Vennootschapsbelasting
Verrekenprijzen (transfer pricing) en APA/ATR
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Het zakelijkheidsbeginsel (arm's-lengthbeginsel) is het uitgangspunt dat gelieerde lichamen in hun onderlinge rechtsverhoudingen dezelfde voorwaarden moeten hanteren als onafhankelijke partijen dat in het economische verkeer zouden doen. Wijkt de daadwerkelijk overeengekomen verrekenprijs daarvan af, dan corrigeert de wet de fiscale winst alsof wel zakelijk was gehandeld. Het beginsel raakt daarmee elke intragroep transactie waarbij prijsstelling, voorwaarden of vergoeding niet door de markt maar door de groep zelf worden bepaald.
Voor de vennootschapsbelasting is dit uitgangspunt gecodificeerd in art. 8b Wet VPB 1969, aangevuld met een documentatieplicht. Latere bepalingen (art. 8bb, 8bc, 8bd, 35) bouwen op dezelfde kernbegrippen voort, waarbij art. 8ba de gemeenschappelijke definities levert; art. 8bb ziet daarbij op het bestrijden van neerwaartse verrekenprijscorrecties zonder corresponderende heffing elders. Het leerstuk werkt zowel corrigerend bij te hoge (winstdrukkende) als bij te lage (winstverschuivende) verrekenprijzen, en is nauw verweven met de rechtspraak over onzakelijke geldleningen tussen gelieerde partijen.
Voor de praktijk betekent dit dat elke intercompany-transactie, van een dienstverleningsvergoeding tot een concernlening, moet kunnen worden onderbouwd met een vergelijking tegen wat onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen. Ontbreekt die onderbouwing of wijkt de vastgestelde prijs daarvan af, dan ligt een winstcorrectie door de inspecteur voor de hand, met de bijbehorende bewijsrisico's.
Wanneer speelt dit
Het zakelijkheidsbeginsel komt in de praktijk onder meer aan de orde bij: prijsstelling van goederen- en dienstenstromen tussen gelieerde vennootschappen (denk aan technische verkoopondersteuning of contract-R&D voor een buitenlandse principaal), financieringsverhoudingen binnen het concern (rente op aandeelhouders- of achtergestelde leningen), vergoedingen voor centrale concerndiensten zoals factoring en garanties, de vraag of impliciete concernsteun ("implicit support") een aparte vergoedingsplicht meebrengt, en het vooraf zoeken van zekerheid via een Advance Pricing Agreement (APA) of Advance Tax Ruling (ATR) bij het College Internationale Fiscale Zekerheid.
Wettelijk kader
Art. 8b lid 1 Wet VPB 1969 bepaalt dat indien een lichaam "onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam en tussen deze lichamen ter zake van hun onderlinge rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd (verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van die lichamen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen." De vergelijkingsmaatstaf is dus steeds wat onafhankelijke partijen in het economische verkeer zouden zijn overeengekomen, niet enige andere norm.
Lid 2 breidt dit gelieerdheidscriterium uit: de regeling is "van overeenkomstige toepassing indien een zelfde persoon, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of aan het toezicht op, dan wel in het kapitaal van het ene en het andere lichaam." Gelieerdheid via een gezamenlijke aandeelhouder of bestuurder volstaat dus evengoed als een directe deelnemingsrelatie.
Lid 3 legt een administratieve verplichting op: de betrokken lichamen "nemen in hun administratie gegevens op waaruit blijkt op welke wijze de in dat lid bedoelde verrekenprijzen tot stand zijn gekomen en waaruit kan worden opgemaakt of er met betrekking tot de totstandgekomen verrekenprijzen sprake is van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen." De documentatieplicht ziet dus zowel op de totstandkoming van de prijs als op de onderbouwing van de zakelijkheid ervan.
Art. 8ba Wet VPB 1969 definieert voor de toepassing van art. 8bb, 8bc, 8bd en 35 het zakelijkheidsbeginsel als "het bepalen van de winst overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 8b", en een gelieerd lichaam als "een lichaam waarmee de belastingplichtige is gelieerd in de zin van artikel 8b". Deze definitiebepaling koppelt de latere verrekenprijsbepalingen (over onder meer neerwaartse correcties) uitdrukkelijk terug aan hetzelfde gelieerdheids- en zakelijkheidsbegrip van art. 8b.
Belangrijkste rechtspraak
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2024:1928 (2024) dat omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van art. 27e AWR ook geldt in verrekenprijsgeschillen onder art. 8b Wet VPB, omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan doordat additionele waarde zonder vergoeding was overgedragen; het hoger beroep werd deels gegrond verklaard.
In ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 (2025) oordeelde het Hof dat betaalde factoringkosten grotendeels onzakelijk waren en dat belanghebbende het bewijsvermoeden van art. 8b Wet VPB 1969 niet had ontzenuwd; daarnaast overwoog het Hof dat vanwege "implicit support" als core-vennootschap van het concern geen sprake was van een aparte intra-group service waarvoor garantiefees aan de moedervennootschap verschuldigd zouden zijn.
Een vergelijkbare factoringkwestie lag voor in ECLI:NL:GHAMS:2024:2844 (2024), waar het geschil zag op de vraag of de verlengde navorderingstermijn van art. 16 lid 4 AWR van toepassing was en, zo ja, of de betaalde factoring fees onzakelijk hoog waren en het onzakelijke deel als winstuitdeling moest worden aangemerkt.
In ECLI:NL:GHAMS:2021:724 (2021) oordeelde het Hof dat aan Guernsey-vennootschappen verschuldigde achtergestelde leningen onzakelijk waren, met een zakelijke rente van 2,5% in plaats van de overeengekomen 11,5-14%, dat die rente niet aftrekbaar was wegens wetsontduiking, en dat de Arrangement Fee van EUR 8,4 mln geactiveerd moest worden in plaats van ineens ten laste van de winst te worden gebracht.
Aandachtspunten voor de praktijk
- In ECLI:NL:GHAMS:2024:1928 leidde het niet doen van de vereiste aangifte, doordat additionele waarde zonder vergoeding was overgedragen, tot omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van art. 27e AWR in een verrekenprijsgeschil onder art. 8b Wet VPB.
- Vergoedingen voor concerndiensten zoals factoring worden getoetst op de zakelijkheid van zowel de dienst zelf als de hoogte van de vergoeding; in ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 had belanghebbende het bewijsvermoeden van art. 8b Wet VPB 1969 niet ontzenuwd, terwijl in ECLI:NL:GHAMS:2024:2844 de vraag speelde of de betaalde factoring fees onzakelijk hoog waren.
- "Implicit support" binnen een concern kan volgens ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 meebrengen dat geen aparte, afzonderlijk te vergoeden dienst bestaat; dit is arrestspecifiek en vergt een beoordeling van de concrete concernrol van de vennootschap.
- Bij concernfinanciering wordt niet alleen de rente maar ook bijkomende vergoedingen zoals een arrangement fee aan zakelijkheidstoetsing onderworpen; ECLI:NL:GHAMS:2021:724 illustreert dat een dergelijke fee geactiveerd in plaats van direct ten laste van de winst gebracht kan moeten worden.
- Gelieerdheid in de zin van art. 8b lid 1 en lid 2 ontstaat niet alleen via directe deelneming, maar ook via een gemeenschappelijke bestuurder, toezichthouder of aandeelhouder; dit verruimt de reikwijdte van de documentatie- en onderbouwingsplicht.
Recente ontwikkelingen
De kennisgroep van de Belastingdienst nam op 17 juni 2026 het standpunt in (KG:023:2026:3) dat een neerwaartse aanpassing van de overeengekomen rente op een onzakelijke lening naar de vuistregelrente kwalificeert als winstaanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel, en dat art. 8bb Wet VPB 1969 hierop van toepassing is. Daarnaast is op 12 mei 2026 een Advance Pricing Agreement gepubliceerd (APA 20260512-000007) waarin een Nederlandse industriële vennootschap zekerheid vroeg over de arm's-lengthbeloning voor technische verkoopondersteuning en contract-R&D ten behoeve van een buitenlandse principaal, wat het praktische belang van vooraf zekerheid zoeken via APA/ATR onderstreept.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
16 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1928 (2024)
Het Hof oordeelt dat omkering en verzwaring van de bewijslast (art. 27e AWR) ook geldt in verrekenprijsgeschillen onder art. 8b Wet Vpb, nu belanghebbende niet de vereiste aangifte deed doordat additionele waarde zonder vergoeding is overgedragen; het hoger beroep is deels gegrond.
