Vennootschapsbelasting
Juridische splitsing
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Bij een juridische splitsing gaat het vermogen van een rechtspersoon onder algemene titel over op een of meer verkrijgende rechtspersonen: bij een zuivere splitsing houdt de splitsende rechtspersoon op te bestaan, bij een afsplitsing blijft zij bestaan en gaat alleen een deel van het vermogen over. Fiscaal is dit in beginsel een belaste vervreemding, maar art. 14a Wet VPB 1969 biedt een faciliteit waarbij de splitsende rechtspersoon de daarbij behaalde winst onder voorwaarden niet in aanmerking hoeft te nemen. De verkrijgende rechtspersoon treedt dan fiscaal in de plaats van de splitsende rechtspersoon (indeplaatstreding), zodat boekwaarden en fiscale claims doorlopen in plaats van worden afgerekend.
Deze doorschuifregeling voorkomt dat een zuiver organisatorische splitsing tot directe belastingheffing leidt, mits de betrokken rechtspersonen onder vergelijkbare fiscale regimes blijven vallen en geen fiscale claims verloren gaan. Daartegenover staat een antimisbruiktoets: is de splitsing in overwegende mate gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, dan blijft de faciliteit (gedeeltelijk) buiten toepassing, met name wanneer aandelen kort na de splitsing worden vervreemd.
Wanneer speelt dit
Juridische splitsing komt voor bij afsplitsing van een bedrijfsonderdeel voorafgaand aan een gedeeltelijke verkoop, bij het scheiden van een actieve onderneming en beleggingsvermogen binnen een concern, bij herstructurering van een fiscale eenheid waarbij rente- of verliessaldi over de ontstane vennootschappen moeten worden verdeeld, en bij grensoverschrijdende reorganisaties binnen de EU/EER. Ook bij verdeling van een onderneming tussen aandeelhouders (bijvoorbeeld ter voorbereiding van een uitkoop) wordt de faciliteit gebruikt; dit scenario geldt als risicovol voor de zakelijkheidstoets. Zekerheid vooraf is mogelijk vóór de splitsing over de vraag of de ontgaanstoets wordt tegengeworpen (lid 8), en afzonderlijk voorafgaand aan een voorgenomen vervreemding van aandelen binnen drie jaar na de splitsing (lid 9).
Wettelijk kader
Art. 14a Wet VPB 1969 regelt de fiscale gevolgen van een juridische splitsing. Lid 1 bepaalt dat bij een zuivere splitsing (de splitsende rechtspersoon houdt op te bestaan) deze wordt geacht haar vermogensbestanddelen te hebben overgedragen aan de verkrijgende rechtspersonen en op te houden winst te genieten uit haar Nederlandse onderneming; bij een afsplitsing geldt hetzelfde voor uitsluitend het overgaande vermogen.
Lid 2 bevat de kern van de faciliteit: de winst "behoeft niet in aanmerking te worden genomen, mits voor het bepalen van de winst bij de splitsende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersonen dezelfde bepalingen van toepassing zijn". Daarnaast eist lid 2 dat, voor zover de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan, noch deze noch de verkrijgende rechtspersoon aanspraken heeft op onder meer voorwaartse verliesverrekening (art. 20), voorkoming van dubbele belasting, de innovatiebox, voortwenteling van een saldo aan renten op de voet van art. 15b, de deelnemingsverrekening of voortwenteling van voorheffingen (art. 25a, vierde lid); blijft de splitsende rechtspersoon bestaan (afsplitsing), dan geldt voor haar uitsluitend de eis dat geen aanspraak bestaat op de innovatiebox. In alle gevallen geldt bovendien dat "latere heffing is verzekerd". Is aan die voorwaarden voldaan, dan treedt de verkrijgende rechtspersoon "in de plaats van de splitsende rechtspersoon": fiscale boekwaarden en claims schuiven door. Is niet aan lid 2 voldaan, dan biedt lid 3 een vangnet: op gezamenlijk verzoek van de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen kan Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, de inspecteur toestaan de winst geheel of ten dele buiten aanmerking te laten; de inspecteur beslist vervolgens bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin die voorwaarden zijn opgenomen.
De antimisbruiktoets staat in lid 6: de faciliteit "is niet van toepassing indien de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing". De wet werkt dit uit met een dubbel bewijsvermoeden. Ten eerste wordt een splitsing, "tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt", geacht daarop gericht te zijn "indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden". Ten tweede: worden binnen drie jaar na de splitsing aandelen in de gesplitste of een verkrijgende rechtspersoon geheel of ten dele, direct of indirect vervreemd aan een niet-verbonden lichaam, dan worden zakelijke overwegingen "niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt".
