hun wereldwijde resultaat; niet in Nederland gevestigde lichamen met een vergelijkbare rechtsvorm die Nederlands inkomen genieten zijn buitenlandse belastingplichtigen in de zin van art. 3 lid 1 Wet Vpb 1969 en worden alleen over dat Nederlandse inkomen belast.
Bewijslast en procedure
Er is geen aparte aanvraagprocedure om de woonplaats of vestigingsplaats vast te stellen: de inspecteur beoordeelt dit bij het opleggen van de aanslag, en wie het daarmee oneens is, kan bezwaar en beroep aantekenen tegen de aanslag. Stelt de inspecteur dat iemand in Nederland woont of een lichaam in Nederland is gevestigd, dan rust de bewijslast daarvoor op hem; maakt hij dat niet aannemelijk, dan sneuvelt de aanslag. Voor de nadere feitelijke afbakening bij emigratie en immigratie, zoals aangiftevorm, het moment van overgang en eventuele terugwerkende kracht, verwijst de wet naar de aanslagregeling in het jaar van vertrek of aankomst; de precieze administratieve afhandeling daarvan is geen onderwerp van art. 4 AWR zelf. Deze lijn keert terug in ECLI:NL:GHAMS:2022:90, waarin het Hof Amsterdam oordeelde dat de werkelijke leiding van een BV in 2005 naar Spanje en in 2013 naar Curaçao was verhuisd omdat de inspecteur niet aannemelijk maakte dat de dga in Nederland leidinggaf, zodat Nederland eind 2015 geen heffingsrecht meer had over het inkomen uit aanmerkelijk belang. Dezelfde bewijslastverdeling keert terug in ECLI:NL:GHARL:2020:9535 en ECLI:NL:GHARL:2020:9541, waarin de inspecteur evenmin aannemelijk maakte dat belanghebbende in Nederland was gevestigd, met vernietiging van de aanslagen tot gevolg.
Aandachtspunten voor de praktijk
- De nationale woonplaatsbeoordeling staat los van de verdragstoepassing en gaat daaraan vooraf; pas nadat naar Nederlands recht is vastgesteld dat iemand of een lichaam in Nederland woont respectievelijk is gevestigd, is de vraag aan de orde of een belastingverdrag dezelfde persoon of hetzelfde lichaam ook als inwoner van de andere verdragsstaat aanmerkt.
- Bij een dga die met zijn BV verhuist, spelen de woonplaatsvraag voor de dga zelf (duurzame band van persoonlijke aard) en de vestigingsplaatsvraag voor de BV (werkelijke leiding) los van elkaar; uit ECLI:NL:GHAMS:2022:90 blijkt dat de BV al vestigingsplaats kan hebben verloren voordat over de eigen woonplaats van de dga is geoordeeld.
- Voor beleggingsinstellingen en icbe's is de vestigingsplaatsfictie van art. 4 lid 4 en lid 5 AWR een uitzondering op de hoofdregel; bij een alternatieve beleggingsinstelling moet steeds worden getoetst of aan beide cumulatieve voorwaarden van lid 5 gelijktijdig is voldaan, en bij twijfel of niet-vervulling geldt de feitelijke toets van lid 1 onverkort. Dezelfde vestigingsplaatsvraag is relevant voor de kwalificatie als buitenlandse belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting en voor de kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling.
- Omdat geen enkele indicator op zichzelf beslissend is, leidt een enkelvoudig kenmerk zelden tot een woonplaatsoordeel; het gaat om de combinatie van indicatoren die in de aangehaalde rechtspraak terugkeert.
Recente ontwikkelingen
- 2024: de kennisgroep van de Belastingdienst neemt in KG:211:2024:9 het standpunt in dat een alternatieve beleggingsinstelling die als gediversifieerde portefeuille-belegger optreedt onder de AIFM-richtlijn onder de omgekeerd-hybride-uitzondering kan vallen, mits is voldaan aan de voorwaarden van de uitzondering voor omgekeerd hybride lichamen in art. 2 Wet Vpb 1969 (naar de huidige, per 1 januari 2026 geldende telling het lid dat volgt op de definitie van het omgekeerd hybride lichaam).
