Vennootschapsbelasting

Renteaftrekbeperking artikel 10a (winstdrainage)

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Artikel 10a Wet Vpb 1969 weigert de aftrek van rente op schulden aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon, wanneer die schulden samenhangen met een winstuitdeling of teruggaaf van kapitaal, een kapitaalstorting, of de verwerving van een belang dat daardoor een verbonden lichaam wordt (art. 10a lid 1 Wet Vpb 1969). De bepaling bestrijdt winstdrainage: het kunstmatig creëren van rentelasten binnen een concern zonder dat daar een reële economische verandering tegenover staat. Aangrijpingspunt is niet de financiering als zodanig, maar de combinatie van een lening binnen het concern met een van deze drie rechtshandelingen. Artikel 10a is geen absoluut verbod: met een van twee tegenbewijzen kan de belastingplichtige de aftrek toch behouden.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer is rente op een schuld aan een verbonden lichaam of persoon niet aftrekbaar op grond van artikel 10a?
  • Wanneer is sprake van verbondenheid, en hoe werkt de toerekening bij een samenwerkende groep of fiscale eenheid?
  • Welke twee tegenbewijzen kunnen de aftrekweigering wegnemen?
  • Hoe verhoudt de zakelijkheidstoets van artikel 10a zich tot het EU-recht na het arrest X BV?
  • Kan renteaftrek ook worden geweigerd wanneer een schuld buiten het bereik van artikel 10a valt?

De toets in vier stappen

De beoordeling verloopt in vier stappen. Eerst: is de crediteur verbonden? Vervolgens: houdt de schuld verband met een van de drie in lid 1 genoemde rechtshandelingen, ook als zij pas ná die rechtshandeling is aangegaan (lid 2)? Bij een bevestigend antwoord op beide vragen is de rente in beginsel niet aftrekbaar, tenzij een van de twee tegenbewijzen van lid 3 slaagt. Ten slotte: voor zover toepassing van lid 1 op een schuld juist tot een lágere winst zou leiden, blijft de aftrekweigering voor die schuld buiten toepassing (lid 8), want de bepaling bestrijdt grondslaguitholling, niet andersom.

Verbondenheid: de één-derde-drempel

Verbondenheid van lichamen bestaat bij een belang van ten minste een derde gedeelte, in vier varianten (art. 10a lid 4 Wet Vpb 1969): de belastingplichtige heeft dat belang in het andere lichaam, het andere lichaam heeft dat belang in de belastingplichtige, een derde heeft dat belang in beide, of het andere lichaam maakt deel uit van dezelfde fiscale eenheid. Bij een natuurlijk persoon geldt eveneens een drempel van ten minste een derde belang (lid 5). Ook een samenwerkende groep van lichamen die gezamenlijk ten minste een derde belang houdt, telt mee als verbonden lichaam (lid 6); commanditaire vennootschappen en vergelijkbare buitenlandse rechtsvormen worden voor de verbondenheidstoets en voor de aan hen toe te rekenen rechtshandelingen doorgekeken naar hun participanten (lid 9 en 10), zodat een cv-structuur de bepaling niet omzeilt. Is een lichaam verbonden met één gevoegde maatschappij van een fiscale eenheid, dan geldt het als verbonden met alle maatschappijen van die eenheid (lid 7).

Het tegenbewijs: zakelijkheid of compenserende heffing

Slaagt geen van beide tegenbewijzen, dan is de rente volledig niet aftrekbaar; slaagt een van beide, dan blijft de aftrekweigering achterwege. Het eerste tegenbewijs (onderdeel a) vergt dat aan zowel de schuld als de daarmee samenhangende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in 2025 dat bij een externe acquisitie sprake was van een onzakelijke omleiding in de zin van art. 10a lid 1 onderdeel c, omdat de belastingplichtige niet aannemelijk maakte dat aan die omleiding in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen, en dat bovendien geen compenserende heffing aanwezig was: beide tegenbewijzen faalden dus tegelijk (ECLI:NL:GHAMS:2025:1219). Een eerder beroep op parallellie tussen een interne lening en externe financiering, om aannemelijk te maken dat de gelden in wezen van een derde waren geleend, faalde al bij de Hoge Raad: van een dergelijke parallellie was geen sprake (ECLI:NL:HR:2019:394).

