Vennootschapsbelasting
Fiscale beleggingsinstelling (fbi)
Bijgewerkt op 19 juli 2026
De fiscale beleggingsinstelling (fbi) is een bijzonder regime in de vennootschapsbelasting voor lichamen waarvan doel en feitelijke werkzaamheid bestaan uit het beleggen van vermogen. Art. 28 Wet VPB 1969 geeft de Kroon de bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere, van de wet afwijkende regels te geven voor de heffing bij beleggingsinstellingen, en bepaalt welke lichamen als zodanig kwalificeren.
Het regime is bedoeld voor vehikels die vermogen collectief beleggen: NV's, BV's en fondsen voor gemene rekening, of vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen uit onder meer de BES-eilanden, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een EU-lidstaat. Kwalificatie is geen automatisme: het lichaam moet voldoen aan cumulatieve voorwaarden op het vlak van beleggingsbeleid, financiering, winstuitdeling, aandeelhouderskring en bestuurdersonafhankelijkheid. Het regime raakt ook aan de dividendbelasting, met name bij teruggaafvragen van niet-ingezeten beleggingsfondsen die zich met een Nederlandse fbi vergelijken, en aan de vrijgestelde beleggingsinstelling van art. 6a Wet VPB 1969, waarnaar een lichaam kan overstappen met als gevolg dat art. 28 vanaf dat jaar niet meer van toepassing is.
Wanneer speelt dit
Het thema is relevant bij structurering en onderhoud van beleggingsfondsen en vastgoedvehikels: bij de keuze tussen een fbi, een vrijgestelde beleggingsinstelling of een gewoon belast lichaam, bij de beoordeling of de aandeelhouderskring nog aan de eisen voldoet na een aandelenoverdracht, en bij de vraag of een financieringsstructuur binnen de financieringslimieten blijft. Het speelt ook bij nevenactiviteiten zoals vastgoedontwikkeling, verhuurgerelateerde dienstverlening of energielevering die de fbi-status in gevaar kunnen brengen, en bij grensoverschrijdende situaties waarin een niet-ingezeten beleggingsfonds teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting vraagt met een beroep op het vrije kapitaalverkeer.
Wettelijk kader
Art. 28 lid 2 Wet VPB 1969 somt de kwalificerende rechtsvormen op en verbindt daaraan een reeks voorwaarden (onderdelen a tot en met g).
Onderdeel a bepaalt dat het lichaam niet belegt in "in Nederland gelegen onroerende zaken", noch in schuldvorderingen op een lichaam dat zulk vastgoed houdt "indien de vergoeding op die schuldvordering doorgaans rechtens dan wel in feite hoofdzakelijk verband houdt met inkomsten uit die in Nederland gelegen onroerende zaken". Direct Nederlands vastgoed en daaraan gekoppelde financiering zijn dus uitgesloten van het fbi-vermogen.
Onderdeel b stelt een financieringslimiet: middelen boven het eigen vermogen mogen "slechts verkregen [zijn] door het aangaan van schulden op aan het lichaam toebehorende onroerende zaken... tot ten hoogste zestig percent van de boekwaarde van de onroerende zaken... en van andere schulden tot ten hoogste twintig percent van de boekwaarde van de overige beleggingen". Vreemd vermogen is toegestaan, maar begrensd naar de aard van het beleggingsobject waarop de schuld rust.
Onderdeel c regelt de kernverplichting: "het door Ons bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de winst wordt niet later dan in de achtste maand na afloop van het jaar ter beschikking gesteld van aandeelhouders en houders van bewijzen van deelgerechtigdheid", gelijkelijk verdeeld over alle aandelen. De uitdelingsverplichting is dus tijdgebonden en kent een gelijkheidseis.
De onderdelen d en e stellen aandeelhouderseisen, met een onderscheid tussen beursgenoteerde/vergunninghoudende lichamen (d) en overige lichamen (e). Bij d geldt dat "het belang bij het lichaam niet voor een vierde gedeelte of meer berust bij een enkele natuurlijk persoon" en niet 45% of meer bij een aan winstbelasting onderworpen lichaam. Bij e mogen er geen natuurlijke personen met een aanmerkelijk belang zijn en moet drie vierde gedeelte of meer van de aandelen berusten bij natuurlijke personen, niet-onderworpen lichamen of kwalificerende beleggingsinstellingen. Onderdeel f sluit doorkijk via niet in Nederland gevestigde fondsen "voor een vierde gedeelte of meer" bij in Nederland gevestigde lichamen uit; onderdeel g eist onafhankelijkheid van bestuurders en het merendeel van de commissarissen ten opzichte van een aandeelhouder met een belang van een kwart of meer.