- 2025: het College Internationale Fiscale Zekerheid behandelt in ATR 20250211-000003 een verzoek van een Nederlandse commanditaire vennootschap over rechtsvormkwalificatie, de status van omgekeerd hybride lichaam en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting voor 2024 tot en met 2028.
- 2025: Gerechtshof Amsterdam oordeelt in twee samenhangende erfbelastingzaken, ECLI:NL:GHAMS:2025:2356 en ECLI:NL:GHAMS:2025:2357, over de fiscale woonplaats van een erflater die na een verergering van zijn multiple sclerose voor gespecialiseerde behandeling naar Nederland terugkeerde.
- 2025: in ATR 20250826-000007 en ATR 20251125-000007 vragen een samenwerkingsverband respectievelijk een commanditaire vennootschap zekerheid vooraf over de kwalificatie naar Nederlands recht, de vestigingsplaats en de buitenlandse belastingplicht voor 2025 tot en met 2029.
- 2026: Gerechtshof Amsterdam beoordeelt in ECLI:NL:GHAMS:2026:1285 de fiscale woonplaats van een piloot en diens onderworpenheid in Nederland en het Verenigd Koninkrijk, met toepassing van de statutory residence test en de tiebreakerbepaling van het belastingverdrag NL-VK.
- 2026: een verzoeker met een buitenlandse rechtsvorm die niet vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm vraagt in RULOV 20260623-000008 zekerheid vooraf over zijn vestigingsplaats naar Nederlandse fiscale maatstaven voor 2025 tot en met 2029.
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
29 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHARL:2020:9535 (2020)
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in Nederland is gevestigd, vernietigt de belastingaanslagen en stelt wegens niet tijdig beslissen een dwangsom vast.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:721 (2024)
Het Hof oordeelt dat belanghebbende op grond van artikel 4 AWR vanwege een duurzame band van persoonlijke aard in Nederland woont, en behandelt vervolgens de toepassing van het Verdrag Nederland-Duitsland.
-
ECLI:NL:GHAMS:2025:2357 (2025)
De zaak betreft de vraag naar de fiscale woonplaats van een erflater in de zin van art. 4 AWR, in verband met een aanslag erfbelasting over een verkrijging van € 292.511.
-
ECLI:NL:GHAMS:2025:2356 (2025)
De zaak betreft de fiscale woonplaats van de erflater voor de erfbelasting, die op 24-jarige leeftijd naar het Verenigd Koninkrijk verhuisde en later, na verergering van zijn multiple sclerose, voor gespecialiseerde behandeling naar Nederland kwam.
-
ECLI:NL:GHARL:2020:9541 (2020)
Het Hof oordeelt dat de aanslagen niet bekend zijn gemaakt omdat belanghebbende naar Curaçaos recht al was opgehouden te bestaan, zodat de bezwaren ontvankelijk zijn, en dat de Inspecteur niet aannemelijk maakt dat belanghebbende in Nederland is gevestigd; het vernietigt de belastingaanslagen.
-
ECLI:NL:GHARL:2020:9539 (2020)
Het Hof oordeelt dat de bezwaren tegen de VPB-, OB- en dividendbelastingaanslagen ontvankelijk zijn omdat deze niet bekend zijn gemaakt, en vernietigt de aanslagen omdat de Inspecteur niet aannemelijk maakt dat belanghebbende in Nederland is gevestigd.
