Vennootschapsbelasting

Verrekenprijzen (transfer pricing) en APA/ATR

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Het zakelijkheidsbeginsel (arm's-lengthbeginsel) houdt in dat gelieerde lichamen voor hun onderlinge rechtsverhoudingen dezelfde voorwaarden moeten hanteren als onafhankelijke partijen in het economische verkeer zouden zijn overeengekomen. Wijkt de daadwerkelijke verrekenprijs daarvan af, dan corrigeert art. 8b Wet Vpb 1969 de fiscale winst alsof wél zakelijk was gehandeld, in beide richtingen. Sinds de implementatie van de eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking is daar met art. 8ba tot en met 8bd een specifieke mismatchbestrijding aan toegevoegd: deze bepalingen neutraliseren het voordeel van een neerwaartse verrekenprijscorrectie of een lagere boekwaarde bij de Nederlandse belastingplichtige zonder corresponderende heffing bij het gelieerde lichaam elders. Het leerstuk raakt zowel de prijsstelling van goederen- en dienstenstromen als concernfinanciering, en is nauw verweven met de rechtspraak over onzakelijke geldleningen en, bij rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties, met de bronbelasting op rente en royalty's.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer zijn twee lichamen gelieerd in de zin van art. 8b Wet Vpb 1969?
  • Hoe corrigeert art. 8b lid 1 een verrekenprijs die niet zakelijk is, en in welke richtingen?
  • Welke documentatieplicht geldt voor de onderbouwing van verrekenprijzen?
  • Wanneer blijft een neerwaartse verrekenprijscorrectie buiten aanmerking onder art. 8bb tot en met 8bd?
  • Hoe wordt vooraf zekerheid verkregen via een APA of ATR, en wat als een correctie tot dubbele belasting leidt?

Gelieerdheid en de tweezijdige correctie (art. 8b)

Art. 8b Wet Vpb 1969 is alleen van toepassing tussen gelieerde lichamen. Gelieerdheid ontstaat op twee manieren: doordat een lichaam onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, het toezicht op, of het kapitaal van een ander lichaam (lid 1), of doordat eenzelfde persoon onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, het toezicht op, of het kapitaal van beide lichamen (lid 2). Een gezamenlijke aandeelhouder of bestuurder volstaat dus al, ook zonder dat de twee lichamen onderling een deelnemingsrelatie hebben, zoals bij zustervennootschappen. Buiten deze twee ingangen is er geen verrekenprijs in de zin van de bepaling en dus geen correctiegrondslag.

Wijkt een tussen gelieerde lichamen overeengekomen of opgelegde voorwaarde af van wat onafhankelijke partijen in het economische verkeer zouden zijn overeengekomen, dan wordt de winst bepaald alsof die zakelijke voorwaarden wél waren overeengekomen (lid 1). De correctie werkt in twee richtingen: een te hoge, winstdrukkende verrekenprijs wordt naar beneden bijgesteld, een te lage, winstverschuivende verrekenprijs naar boven. Lid 3 verplicht de gelieerde lichamen om in hun administratie vast te leggen hoe de verrekenprijzen tot stand zijn gekomen en waaruit blijkt of sprake is van zakelijke voorwaarden; ontbreekt die onderbouwing, dan ligt een correctie door de inspecteur voor de hand.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Gelieerdheidscriteriumzeggenschap via leiding, toezicht of kapitaal, rechtstreeks of via een gemeenschappelijke derdeart. 8b lid 1 en 2 Wet Vpb 1969
Reikwijdte correctietweezijdig: zowel een te hoge als een te lage verrekenprijsart. 8b lid 1 Wet Vpb 1969
Documentatieplichtvastlegging in de administratie van totstandkoming en zakelijkheid van de verrekenprijzenart. 8b lid 3 Wet Vpb 1969
Neerwaartse correctie zonder corresponderende heffing eldersblijft geheel of gedeeltelijk buiten aanmerkingart. 8bb lid 1 Wet Vpb 1969

(wettekst geldend per 2026)

Mismatchbestrijding: art. 8ba tot en met 8bd

Art. 8ba definieert, voor de toepassing van de artikelen 8bb, 8bc en 8bd, het zakelijkheidsbeginsel als het bepalen van de winst overeenkomstig art. 3.8 Wet IB 2001 en art. 8b, en een gelieerd lichaam als een lichaam waarmee de belastingplichtige is gelieerd in de zin van art. 8b. Deze definitiebepaling koppelt de mismatchregeling terug aan hetzelfde gelieerdheids- en zakelijkheidsbegrip als de kernregeling.

