Vennootschapsbelasting
Innovatiebox
Bijgewerkt op 19 juli 2026
De innovatiebox is een preferentieel regime in de vennootschapsbelasting voor voordelen uit zelf voortgebrachte immateriële activa die voortvloeien uit eigen speur- en ontwikkelingswerk (S&O). In plaats van het reguliere tarief worden kwalificerende voordelen effectief tegen een verlaagd tarief in aanmerking genomen, via een breukbenadering die is vastgelegd in art. 12b Wet VPB 1969.
De regeling is nexusgebaseerd: het voordeel wordt gekoppeld aan de mate waarin de belastingplichtige het onderliggende speur- en ontwikkelingswerk zelf heeft verricht of bij niet-verbonden partijen heeft uitbesteed. Toegang vereist steeds een S&O-verklaring; voor grotere belastingplichtigen komt daar een aanvullend juridisch toegangsticket bij, zoals een octrooi, kwekersrecht of vergelijkbaar recht. Voor kleinere belastingplichtigen volstaat de S&O-verklaring als enige toegangseis.
In de gepubliceerde rulingpraktijk wordt de innovatiebox vooraf afgestemd met de Belastingdienst, onder meer via het College Internationale Fiscale Zekerheid, gelet op de feitelijke beoordeling die kwalificatie en toerekening vergen.
Wanneer speelt dit
Het thema komt op bij ondernemingen die zelf ontwikkelde immateriële activa exploiteren waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven, zoals software, gepatenteerde producten, kwekersrechten of geneesmiddelvergunningen. Het speelt bij de aangiftekeuze voor het regime, bij herstructurering van R&D binnen een fiscale eenheid of concern, bij doorontwikkeling van bestaand intellectueel eigendom, en bij zekerheid vooraf over kwalificatie van activa of toerekening van voordelen aan een gevoegde dochtermaatschappij.
Wettelijk kader
Kwalificerend immaterieel activum (art. 12ba Wet VPB 1969). Art. 12ba lid 1 onderdeel a Wet VPB 1969 bepaalt voor kleinere belastingplichtigen dat een kwalificerend immaterieel activum is "een immaterieel activum dat is voortgevloeid uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor aan de belastingplichtige een S&O-verklaring is afgegeven (…)". Voor de belastingplichtige die niet onder onderdeel a valt (de grotere belastingplichtige) eist onderdeel b niet alleen een S&O-verklaring, maar ook dat sprake is van, onder meer, een verleend of aangevraagd octrooi of kwekersrecht, programmatuur, een toelating voor een niet-chemische gewasbeschermingsmethode, een vergunning voor een geneesmiddel in een EU-lidstaat, een aanvullend beschermingscertificaat, een geregistreerd gebruiksmodel, of een activum dat met een van deze samenhangt. Deze opsomming is in de wettekst verbonden met "of": één van deze aanvullende toegangstickets naast de S&O-verklaring volstaat, cumulatie is niet vereist. Lid 4 bepaalt dat onder deze rechten mede wordt verstaan een exclusieve licentie om het octrooi of kwekersrecht, de aanvraag daarvoor, de programmatuur, de toelating, de vergunning, het aanvullend beschermingscertificaat of het gebruiksmodel te gebruiken op een bepaalde wijze, voor een bepaalde termijn of in een bepaald geografisch gebied; een belastingplichtige die niet zelf rechthebbende is maar wel over zo'n exclusieve licentie beschikt, voldoet daarmee eveneens aan het toegangsticket-vereiste van onderdeel b. Art. 12bb lid 4 Wet VPB 1969 beperkt in dat geval de kwalificerende voordelen tot het deel dat voortvloeit uit het gebruik van die exclusieve licentie.
Wie als kleinere belastingplichtige geldt, volgt uit lid 2. Dat lid eist dat "het bedrag van de voordelen (…) tezamen lager is dan € 37.500.000" (onderdeel a) én dat de netto-omzet "tezamen lager is dan € 250.000.000" (onderdeel b); de wettekst verbindt beide onderdelen met "en", zodat aan beide omvangscriteria tegelijk moet zijn voldaan om als kleinere belastingplichtige te kwalificeren. Lid 5 bepaalt dat bij doorontwikkeling van een activum dat niet door de belastingplichtige zelf is voortgebracht, alleen sprake is van een zelf voortgebracht immaterieel activum voor zover dat speur- en ontwikkelingswerk heeft geleid tot een nieuw immaterieel activum dat uit dat werk is voortgevloeid. Lid 6 sluit merken, logo's en daarmee vergelijkbare vermogensbestanddelen uitdrukkelijk uit als kwalificerend immaterieel activum.