-
ECLI:NL:GHAMS:2026:1285 (2026)
De zaak betreft de aanslag IB/PVV 2018 van een piloot en de vaststelling van diens fiscale woonplaats en onderworpenheid in Nederland en het Verenigd Koninkrijk, met toepassing van de statutory residence test en de tiebreakerbepaling van het belastingverdrag NL-VK.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:90 (2022)
Het Hof oordeelt dat de werkelijke leiding van de BV in 2005 naar Spanje en in 2013 naar Curaçao verhuisde, omdat de Inspecteur niet aannemelijk maakt dat de dga in Nederland leidinggaf; Nederland heeft eind 2015 geen heffingsrecht over het inkomen uit aanmerkelijk belang.
-
ECLI:NL:HR:1992:ZC5105 (1992)
De Hoge Raad oordeelt dat de verhoging ten onrechte is opgelegd, omdat voor het standpunt van belanghebbende over haar belastingplicht zodanige argumenten zijn aan te voeren dat geen sprake is van opzet of grove schuld.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:920 (2023)
De zaak betreft of de naheffingsaanslag loonbelasting over 2014-2018 terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, met als deelvragen onder meer of het stamrecht al vóór 2014 is afgekocht, of belanghebbende inhoudingsplichtige was, en of de verzuimboetes wegens een pleitbaar standpunt achterwege hadden moeten blijven.
Beleid en standpunten
37 bronnen in de kennisbank-
KG:211:2024:9 (2024)
Standpunt: Alternatieve beleggingsinstelling als gediversificeerde portefeuille-belegger onder AIFM-richtlijn kan onder omgekeerd hybride-uitzondering vallen als voorwaarden artikel 2 lid 13 Wet Vpb worden nageleefd.
-
RULOV 20260623-000008 (2026)
X, buitenlandse rechtsvorm niet vergelijkbaar met Nederlandse vorm, verzoekt zekerheid vooraf over haar vestigingsplaats naar Nederlandse fiscale maatstaven voor de jaren 2025-2029.
-
Besluit BWBR0043777
Goedkeuring/beleid inzake FATCA en CRS. Dit besluit voegt eerder afzonderlijke beleidsbesluiten samen en geeft technische toelichting op automatische uitwisseling van financiële rekeninggegevens.
-
RULOV 20240423-000007 (2024)
X, verkrijgende partij in grensoverschrijdende juridische fusie, verzoekt zekerheid op voortdurende Nederlandse vestiging ondanks incorporatie naar buitenlands recht 2023-2027.
-
ATR 20250826-000007 (2025)
Samenwerkingsverband lidstaat EU verzoekt kwalificatie naar Nederlands recht als commanditaire vennootschap, vestigingsplaats en buitenlandse belastingplicht 2025-2029; geen rechtspersoonlijkheid, investeert via Nederlandse coöperatie in portfolio.
-
RULOV 20200908-000001 (2020)
Nederlandse fondsenbeheerder vraagt zekerheid of EU-investeringsfonds transparant naar Nederlands recht is gevestigd. Fonds transparant naar buitenlands recht, niet-transparant naar Nederlands recht.
-
RULOV 20200616-000007 (2020)
X verzoekt zekerheid over Nederlandse vestiging investeringsfonds Y; Y transparant naar oprichtingsrecht, niet naar Nederlands recht, gaat obligaties en vorderingen aankopen.
-
ATR 20251125-000007 (2025)
Verzoeker vraagt zekerheid vooraf (jaren 2025-2029) of commanditaire vennootschap X kwalificeert als omgekeerd hybride lichaam en wat buitenlandse belastingplicht VPB is.
-
RULOV 20210406-000004 (2021)
X trekt verzoek in dat investeringsfonds Y (EU-limited partnership) niet in Nederland gevestigd is; Y transparant naar eigen land, niet transparant Nederlands recht.
-
ATR 20250211-000003 (2025)
X, Nederlandse commanditaire vennootschap en investeringsplatform, verzoekt zekerheid rechtsvormkwalificatie, omgekeerd hybride lichaam en buitenlandse belastingplicht vennootschapsbelasting 2024-2028.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.