Vennootschapsbelasting

Vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi)

Bijgewerkt op 19 juli 2026

De vrijgestelde beleggingsinstelling (vbi) is een status die een beleggingsinstelling of icbe op verzoek kan krijgen onder art. 6a Wet VPB 1969, met als gevolg dat het lichaam subjectief is vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Het regime is bedoeld voor lichamen die uitsluitend als collectief beleggingsvehikel functioneren: geld of vermogen wordt gebundeld en belegd, zonder dat op het niveau van het vehikel zelf vennootschapsbelasting wordt geheven.

Tegenover de vrijstelling staat een gesloten stelsel van voorwaarden die de reikwijdte van het regime bepalen: het lichaam moet een specifieke rechtsvorm hebben, uitsluitend in bepaalde financiële instrumenten beleggen en de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa laten inkopen of terugbetalen. Voldoet een lichaam niet (meer) aan deze voorwaarden, dan vervalt de status bij een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur.

De vrijstelling werkt door op het niveau van het beleggingsvehikel zelf: de vbi wordt niet in de heffing van vennootschapsbelasting betrokken. De vbi-status is dus geen doel op zich, maar een schakel in de fiscale behandeling van het collectieve beleggingsvehikel.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op bij de structurering van beleggingsfondsen en beleggings-nv's die als collectief vehikel willen opereren zonder vennootschapsbelastingdruk op fondsniveau. Ook bij een rechtsvormwijziging naar een kwalificerende rechtsvorm (nv of fonds voor gemene rekening) met het oog op de vbi-status, of omgekeerd bij de beëindiging van de vbi-status, is toetsing aan art. 6a Wet VPB 1969 aan de orde. Verder speelt het bij de dividendbelastingpositie van winstreserves die zijn opgebouwd vóór de vbi-status werd verkregen (pre-vbi winstreserves), en bij de vraag of een buitenlands vehikel (bijvoorbeeld opgericht naar het recht van een EU-lidstaat of een verdragsstaat) kwalificeert voor de status.

Wettelijk kader

Art. 6a lid 1 Wet VPB 1969 bepaalt dat op verzoek wordt vrijgesteld "een beleggingsinstelling of icbe als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, welker doel en feitelijke werkzaamheid bestaat uit de belegging van gelden of andere goederen en die uitsluitend belegt in financiële instrumenten, met toepassing van het beginsel van risicospreiding, waarbij de aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid (rechten van deelneming) op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa van de instelling direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald". Dit is een cumulatieve toets: doel én feitelijke werkzaamheid moeten belegging zijn, er moet uitsluitend in financiële instrumenten worden belegd, risicospreiding is vereist, en de rechten van deelneming moeten op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa van de instelling direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.

Lid 2 stelt een rechtsvormeis: de vrijstelling geldt alleen als de instelling een naamloze vennootschap of een fonds voor gemene rekening is, "of een lichaam dat is opgericht of aangegaan naar het op de BES eilanden geldende recht dan wel het recht van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, een lidstaat van de Europese Unie of een staat" waarmee Nederland een belastingverdrag heeft met een non-discriminatiebepaling voor lichamen in een vergelijkbare situatie, mits de rechtsvorm vergelijkbaar is met een nv of fonds voor gemene rekening. Een bv voldoet dus niet aan deze rechtsvormeis.

Lid 3 definieert "financiële instrumenten" voor de toepassing van dit artikel als (a) financiële instrumenten in de zin van art. 1:1 Wft, met uitzondering van zaken en rechten als omschreven in art. 17a onderdelen a en b, en (b) banktegoeden. De uitsluiting van bepaalde zaken en rechten is onderdeel van de hoofdregel en beperkt dus wat als kwalificerende belegging telt.

Lid 4 bepaalt dat een lichaam uitsluitend met ingang van een jaar als vbi wordt aangemerkt; tussentijdse toetreding binnen een lopend jaar is niet mogelijk. Lid 5 vereist dat het verzoek uiterlijk wordt ingediend in het jaar met ingang waarvan de status moet gelden, waarna de inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Lid 6 regelt de gedwongen beëindiging: voldoet het lichaam in de loop van een jaar niet langer aan de voorwaarden, dan wordt het met ingang van dát jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking niet meer als vbi aangemerkt. Lid 7 regelt de vrijwillige beëindiging op verzoek van de vbi zelf, waarbij het verzoek moet zijn ingediend vóórafgaand aan het jaar waarin de status moet eindigen.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De cumulatieve voorwaarden van lid 1 (uitsluitend beleggen in financiële instrumenten, risicospreiding, inkoop of terugbetaling van rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers) moeten doorlopend worden gemonitord: het wegvallen van één voorwaarde binnen het jaar leidt tot verval van de status met ingang van dat jaar, niet pas het jaar erna.
  • De rechtsvormeis van lid 2 sluit gangbare Nederlandse rechtsvormen zoals de bv uit; bij buitenlandse vehikels moet zowel de rechtsvorm-vergelijkbaarheid als de aanwezigheid van een relevante non-discriminatiebepaling in het toepasselijke verdrag worden getoetst.
  • De uitsluiting van bepaalde zaken en rechten (art. 17a onderdelen a en b) in de definitie van financiële instrumenten (lid 3) betekent dat niet elke belegging die commercieel als "financieel instrument" geldt, ook fiscaal kwalificeert voor de vbi-toets.
  • Zowel het verkrijgen (lid 5) als het vrijwillig beëindigen (lid 7) van de status is aan een strikt tijdstip gebonden: het verzoek moet uiterlijk in respectievelijk vóór het betrokken jaar zijn ingediend, met een voor bezwaar vatbare beschikking als formele uitkomst.
  • Winstreserves die zijn opgebouwd in de periode vóór de vbi-status (pre-vbi winstreserves) kunnen bij uitkering aanleiding geven tot een inhoudingsplicht dividendbelasting; dit vraagt aandacht bij de overgang van een gewoon belast lichaam naar de vbi-status.

Recente ontwikkelingen

Het kennisgroepstandpunt KG:024:2023:13 van 30 juni 2023 bevestigt dat een vrijgestelde beleggingsinstelling dividendbelasting moet inhouden op uitkeringen voor zover deze zien op winstreserves die van vóór de vrijstelling nog niet volledig zijn uitgedeeld. Dit standpunt is relevant bij elke overgang naar de vbi-status waarbij nog niet-uitgedeelde winstreserves uit de voorafgaande, wel belaste periode aanwezig zijn.

Kernartikelen

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Alle bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.