Een marktconforme rentevoet op de lening zelf redt het tegenbewijs niet automatisch. De Hoge Raad stelde daarover in 2022 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU over de betekenis van het Lexel-arrest voor art. 10a lid 1 onderdeel c, met name of renteaftrek moet worden toegestaan wanneer de rente op de lening zelf at arm's length is (ECLI:NL:HR:2022:1121). Het Hof van Justitie EU oordeelde in het arrest X BV dat een marktconforme rente niet uitsluit dat de lening een volstrekt kunstmatige constructie vormt, wanneer de lening zelf, los van het concernverband en het belastingvoordeel, geen economische rechtvaardiging heeft (4 oktober 2024, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:822). De Hoge Raad paste deze uitleg toe in de einduitspraak van 16 januari 2026 en verklaarde het cassatieberoep ongegrond: een zakelijke rentevoet ontneemt de aftrekweigering niet haar werking wanneer de lening kennelijk geen economische realiteit weerspiegelt en primair fiscaal is gemotiveerd (ECLI:NL:HR:2026:60).

Het tweede tegenbewijs (onderdeel b) is een zelfstandig alternatief: aftrek blijft mogelijk wanneer over de rente bij de ontvanger per saldo een naar Nederlandse maatstaven redelijke belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven, tenzij de inspecteur aannemelijk maakt dat de schuld is aangegaan met het oog op verliesverrekening of dat de schuld of rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijk is. Als redelijk geldt een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de innovatiebox (art. 12b Wet Vpb 1969) buiten toepassing blijft. Sinds de Wet minimumbelasting 2024 tellen ook een kwalificerende binnenlandse bijheffing, een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel en een kwalificerende onderbelastewinstmaatregel mee als belasting naar de winst voor deze toets (lid 11).

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Verbondenheid lichamenbelang van ten minste 1/3 gedeelteart. 10a lid 4 Wet Vpb 1969
Verbondenheid natuurlijke personenbelang van ten minste 1/3 gedeelteart. 10a lid 5 Wet Vpb 1969
Samenwerkende groep (gezamenlijk belang)ten minste 1/3 gedeelteart. 10a lid 6 Wet Vpb 1969
Compenserende-heffingstoets (tegenbewijs onderdeel b)effectief tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winstart. 10a lid 3 onderdeel b Wet Vpb 1969

(wettekst geldend per 2026)

Fraus legis en onzakelijke leningen naast artikel 10a

Valt een schuld buiten de verbondenheidsdefinitie van artikel 10a, of slaagt het tegenbewijs, dan kunnen de zakelijkheid van de leningsvoorwaarden zelf en fraus legis nog steeds een zelfstandige rol spelen. De Advocaat-Generaal concludeerde in 2024 over de vraag of, wanneer een aandeelhouderslening buiten de verbondenheid van art. 10a valt, renteaftrek toch geweigerd kan worden wegens onzakelijkheid van de lening of fraus legis, en over de verdeling van de bewijslast daarbij (ECLI:NL:PHR:2024:85). De Hoge Raad volgde deze conclusie in de einduitspraak van 5 september 2025 en verklaarde het cassatieberoep ongegrond: fraus legis kan renteaftrek uitsluiten los van artikel 10a, tenzij de geldverstrekker een reële financiële spilfunctie vervult in plaats van louter als doorgeefluik te fungeren (ECLI:NL:HR:2025:1250). Dat beide leerstukken naast elkaar werken, bleek eerder al bij leningen ter financiering van preferente aandelen: vanaf 1 januari 2008 was de rente niet aftrekbaar op grond van artikel 10a omdat het tegenbewijs faalde, voor de periode daarvóór wegens fraus legis (ECLI:NL:GHAMS:2021:2832). Valutaresultaten op een onder artikel 10a vallende geldlening delen in dat regime: zij worden op grond van lid 2 gesaldeerd met de niet-aftrekbare rente, niet los daarvan vrijgesteld (ECLI:NL:HR:2012:BQ1248).