-
ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 (2025)
Het Hof oordeelt dat de factoringkosten grotendeels onzakelijk zijn en belanghebbende het bewijsvermoeden van art. 8b Wet Vpb 1969 niet heeft ontzenuwd, en dat vanwege 'implicit support' als core-vennootschap van het concern geen sprake is van een aparte intra-group service waarvoor garantiefees aan de moedervennootschap verschuldigd zouden zijn.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:3626 (2024)
Het Hof Amsterdam verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond: het fbi-regime is niet van toepassing en de rente op de onzakelijke aandeelhouderslening wordt lager vastgesteld.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1918 (2024)
Het Hof Amsterdam oordeelt dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is in de zaken over de aanslagen vennootschapsbelasting 2015/2016 en 2017: belanghebbende komt niet in aanmerking voor het fbi-regime en de rente op de aandeelhouderslening wordt lager vastgesteld.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1920 (2024)
Het hof oordeelt dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is: de aanslagen Vpb worden gecorrigeerd wegens een onzakelijke aandeelhouderslening, een hogere uitdelingsverplichting en toevoeging aan de afrondingsreserve (art. 7 BBI), in het kader van aanspraak op het fbi-regime.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:3632 (2024)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is: belanghebbende komt niet in aanmerking voor het fbi-regime en de rente op de aandeelhouderslening wordt op een lager, zakelijk niveau vastgesteld.
-
ECLI:NL:HR:2025:552 (2025)
De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris gegrond en verwijst de zaak over de samenhangende waardering van in dollars luidende vorderingen en schulden naar goed koopmansgebruik voor nadere beoordeling naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:1407 (2020)
Het Gerechtshof oordeelt dat een lening van circa € 634 mln aan de Nederlandse overnamevennootschap binnen een private-equitystructuur een onzakelijke lening is. De rente is, voor zover herleidbaar tot het fondsvermogen, niet aftrekbaar op grond van artikel 10a Wet Vpb.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:2844 (2024)
De zaak betreft of de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, AWR van toepassing is en, zo ja, of de betaalde factoring fees onzakelijk hoog zijn en het onzakelijke deel als uitdeling van winst moet worden aangemerkt.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:724 (2021)
Het Hof oordeelt dat de aan Guernsey-vennootschappen verschuldigde achtergestelde leningen onzakelijk zijn met een zakelijke rente van 2,5% in plaats van de overeengekomen 11,5-14%, dat deze rente niet aftrekbaar is wegens wetsontduiking, en dat de Arrangement Fee van EUR 8,4 mln moet worden geactiveerd in plaats van ineens ten laste van de winst te worden gebracht.
Beleid en standpunten
715 bronnen in de kennisbank-
KG:023:2026:3 (2026)
Standpunt: Een neerwaartse aanpassing van de overeengekomen rente op een onzakelijke lening naar de vuistregelrente kwalificeert als winstaanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel. Artikel 8bb Wet Vpb 1969 is hierop van toepassing.
-
Besluit BWBR0052264
Dit beleidsbesluit regelt de instelling, taken en werkwijze van de Coördinatiegroep Verrekenprijzen, inclusief haar verantwoordelijkheid voor eenheid van beleid in verrekenprijzen en minimumbelasting.
-
Besluit BWBR0048112
Goedkeuring/beleid inzake meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies. Dit besluit actualiseert de leidraad voor toepassing van de wet tot implementatie van de EU-richtlijn op grensoverschrijdende belastingconstructies.
-
Besluit BWBR0035509
Goedkeuring inzake innovatiebox: nadere uitleg en invulling van innovatiebox artikel 12b Wet Vpb 1969, met beschrijving en toelichting van verschillende elementen voor toepassing door innovatieve ondernemingen.
-
Kamerstuk 35030 nr. 7
Nota van toelichting op Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking, behandelende CFC-maatregel, earningsstripping, GAAR en exitheffingen.
-
KG:011:2025:2 (2025)
Standpunt: Artikel 8bd Wet Vpb 1969 is niet van toepassing op middellijke dividenduitkering uit onzakelijke transactie tussen dochters. Geen civielrechtelijke vermogensverkrijging door moeder.
-
Besluit BWBR0035187
Dit vraag- en antwoordbesluit verduidelijkt de toepassing van ATR-regels en bepalingen over dienstverleningslichamen.
-
Kamerstuk 35305 nr. 3
Memorie van toelichting bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties en misbruiksituaties per 2021.
-
Besluit BWBR0043694
Goedkeuring inzake onderlinge overlegprocedures: nadere beschrijving en invulling van onderlinge overlegprocedure (MAP) op grond van Wet fiscale arbitrage, bilaterale belastingverdragen of EU-arbitrageverdrag.
-
APA 20260512-000007 (2026)
X (Nederlandse vennootschap, industrieel, 151-300 werknemers) verzoekt zekerheid arm's-lengthbeloning 2024-2028 voor technische verkoopondersteuning en contract R&D ten behoeve van buitenlandse principaal Y.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.