Nexusbreuk (art. 12bb Wet VPB 1969). Art. 12bb lid 1 Wet VPB 1969 stelt de kwalificerende voordelen op "K/T gedeelte, maar niet meer dan het geheel, van de voordelen (…), na vermindering van deze voordelen met de drempel, bedoeld in artikel 12bc". Daarbij is K de kwalificerende uitgaven ten behoeve van het activum, "vermenigvuldigd met 1,3", en T de totale uitgaven ten behoeve van het voortbrengen van het activum. Lid 5 definieert kwalificerende uitgaven als de som van eigen uitgaven aan speur- en ontwikkelingswerk en uitgaven voor het uitbesteden van dat werk aan een niet met de belastingplichtige verbonden lichaam. Lid 8 sluit uitdrukkelijk uit: "uitgaven ter zake van schulden, uitgaven ter zake van huisvesting en andere uitgaven die niet direct verband houden met het speur- en ontwikkelingswerk dat heeft geleid tot het immateriële activum".
Effectief tarief (art. 12b Wet VPB 1969). Art. 12b Wet VPB 1969 bepaalt dat de kwalificerende voordelen, indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, in aanmerking worden genomen voor "9/H gedeelte", waarbij H het percentage is van het hoogste tarief van art. 22 Wet VPB 1969 dat geldt voor het jaar waarin het voordeel is genoten. De wettekst voegt toe dat dit alleen geldt "voor zover het saldo van de kwalificerende voordelen (…) positief is": bij een negatief saldo is er geen ruimte voor toepassing van deze breuk.
Belangrijkste rechtspraak
In de conclusie ECLI:NL:PHR:2024:802 (Parket bij de Hoge Raad, 2024) gaat het om de vraag of voortgewentelde buitenlandse bronbelasting op innovatiebox-royalty's ook in latere jaren uitsluitend verrekenbaar is met vennootschapsbelasting over innovatiebox-royalty's, en niet met belasting over overige passieve inkomsten, zelfs wanneer de belastingplichtige door een wetswijziging niet meer aan de innovatiebox-voorwaarden voldoet. Het betreft een conclusie van de Advocaat-Generaal (nog geen arrest van de Hoge Raad zelf), die de reikwijdte van de verrekeningsbeperking voor voortgewentelde bronbelasting op innovatiebox-royalty's in de tijd aan de orde stelt.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Of sprake is van een kleinere of grotere belastingplichtige, volgt uit de gecombineerde omvangscriteria van art. 12ba lid 2 Wet VPB 1969 (voordelen- en omzetdrempel gelden cumulatief); dit bepaalt of naast de S&O-verklaring ook een aanvullend toegangsticket vereist is.
- Bij grotere belastingplichtigen is van belang welk van de in art. 12ba lid 1 onderdeel b genoemde toegangstickets (octrooi, kwekersrecht, programmatuur, vergunning, gebruiksmodel, of een daarmee samenhangend activum) daadwerkelijk aanwezig of aangevraagd is; één ticket volstaat. Ook een exclusieve licentie op zo'n recht telt op grond van art. 12ba lid 4 mee als toegangsticket, met dien verstande dat de kwalificerende voordelen dan op grond van art. 12bb lid 4 beperkt zijn tot het gebruik van die licentie.
- Bij doorontwikkeling van bestaand intellectueel eigendom moet worden afgebakend welk deel van het werk heeft geleid tot een nieuw activum in de zin van art. 12ba lid 5; alleen dat deel telt mee als zelf voortgebracht.
- Merken, logo's en vergelijkbare vermogensbestanddelen vallen buiten de innovatiebox, zodat deze posten buiten de voordeeltoerekening blijven.
- Bij het bepalen van de nexusbreuk moeten uitgaven aan schulden, huisvesting en andere kosten zonder direct verband met het S&O-werk buiten de teller en noemer blijven; alleen uitgaven met direct verband tellen mee.