Lid 8 en lid 9 bieden de mogelijkheid vooraf, respectievelijk voorafgaand aan een voorgenomen vervreemding binnen drie jaar, bij de inspecteur zekerheid te vragen bij voor bezwaar vatbare beschikking over de vraag of de ontgaanstoets van lid 6 wordt tegengeworpen. Lid 11 beperkt de toepassing van lid 2 tot en met lid 10 tot situaties waarin de splitsende en verkrijgende rechtspersonen in Nederland, een EU-lidstaat of een aangewezen EER-staat zijn gevestigd.
Belangrijkste rechtspraak
De Hoge Raad boog zich in ECLI:NL:HR:2026:298 (2026) over de vraag of de splitsingsvrijstelling van art. 14a kan worden geweigerd wegens belastingontwijking nadat het bij de splitsing verkregen aandeel binnen drie jaar was doorverkocht, en of het bewijsvermoeden van lid 6, laatste volzin, verenigbaar is met de EU-Fusierichtlijn. Deze zaak werd voorafgegaan door de conclusie in ECLI:NL:PHR:2023:498 (2023) van de Parket bij de Hoge Raad, over een afsplitsing van een verzekeringsonderneming waarbij belastingschulden van de fiscale eenheid achterbleven en het verkregen aandeel binnen drie jaar werd doorverkocht; ook daar stond de vraag centraal of dit overwegend gericht was op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing en of de bewijsvermoedens stroken met de Fusierichtlijn.
In ECLI:NL:HR:2012:BP6629 (2012) oordeelde de Hoge Raad dat een voorgenomen splitsing geacht wordt in overwegende mate op ontgaan of uitstel van belastingheffing gericht te zijn wanneer geen zakelijke overwegingen aannemelijk zijn gemaakt en de splitsing feitelijk niet meer is dan een alternatieve route voor de uitkoop van een aandeelhouder.
In ECLI:NL:HR:2020:2078 (2020) oordeelde de Hoge Raad, in een zaak over de overdrachtsbelastingvrijstelling van art. 15, lid 1, letter h Wet op belastingen van rechtsverkeer, dat die bepaling moet worden uitgelegd in samenhang met art. 14a, lid 6 Wet VPB 1969 en de Fusierichtlijn: de ontgaanstoets werkt dus ook door in aanpalende splitsingsvrijstellingen buiten de vennootschapsbelasting.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Vervreemding van aandelen binnen drie jaar activeert een aanvullend bewijsvermoeden tegen zakelijkheid; ECLI:NL:HR:2026:298 en ECLI:NL:PHR:2023:498 laten zien dat dit vermoeden ook aan de Fusierichtlijn wordt getoetst.
- Een splitsing die feitelijk vooral dient om een aandeelhouder uit te kopen, wordt volgens ECLI:NL:HR:2012:BP6629 bij gebrek aan aannemelijk gemaakte zakelijke overwegingen geacht op ontgaan of uitstel van heffing gericht te zijn.
- Lid 2 eist dat de splitsende rechtspersoon (indien deze ophoudt te bestaan) en de verkrijgende rechtspersoon geen aanspraken hebben op onder meer verliesverrekening, deelnemingsverrekening of voortwenteling van rentesaldi, en dat de splitsende rechtspersoon die bij afsplitsing blijft bestaan geen aanspraak heeft op de innovatiebox; ontbreekt het daaraan, dan resteert alleen de verzoekroute van lid 3.
- Zekerheid vooraf is wettelijk voorzien: over de faciliteit zelf (lid 8) en over een voorgenomen vervreemding binnen drie jaar (lid 9).
- De grensoverschrijdende toepassing is beperkt tot rechtspersonen gevestigd in Nederland, een EU-lidstaat of een aangewezen EER-staat (lid 11).
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
8 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2026:298 (2026)
De zaak betreft of de splitsingsvrijstelling van art. 14a Wet Vpb kan worden geweigerd wegens belastingontwijking na verkoop van het bij splitsing verkregen aandeel binnen drie jaar, en of het bewijsvermoeden van art. 14a lid 6 laatste volzin strijdig is met de Fusierichtlijn.