Art. 8bb bestrijdt de kern van de mismatch: een neerwaartse aanpassing van de winst ter zake van een onderlinge rechtsverhouding met een gelieerd lichaam blijft buiten aanmerking, voor zover de belastingplichtige niet aannemelijk maakt dat bij dat gelieerde lichaam een corresponderende opwaartse aanpassing wordt betrokken in een naar de winst geheven belasting (lid 1). Voor hybride situaties, waarin het gelieerde lichaam volgens zijn eigen vestigingsstaat niet zelf maar een achterliggende gerechtigde als rechthebbende geldt, blijft de correctie buiten toepassing als die achterliggende gerechtigde wél corresponderend wordt belast (lid 3 en 4).

Art. 8bc regelt in spiegelbeeld de fiscale boekwaarde bij verkrijging: is de zakelijke verrekenprijs van een verkregen vermogensbestanddeel hoger dan de overeengekomen prijs, dan wordt die verhoging alleen in de boekwaarde verwerkt voor zover aannemelijk is dat het gelieerde lichaam die hogere prijs in de heffing betrekt; voor een verkregen schuld geldt het omgekeerde bij een lagere zakelijke prijs. Art. 8bd trekt dit door naar vermogen dat via kapitaalstorting, winstuitdeling, teruggaaf van kapitaal, liquidatie-uitkering, fusie of splitsing van een gelieerd lichaam wordt verkregen: is de waarde in het economische verkeer bij verkrijging hoger dan de waarde die bij het gelieerde lichaam in de heffing wordt betrokken, dan geldt voor de teboekstelling de lagere, bij dat lichaam belaste waarde. Dat art. 8bd niet zonder meer voor elke uitkering binnen een groep geldt, bevestigde de kennisgroep van de Belastingdienst begin 2025: bij een middellijke dividenduitkering uit een onzakelijke transactie tussen dochtermaatschappijen is de bepaling niet van toepassing, omdat de moedermaatschappij civielrechtelijk geen vermogen verkrijgt (KG:011:2025:2).

Bewijslast en toetsing in de praktijk

Een verrekenprijsgeschil wordt niet alleen op de inhoudelijke zakelijkheidstoets beslist. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van art. 27e AWR ook geldt in verrekenprijsgeschillen onder art. 8b, omdat de belastingplichtige niet de vereiste aangifte had gedaan doordat additionele waarde zonder vergoeding was overgedragen (ECLI:NL:GHAMS:2024:1928). Bij concerndiensten wordt zowel getoetst of er überhaupt een afzonderlijk te vergoeden dienst bestaat, als of de vergoeding daarvoor zakelijk is: het Hof oordeelde dat betaalde factoringkosten grotendeels onzakelijk waren en het bewijsvermoeden van art. 8b niet was ontzenuwd, en overwoog daarnaast dat vanwege "implicit support" als core-vennootschap van het concern geen sprake was van een aparte intra-group service waarvoor garantiefees verschuldigd zouden zijn (ECLI:NL:GHAMS:2025:2377). In een eerdere, vergelijkbare factoringkwestie draaide het geschil om de vraag of de verlengde navorderingstermijn van art. 16 lid 4 AWR van toepassing was en, zo ja, of de betaalde factoring fees onzakelijk hoog waren en het onzakelijke deel als winstuitdeling moest worden aangemerkt (ECLI:NL:GHAMS:2024:2844).

