Vennootschapsbelasting

Verliesverrekening

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Verliesverrekening is het mechanisme waarmee een negatief fiscaal resultaat in het ene jaar wordt afgezet tegen positieve resultaten in een ander jaar. Voor de vennootschapsbelasting is dit geregeld in art. 20 Wet VPB 1969, voor de inkomstenbelasting (box 1) in art. 3.150 Wet IB 2001. Het leerstuk zorgt ervoor dat belasting wordt geheven over het totale resultaat van een onderneming over de tijd, niet uitsluitend over de jaren waarin toevallig winst is behaald.

Aan dat recht zijn grenzen gesteld. In de vennootschapsbelasting geldt een bedragsmatige beperking per jaar (art. 20 lid 2 Wet VPB 1969) en, los daarvan, een volledige uitsluiting van voorwaartse verrekening wanneer het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate wisselt (art. 20a Wet VPB 1969). Die laatste bepaling moet handel in verlieslichamen tegengaan, maar kent precies omschreven uitzonderingen.

Verliesverrekening speelt zowel als zelfstandig aandachtspunt bij de aangifte, als in de aanloop naar of tijdens transacties, waar de vraag of verliezen bewaard blijven vaak medebepalend is voor waarde en structurering van een deal.

Wanneer speelt dit

Het thema speelt onder meer bij: het bepalen van de verrekenbare winst in de aangifte VPB of IB wanneer een voorgaand jaar of eerdere jaren verlieslatend waren; overnames, aandelenoverdrachten of andere wijzigingen in het aandeelhoudersbestand van een vennootschap met openstaande verliezen; het voegen of ontvoegen van een fiscale eenheid waarbij voorvoegingsverliezen in beeld komen; juridische fusies waarbij een verlieslatende of verliesgevende partij betrokken is; en bedrijfsopvolging krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht bij een vennootschap met onverrekende verliezen.

Wettelijk kader

Art. 20 Wet VPB 1969 bevat de hoofdregel. Lid 1 merkt een negatieve uitkomst van de belastbare winst aan als verlies. Lid 2 bepaalt dat "een verlies wordt verrekend met de belastbare winsten, onderscheidenlijk de Nederlandse inkomens, van het voorafgaande jaar en de volgende jaren, mits het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking", en begrenst meteen ook het jaarlijkse verrekeningsbedrag: "verrekening in een jaar [vindt] slechts plaats tot een bedrag van € 1.000.000 vermeerderd met 50% van de belastbare winst [...] van dat jaar nadat die winst [...] is verminderd met een bedrag van € 1.000.000". Verliezen boven die franchise van 1 miljoen euro zijn dus slechts voor 50% van het restant verrekenbaar; het overige deel schuift door naar een later jaar. Lid 3 sluit verrekening uit over de grens van een statusperiode als beleggingsinstelling heen; lid 4 schrijft voor dat verrekening plaatsvindt in de volgorde waarin verliezen zijn ontstaan en winsten zijn behaald.

Art. 20a Wet VPB 1969 grijpt in wanneer het uiteindelijke belang in de belastingplichtige wijzigt. Lid 1 bepaalt dat indien aannemelijk is dat "het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, de verliezen geleden voor het tijdstip waarop de wijziging heeft plaatsgevonden [...] niet meer voorwaarts verrekenbaar" zijn, waarbij de winst van het wijzigingsjaar wordt gesplitst in een periode voor en na de wijziging. Lid 2 zondert twee situaties uit: de wijziging vloeit voort "uit een overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht" (onderdeel a), of zij betreft een uitbreiding van het belang van iemand die al "ten minste een derde deel van het uiteindelijke belang" had (onderdeel b). Lid 3 laat de hoofdregel buiten toepassing als de belastingplichtige de wijziging niet kende of kon kennen en zij "niet uitgaat boven hetgeen als gebruikelijk kan worden aangemerkt". Lid 4 geeft een uitzondering voor verliezen uit een jaar waarin de bezittingen ten minste negen maanden niet grotendeels uit beleggingen bestonden, mits de omvang van de werkzaamheden niet is afgenomen tot minder dan 30 percent van de omvang bij het begin van het oudste jaar en niet het voornemen bestaat die omvang binnen drie jaar alsnog daaronder te laten dalen. Lid 8 werkt uit wat onder "beleggingen" wordt verstaan, waaronder liquide middelen en bepaalde onroerende zaken. Lid 9 breidt de toets overeenkomstig uit naar achterwaartse verliesverrekening.