-
ECLI:NL:GHARL:2022:8228 (2022)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep van de inspecteur tegen de vernietiging van diens afwijzende beschikking over de juridische splitsing gegrond is; het vernietigt de rechtbankuitspraak en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:278 (2021)
De zaak betreft de toepassing van de splitsingsvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel h, Wet op belastingen van rechtsverkeer jo. artikel 5c Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer 1971, met als kernvraag welke bewijsvermoedens gelden, wat het beoordelingstijdstip is en bij wie de bewijslast ligt.
-
ECLI:NL:PHR:2023:498 (2023)
De zaak betreft of de juridische afsplitsing van een verzekeringsonderneming, waarbij belastingschulden van de fiscale eenheid achterbleven en het verkregen aandeel binnen drie jaar werd doorverkocht, overwegend was gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing in de zin van artikel 14a, lid 6, Wet Vpb 1969, en of de wettelijke bewijsvermoedens daarbij verenigbaar zijn met de EU-Fusierichtlijn.
-
ECLI:NL:HR:2012:BP6629 (2012)
De Hoge Raad oordeelt dat een voorgenomen juridische splitsing geacht wordt in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing als bedoeld in artikel 14a, lid 10, Wet Vpb 1969, indien geen zakelijke overwegingen aannemelijk zijn gemaakt en de splitsing feitelijk slechts een alternatieve route vormt voor uitkoop van een aandeelhouder.
-
ECLI:NL:HR:2020:2078 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat de splitsingsvrijstelling van artikel 15, lid 1, letter h, Wet op belastingen van rechtsverkeer moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 14a, lid 6, Wet Vpb 1969, in samenhang met de Fusierichtlijn, en vernietigt op die grond de uitspraak van het Hof.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:1399 (2023)
Het Hof oordeelt dat goodwill uit een grensoverschrijdende juridische fusie fiscaal niet splitsbaar is omdat zij volledig betrekking heeft op de verkregen activa en passiva, zodat belanghebbende die niet op de Nederlandse hoofdhuisbalans kan activeren en afschrijven.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:1864 (2024)
Het Hof oordeelt na verwijzing dat het hoger beroep ongegrond is: nu vaststaat dat de betrokken ondernemingen zijn uitgeruild, is de schenkbelastingaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd.
Beleid en standpunten
14 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0047081
Beleid voor zuivere splitsing in vennootschapsbelasting waarbij de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan, met standaardvoorwaarden voor verliesverrekening en voortwenteling van voorheffingen.
-
Besluit BWBR0051531
Beleid voor juridische afsplitsing in de vennootschapsbelasting, vervangend het besluit van 2022. Dit besluit bevat geen tekstblokken meer voor de inspecteur en verduidelijkt dat beschikking geen zekerheid verstrekt over de ontgaanstoets.
-
RULOV 20250603-000007 (2025)
X vraagt zekerheid voor grensoverschrijdende juridische afsplitsing vaste inrichting Nederland naar nieuwe NL-vennootschap zonder vennootschapsbelasting, retroactief 1 januari 2025.
-
KG:032:2022:1 (2022)
Standpunt: Rentesaldi van fiscale eenheid kunnen na splitsing worden meegegeven aan dochtermaatschappijen.
-
RULOV 20220524-000007 (2022)
X-concern wenst zekerheid grensoverschrijdende juridische fusies niet zijn belastbaar feit en niet kwalificeren als vervreemding; tophoudster EU-lid vastgoedbeleggingen.
-
Kamerstuk 34552 nr. 3
Memorie van toelichting Belastingplan 2017, met onderdelen inkomensbeleid, constructiebestrijding, innovatiebox en jurisprudentiegevolgen.
-
Besluit BWBR0046229
Dit beleidsbesluit bevat het beleid voor lijfrenten in de winstsfeer, met aanpassingen van het omzettingsbeleid voor stamrechten.
-
KG:032:2026:1 (2026)
Standpunt: Doorschuiffaciliteit zonder verzoek vereist dat geen aanspraak op voorwaartse verrekening van verliezen bestaat. Bij bestaande aanspraken moet verzoek om toepassing faciliteit worden ingediend.
-
KG:063:2023:23 (2023)
Standpunt: Een splitsing die de toerekening van ondernemingen wijzigt, kan leiden tot het aanvangen van een nieuwe bezitstermijn.
-
KG:032:2025:2 (2025)
Standpunt: De deelnemingsvrijstelling onder artikel 13 Wet Vpb 1969 is van toepassing op voordelen uit vervreemding van indirecte belangen die onder de doorschuiffaciliteit van artikel X WFKR zijn overgedragen.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.