- Bij grensoverschrijdende royaltystromen met voortgewentelde buitenlandse bronbelasting op innovatiebox-inkomsten is de reikwijdte van de verrekeningsmogelijkheid in latere jaren, ook na wijziging van de voorwaarden, een aandachtspunt dat specifiek beoordeeld moet worden.
Recente ontwikkelingen
Het Innovatieboxbesluit 2025 (Besluit BWBR0051317) actualiseert het beleid met nieuwe richtlijnen over de kwalificatie van immateriële activa, contractueel S&O-werk met niet-gelieerde partijen en de toepassing van het netto-omzetcriterium uit art. 12ba lid 2. Daarnaast blijft goedkeuringsbeleid uit Besluit BWBR0035509 (nadere uitleg en invulling van art. 12b Wet VPB 1969) relevant, evenals de goedkeuring in Besluit BWBR0039023 voor het in stand houden van vaststellingsovereenkomsten voor kleinere belastingplichtigen bij relevante wetswijzigingen sinds het Belastingplan 2017.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
1 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:PHR:2024:802 (2024)
De zaak betreft of voortgewentelde buitenlandse bronbelasting op innovatiebox-royalty's ook in latere jaren uitsluitend verrekenbaar is met vennootschapsbelasting over innovatiebox-royalty's en niet met belasting over overige passieve inkomsten, zelfs als de belastingplichtige door een wetswijziging niet meer aan de innovatiebox-voorwaarden voldoet.
Beleid en standpunten
1018 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0035509
Goedkeuring inzake innovatiebox: nadere uitleg en invulling van innovatiebox artikel 12b Wet Vpb 1969, met beschrijving en toelichting van verschillende elementen voor toepassing door innovatieve ondernemingen.
-
Besluit BWBR0051317
Goedkeuring/beleid inzake innovatiebox: het besluit actualiseert het beleid met nieuwe richtlijnen over immateriële activa, contractuele R&D met niet-gelieerde partijen en toepassing van het netto-omzetcriterium.
-
IBOX 20260217-000007 (2026)
Fiscale eenheid verzoekt innovatiebox 2024-2028 voor gevoegde dochtermaatschappij Y die immateriële activa in licentie aan buitenlandse moeder gaf.
-
Besluit BWBR0039023
Goedkeuring voor kleinere belastingplichtigen om vaststellingsovereenkomsten voor de innovatiebox (artikel 12b oud) geldig te houden ondanks relevante wetswijzigingen van het Belastingplan 2017.
-
Kamerstuk 34552 nr. 3
Memorie van toelichting Belastingplan 2017, met onderdelen inkomensbeleid, constructiebestrijding, innovatiebox en jurisprudentiegevolgen.
-
IBOX 20260120-000008 (2026)
Fiscale eenheid vraagt zekerheid over innovatiebox voor jaren 2023-2028. Grote industriële onderneming met gepatenteerde producten; klein deel activiteiten zonder kwalificerend tweede toegangsticket.
-
IBOX 20260224-000007 (2026)
Fiscale eenheid X (agrarische onderneming, 151-300 personeelsleden, €51-150m omzet, eigen technologie) vraagt innovatieboxzekerheid 2025-2029 met gevoegde dochters R&D; outcome niet zichtbaar.
-
IBOX 20240305-000007 (2024)
Vijf Nederlandse vennootschappen (waaronder X1, X2, dienstverlening, 501-1000 werknemers) verzoeken kwalificatie buitenlands samenwerkingsverband, inhoudingsplicht dividendbelasting, buitenlandse belastingplicht VPB, deelnemingsvrijstelling. Boekjaren 2022-2026.
-
IBOX 20251216-000008 (2025)
Industriële fiscale eenheid verzoekt toepassing innovatiebox (2021-2029) voor gepatenteerde producten met eigen R&D (26-75 medewerkers, €16m-€50m omzet); gemiddeld <5.000 S&O-uren per jaar.
-
IBOX 20260414-000003 (2026)
Dochtermaatschappij Y van fiscale eenheid X (dienstverlening, 501–1.000 werknemers, €151M–€300M omzet, eigen producten) verzoekt om zekerheid op innovatieboxtoepassing 2023–2029.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.