Lid 3 verruimt "beleggen van vermogen" tot vastgoedontwikkeling voor (verbonden) beleggingsinstellingen, beperkt tot niet-Nederlands vastgoed, tot verbetering of uitbreiding van buitenlands vastgoed "ingeval de investering minder bedraagt dan 30% van de waarde in het economische verkeer", tot garanties en uitleningen aan verbonden vastgoedlichamen, en tot bijkomstige werkzaamheden mits de waarde van de aandelen daarin "niet meer bedraagt dan 15% van het eigen vermogen", de omzet daaruit "niet meer bedraagt dan 25%" van de beleggingsomzet en de bezittingen geheel met eigen vermogen zijn gefinancierd.
Lid 5 laat de minister "in bijzondere gevallen onder door hem te stellen voorwaarden afwijkingen toestaan van het bepaalde in het tweede lid"; lid 6 bepaalt dat art. 28 niet meer van toepassing is vanaf het jaar waarin een lichaam als vrijgestelde beleggingsinstelling (art. 6a) wordt aangemerkt.
Belangrijkste rechtspraak
De Hoge Raad stelde in ECLI:NL:HR:2017:342 (2017) prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU of art. 56 EG (thans art. 63 VWEU) zich verzet tegen weigering van teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds, terwijl een Nederlandse fbi die teruggaaf wel krijgt. Daarop oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2020:1674 (2020) dat die belemmering van het kapitaalverkeer niet kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, maar dat aan het niet-ingezeten fonds wel de voorwaarde van een vervangende betaling mag worden gesteld. In ECLI:NL:HR:2020:2097 (2020) gaf de Hoge Raad een prejudiciële beslissing over dezelfde teruggaafvraag, waarin onder meer aan de orde kwam of het fonds kwalificeert als doelvermogen en uiteindelijk gerechtigde, en of de aandeelhouderseisen van art. 28 Wet VPB strijdig zijn met het vrije kapitaalverkeer.
Gerechtshof Amsterdam oordeelde in een reeks vergelijkbare zaken uit 2024 (onder meer ECLI:NL:GHAMS:2024:1920, ECLI:NL:GHAMS:2024:3626 en ECLI:NL:GHAMS:2024:3632) telkens dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond was: het fbi-regime bleek niet van toepassing en de rente op een onzakelijke aandeelhouderslening werd lager, zakelijk vastgesteld, waarbij in één zaak ook een hogere uitdelingsverplichting en een toevoeging aan de afrondingsreserve (art. 7 BBI) aan de orde kwamen.
Aandachtspunten voor de praktijk
- De aandeelhouderseisen van d en e vergen doorlopende aandacht: een overdracht van een substantieel belang aan een natuurlijk persoon of een niet-onderworpen lichaam kan de fbi-status raken zonder dat het lichaam zelf iets doet. De lijn uit de HR-arresten van 2017 en 2020 laat bovendien zien dat diezelfde eisen onder omstandigheden op gespannen voet kunnen staan met het vrije kapitaalverkeer bij teruggaaf van dividendbelasting aan niet-ingezeten fondsen.
- De financieringslimieten van onderdeel b (60% voor vastgoedgerelateerde schulden, 20% voor overige schulden) vragen een separate toets per beleggingscategorie; een aandeelhouderslening die niet zakelijk geprijsd is, kan bovendien tot een correctie leiden zoals in de Hof Amsterdam-zaken uit 2024, wat doorwerkt op de uitkomst van de fbi-toets.
- De uitdelingsverplichting van onderdeel c is termijngebonden en kent een gelijkheidseis: een tekortschietende of ongelijke uitdeling raakt in beginsel de kwalificatie als fbi.
- Nevenactiviteiten die verder gaan dan beleggen van vermogen (vastgoedontwikkeling, investeringen boven de 30%-grens, bijkomstige werkzaamheden boven de 15%- of 25%-grens uit lid 3) zijn een terugkerend risico dat per boekjaar tegen deze percentages moet worden afgezet, ook als de activiteit ondergeschikt lijkt.
- De overgang naar de vrijgestelde beleggingsinstelling van art. 6a beëindigt de toepassing van art. 28 vanaf dat jaar; een statuswissel vergt dan ook een aparte toets of de voorwaarden voor de nieuwe status daadwerkelijk vervuld zijn.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
21 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2017:342 (2017)
De Hoge Raad stelt naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU of artikel 56 EG (thans art. 63 VWEU) zich verzet tegen weigering van teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds, terwijl een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling wel teruggaaf krijgt.