Art. 3.150 Wet IB 2001 regelt verliesverrekening in box 1: lid 1 bepaalt dat "het verlies uit werk en woning wordt verrekend met de inkomens uit werk en woning van de drie voorafgaande en de negen volgende kalenderjaren". Lid 5 schrijft de verrekeningsvolgorde voor (eerst ontstaan, eerst verrekend). Lid 7 wijst een bijzondere regel toe voor het verlies dat bij toepassing van art. 14c, derde lid, Wet VPB 1969 geacht wordt te zijn geleden door de voortzettende aandeelhouder: dat verlies is uitsluitend verrekenbaar met de winst uit de voortgezette onderneming.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2026:811 (2026) dat art. 20a Wet VPB de verliesverrekening ook beperkt wanneer een verhuurder in het belang van de volkshuisvesting een materiële onderneming drijft en van misbruik geen sprake is.

Gerechtshof Amsterdam overwoog in ECLI:NL:GHAMS:2023:1382 (2023) dat de beperking van art. 20a blijkens de wetsgeschiedenis ook geldt voor latente verliezen die ten tijde van de belangenwijziging al aanwezig waren; een beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

In ECLI:NL:HR:2021:884 (2021) oordeelde de Hoge Raad dat een voorvoegings-houdsterverlies van de moedermaatschappij, volgens de duidelijke bewoordingen van de samenhangende bepalingen, wordt verrekend met de winst van de fiscale eenheid, ook al staat dat op gespannen voet met doel en strekking van die bepalingen.

Tot slot besliste de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2023:1579 (2023) dat een voorfusie-houdster- en financieringsverlies niet verrekenbaar is met nafusiewinst wanneer de belastingplichtige door de juridische fusie de status van houdster- en financieringsvennootschap verliest, ook niet voor zover die winst aan houdsteractiviteiten van de verkrijgende rechtspersoon is toe te rekenen.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij iedere aandeelhouderswisseling is van belang of sprake is van een belangrijke wijziging van het uiteindelijke belang in de zin van art. 20a lid 1, ook wanneer de verhuurder een materiële onderneming drijft en van misbruik geen sprake is.
  • Bij een beroep op de uitzonderingen van art. 20a lid 2 (erfrecht/huwelijksvermogensrecht, uitbreiding door een reeds bestaande belanghebber van ten minste een derde) en de 30-percent-beleggingstoets van lid 4 is bepalend of aan alle cumulatieve voorwaarden is voldaan, niet slechts aan één ervan.
  • Ook latente, nog niet formeel vastgestelde verliezen die ten tijde van de belangenwijziging al bestonden, kunnen onder de beperking van art. 20a vallen.
  • Bij een fiscale eenheid is van belang hoe voorvoegingsverliezen van de moeder- of dochtermaatschappij zich verhouden tot de winst van de eenheid als geheel; de tekst van de samenhangende bepalingen kan tot een uitkomst leiden die niet aansluit bij de veronderstelde ratio van de regeling.
  • Bij een juridische fusie is van belang of de betrokken vennootschap haar houdster- of financieringskarakter behoudt: verliest zij dat karakter, dan kan het voorfusieverlies zijn verrekenbaarheid met nafusiewinst verliezen, ook voor zover die winst aan houdsteractiviteiten is toe te rekenen.

Recente ontwikkelingen

De Belastingdienst-kennisgroepen publiceerden in 2022-2025 diverse standpunten over de toepassing van art. 20a, waaronder de samenloop met erfopvolging, de kwalificatie van groepsvorderingen en herontwikkelde onroerende zaken onder de beleggingstoets, en de doorwerking bij een fiscale eenheid na de spoedreparatiemaatregel van art. 15 leden 16 en 17 Wet VPB 1969.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 53 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.