Bij concernfinanciering wordt niet alleen de rente, maar ook een bijkomende vergoeding aan de zakelijkheidstoets onderworpen. Het Hof stelde de zakelijke rente op een achtergestelde lening aan Guernsey-vennootschappen op 2,5% in plaats van de overeengekomen 11,5-14%, en oordeelde dat de daarbij betaalde arrangement fee van € 8,4 miljoen geactiveerd moest worden in plaats van ineens ten laste van de winst te worden gebracht (ECLI:NL:GHAMS:2021:724). Bij een neerwaartse renteaanpassing naar een vuistregelrente op een onzakelijke lening bevestigde de kennisgroep van de Belastingdienst medio 2026 dat dit kwalificeert als winstaanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel en dat art. 8bb daarop van toepassing is (KG:023:2026:3).

Procedure: zekerheid vooraf en geschilbeslechting

Wie onzeker is over de zakelijkheid van een voorgenomen verrekenprijs kan vooraf zekerheid vragen via een Advance Pricing Agreement (APA) of Advance Tax Ruling (ATR) bij het College Internationale Fiscale Zekerheid. Leidt een verrekenprijscorrectie tot dubbele belasting omdat het andere land niet corresponderend meebeweegt, dan kan een onderlinge overlegprocedure (MAP) worden gestart op grond van een bilateraal belastingverdrag, de Wet fiscale arbitrage of het EU-arbitrageverdrag. Binnen de Belastingdienst bewaakt de Coördinatiegroep Verrekenprijzen (CGVP) de eenheid van beleid in verrekenprijszaken, sinds haar instelling in 2026 ook in samenhang met de minimumbelasting.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Gelieerdheid ontstaat niet alleen via directe deelneming, maar ook via een gemeenschappelijke bestuurder, toezichthouder of aandeelhouder (art. 8b lid 2); dit verruimt de documentatieplicht tot verhoudingen die op het eerste gezicht geen groepsverband lijken te hebben.
  • Ontbreekt de onderbouwing van art. 8b lid 3, of wijkt de vastgestelde prijs af van wat onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, dan ligt een winstcorrectie voor de hand, en in het uiterste geval ook omkering van de bewijslast op grond van art. 27e AWR.
  • "Implicit support" binnen een concern kan meebrengen dat geen aparte, afzonderlijk te vergoeden dienst bestaat; dit is arrestspecifiek en vergt een beoordeling van de concrete concernrol van de vennootschap.
  • Bij een neerwaartse correctie speelt naast de vraag of de correctie zakelijk is, ook de vraag of art. 8bb de correctie geheel of gedeeltelijk buiten aanmerking laat omdat een corresponderende heffing elders ontbreekt.
  • Bij verkrijging van vermogensbestanddelen via kapitaalstorting, winstuitdeling, fusie of splitsing tussen gelieerde lichamen (art. 8bd) is de fiscale boekwaarde gekoppeld aan de bij het overdragende lichaam belaste waarde; dit vergt afstemming naast de reguliere begeleiding van een juridische fusie of splitsing.

Recente ontwikkelingen

  • 2024: het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat omkering en verzwaring van de bewijslast (art. 27e AWR) ook geldt in verrekenprijsgeschillen onder art. 8b Wet Vpb 1969 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1928).
  • 2024: bij een factoringkwestie draait het geschil mede om de vraag of de verlengde navorderingstermijn van art. 16 lid 4 AWR van toepassing is op onzakelijk hoge factoring fees (ECLI:NL:GHAMS:2024:2844).
  • 2025: de kennisgroep van de Belastingdienst neemt het standpunt in dat art. 8bd Wet Vpb 1969 niet van toepassing is op een middellijke dividenduitkering uit een onzakelijke transactie tussen dochtermaatschappijen (KG:011:2025:2).
  • 2025: het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat factoringkosten grotendeels onzakelijk zijn en dat "implicit support" als core-vennootschap geen aparte intra-group service oplevert (ECLI:NL:GHAMS:2025:2377).
  • 2026: de kennisgroep van de Belastingdienst bevestigt dat een neerwaartse renteaanpassing naar de vuistregelrente op een onzakelijke lening kwalificeert als winstaanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel, met toepasselijkheid van art. 8bb Wet Vpb 1969 (KG:023:2026:3).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 719 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.