Reikwijdte en procedure

Artikel 10a komt typisch aan de orde bij overnames en interne herstructureringen: een acquisitie gefinancierd met een lening van een verbonden lichaam, een interne verhanging tegen schuldigerkenning, of een dividenduitkering of kapitaalstorting gefinancierd met vreemd vermogen van een verbonden partij. Ook grensoverschrijdende groepsfinanciering valt eronder, met als aandachtspunt of de rente bij de crediteur voldoende wordt belast. Niet eronder vallen financiering van reële operationele investeringen zonder samenhang met een van de drie rechtshandelingen, en leningen van een niet-verbonden crediteur. Artikel 10a werkt van rechtswege; voor zekerheid vooraf, met name bij grensoverschrijdende structuren, kan een verzoek bij het College Internationale Fiscale Zekerheid worden ingediend. Slaagt het tegenbewijs, dan blijft de rente aftrekbaar volgens de normale regels; de generieke earningsstrippingmaatregel kan daarnaast nog steeds spelen.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De beoordelingsvolgorde bepaalt het bewijsrisico: eerst verbondenheid, dan samenhang met een besmette rechtshandeling, pas dan het tegenbewijs.
  • Het tegenbewijs van onderdeel a vergt onderbouwing van de zakelijkheid van zowel de schuld als de rechtshandeling; in ECLI:NL:GHAMS:2025:1219 faalden onderdeel a én de compenserende-heffingstoets van onderdeel b tegelijk.
  • Een marktconforme rentevoet op de lening is geen vrijbrief: na het arrest X BV en de einduitspraak ECLI:NL:HR:2026:60 telt ook of de lening zelf, los van fiscale motieven, een economische rechtvaardiging heeft.
  • Bij grensoverschrijdende financiering is de compenserende-heffingstoets een zelfstandig alternatief; de 10%-drempel wordt sinds de Wet minimumbelasting 2024 mede getoetst met kwalificerende IIR-, UTPR- en bijheffingsregels.
  • Fraus legis en de zakelijkheid van de leningsvoorwaarden zelf (zie onzakelijke lening) blijven relevant, ook wanneer een schuld buiten de verbondenheidsdefinitie valt of het tegenbewijs slaagt.

Recente ontwikkelingen

  • 2024: de Advocaat-Generaal concludeert over renteaftrek bij een aandeelhouderslening buiten de verbondenheid van artikel 10a en de samenloop met fraus legis (ECLI:NL:PHR:2024:85, 26 januari 2024).
  • 2024: het College Internationale Fiscale Zekerheid verleent zekerheid vooraf over artikel 10a bij grensoverschrijdende acquisitiefinanciering, jaren 2021-2027 (RULOV 20240305-000009, 5 maart 2024), en bij financiering van dividenduitkeringen tussen gevoegde vennootschappen, jaren 2022-2026 (RULOV 20241224-000013, 24 december 2024).
  • 2025: het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat bij een externe acquisitie sprake is van een onzakelijke omleiding in de zin van artikel 10a lid 1 onderdeel c, omdat het tegenbewijs op beide onderdelen faalt (ECLI:NL:GHAMS:2025:1219, 15 april 2025).
  • 2025: het College Internationale Fiscale Zekerheid verleent zekerheid vooraf over artikel 10a bij grensoverschrijdende financiering, jaren 2024-2031 (RULOV 20250701-000007, 1 juli 2025), en bij financiering van overgenomen groepsvennootschappen, jaren 2025-2029 (RULOV 20251014-000009, 14 oktober 2025).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 137 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.