-
ECLI:NL:HR:2020:1674 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat de belemmering van het kapitaalverkeer die ontstaat doordat aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds geen teruggaaf van dividendbelasting wordt verleend, niet kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, maar dat aan het niet-ingezeten fonds wel de voorwaarde van een vervangende betaling mag worden gesteld.
-
ECLI:NL:HR:2020:2097 (2020)
De prejudiciële beslissing betreft de teruggaaf van dividendbelasting aan een niet-ingezeten beleggingsfonds, waaronder of het als doelvermogen en uiteindelijk gerechtigde kwalificeert en of de aandeelhouderseisen van art. 28 Wet Vpb strijdig zijn met het vrije kapitaalverkeer.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:3626 (2024)
Het Hof Amsterdam verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond: het fbi-regime is niet van toepassing en de rente op de onzakelijke aandeelhouderslening wordt lager vastgesteld.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1920 (2024)
Het hof oordeelt dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is: de aanslagen Vpb worden gecorrigeerd wegens een onzakelijke aandeelhouderslening, een hogere uitdelingsverplichting en toevoeging aan de afrondingsreserve (art. 7 BBI), in het kader van aanspraak op het fbi-regime.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1918 (2024)
Het Hof Amsterdam oordeelt dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is in de zaken over de aanslagen vennootschapsbelasting 2015/2016 en 2017: belanghebbende komt niet in aanmerking voor het fbi-regime en de rente op de aandeelhouderslening wordt lager vastgesteld.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:3632 (2024)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is: belanghebbende komt niet in aanmerking voor het fbi-regime en de rente op de aandeelhouderslening wordt op een lager, zakelijk niveau vastgesteld.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:1691 (2026)
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen, ook als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden, in een zaak over een internationale kunstmatige structuur en een vergrijpboete.
- ECLI:NL:HR:2024:1112 (2024)
- ECLI:NL:HR:2021:506 (2021)
Beleid en standpunten
293 bronnen in de kennisbank-
KG:011:2025:7 (2025)
Standpunt: Een fiscale beleggingsinstelling kan als commanditair vennoot in een operationele commanditaire vennootschap participeren mits beleggings-, financierings- en uitdelingsvereisten worden nagekomen.
-
KG:011:2024:2 (2024)
Standpunt: [Ingetrokken per 22 mei 2024] Gevolgen goedkeuring zonder economisch belang voor bestuurdersvereisten FBI-regime worden opgenomen in afzonderlijk beleidsbesluit.
-
Besluit BWBR0049794
Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor beleggingsinstellingen onder artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, met goedkeuringen over financieringslimiet en vervreemdingswinst op onroerend goed.
-
KG:011:2022:6 (2022)
Standpunt: Zonnepanelen kwalificeren niet als overcapaciteit zolang op jaarbasis meer energie wordt gebruikt dan teruggeleverd; zeer beperkt overschot vormt geen schending van beleggingsvereiste fbi-regime.
-
KG:011:2025:12 (2025)
Standpunt: Gelden van moedermaatschappij worden niet als 'van derden ingeleend' aangemerkt in artikel 28 Wet Vpb 1969. Financieringsactiviteiten kwalificeren niet als belegging.
-
KG:011:2025:11 (2025)
Standpunt: Werkzaamheden cadeaubonnenprogramma winkelcentrum kwalificeren als bijkomstige werkzaamheden artikel 28, derde lid, onderdeel e, Wet Vpb 1969 voor beleggingsfonds.
-
Kamerstuk 26728 nr. 7
Het document behandelt parlementsVragen over implementatie van de Wet inkomstenbelasting 2001 en aanpassingen van diverse belastingrechtelijke bepalingen.
-
KG:024:2025:7 (2025)
Standpunt: De inhoudingsvrijstelling van artikel 4, tweede lid, Wet DB 1965 is niet van toepassing op buitenlandse opbrengstgerechtigden die een vergelijkbare functie vervullen als een beleggingsinstelling.
-
KG:024:2023:17 (2023)
Standpunt: peildatum voor bepaling correctie afdrachtvermindering artikel 11a lid 2 Wet DB 1965 is moment waarop beleggingsinstelling opbrengst ter beschikking stelt aan aandeelhouders, niet moment van ontvangst.
-
KG:011:2023:5 (2023)
Standpunt: Het aanbieden van energieleveringen via een WKO-installatie brengt de fbi-status in gevaar, maar kan worden voorkomen door een verzoek op grond van artikel 28, vijfde lid, Wet Vpb 1969.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.