Vennootschapsbelasting

Renteaftrekbeperking artikel 10a (winstdrainage)

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Artikel 10a Wet VPB 1969 is de specifieke renteaftrekbeperking tegen winstdrainage binnen concernverhoudingen. De bepaling weigert de aftrek van rente op schulden aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon, wanneer die schulden samenhangen met bepaalde, in de wet met name genoemde rechtshandelingen. Het gaat niet om financieringen als zodanig, maar om de combinatie van een lening aan een verbonden partij met een rechtshandeling die typisch geen reële economische verandering in het concern teweegbrengt: een dividenduitkering, een kapitaalstorting of de verwerving van een belang dat daarna een verbonden lichaam wordt.

De ratio is dat een concern door een dergelijke combinatie kunstmatig rentelasten in Nederland kan creëren, terwijl de tegenoverliggende vordering en bezitsverhouding binnen hetzelfde concern blijft. Artikel 10a bestrijdt die vorm van grondslaguitholling met een aftrekweigering, met dien verstande dat de belastingplichtige tegenbewijs kan leveren.

De bepaling werkt niet als absoluut verbod: zij kent een tegenbewijsregeling die aftrek alsnog toestaat als aan de schuld en de rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, of als de rente bij de ontvanger tegen een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing wordt belast. Juist de toepassing van dat tegenbewijs vormt in de praktijk het belangrijkste deel van de discussie, zoals ook blijkt uit de rechtspraak.

Wanneer speelt dit

Artikel 10a komt typisch aan de orde bij interne concernherstructureringen en overnames binnen een groep: een externe acquisitie die via een groepsmaatschappij wordt gefinancierd met een lening van een verbonden lichaam, een interne verhanging van een deelneming tegen schuldigerkenning, een dividenduitkering gefinancierd met een lening van de moeder- of zustermaatschappij, of een kapitaalstorting gefinancierd met vreemd vermogen van een verbonden partij. Ook grensoverschrijdende groepsfinanciering met een crediteur in een andere staat valt onder het bereik van de bepaling, met als aandachtspunt of de rente bij die crediteur voldoende wordt belast. De Belastingdienst geeft op verzoek vooraf zekerheid over de toepassing van artikel 10a bij dergelijke grensoverschrijdende financieringsstructuren.

Wettelijk kader

Art. 10a lid 1 Wet VPB 1969 bepaalt dat rente op schulden aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon niet aftrekbaar is "voor zover die schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verband houden met een van de volgende rechtshandelingen": (a) een winstuitdeling of teruggaaf van gestort kapitaal aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon, (b) een kapitaalstorting in een verbonden lichaam, of (c) de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat daardoor een verbonden lichaam wordt. De drie rechtshandelingen staan naast elkaar; het is voldoende dat de schuld met een van de drie samenhangt.

Art. 10a lid 2 Wet VPB 1969 verruimt dit verband: het kan ook bestaan als de schuld pas na de rechtshandeling is aangegaan.

Voor de tegenbewijsregeling geldt art. 10a lid 3 Wet VPB 1969. Onderdeel a eist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat "aan de schuld en (...) aan de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen": een dubbele toets, waarbij zowel de schuld als de rechtshandeling in overwegende mate zakelijk moet zijn gemotiveerd. Onderdeel b is een zelfstandig alternatief ("of"): aftrek is ook mogelijk als aannemelijk wordt gemaakt dat over de rente bij de ontvanger "per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is", zonder verliesverrekening die de facto tot geen heffing leidt, tenzij de inspecteur aannemelijk maakt dat de schuld met het oog op zulke verrekening is aangegaan of niet zakelijk is. Een heffing is naar Nederlandse maatstaven redelijk bij "een heffing naar een tarief van ten minste 10%" over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst.

Art. 10a lid 4 en 5 Wet VPB 1969 definiëren wanneer een lichaam respectievelijk natuurlijk persoon als verbonden geldt, in essentie bij een belang van ten minste een derde gedeelte. Art. 10a lid 8 Wet VPB 1969 bepaalt dat lid 1 buiten toepassing blijft voor zover toepassing ervan juist tot een lagere winst zou leiden.

Belangrijkste rechtspraak

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:1219) dat bij een externe acquisitie sprake was van een onzakelijke omleiding in de zin van art. 10a lid 1 onderdeel c, omdat de belastingplichtige niet aannemelijk maakte dat aan die omleiding in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen, en dat bovendien geen compenserende heffing aanwezig was.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde eerder (2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:724) dat achtergestelde leningen aan Guernsey-vennootschappen onzakelijk waren, met een zakelijke rente die aanzienlijk lager lag dan de overeengekomen rente, dat de rente niet aftrekbaar was wegens wetsontduiking, en dat een betaalde arrangement fee moest worden geactiveerd in plaats van ineens ten laste van de winst te worden gebracht.

De Hoge Raad heeft in 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1121) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU over de uitleg van het Lexel-arrest voor art. 10a lid 1 onderdeel c, met name of renteaftrek moet worden toegestaan wanneer de rente op de lening zelf zakelijk (at arm's length) is.

De Advocaat-Generaal concludeerde in 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:85) over de vraag of, wanneer een aandeelhouderslening buiten de verbondenheid van art. 10a valt, renteaftrek toch geweigerd kan worden wegens onzakelijkheid van de lening of fraus legis, en over de verdeling van de bewijslast daarbij.

Aandachtspunten voor de praktijk

Van belang is eerst of de crediteur verbonden is in de zin van lid 4 of 5, en vervolgens of de schuld verband houdt met een van de drie rechtshandelingen van lid 1, ook als de schuld pas na de rechtshandeling is aangegaan (lid 2).

De tegenbewijsregeling van lid 3 onderdeel a vergt onderbouwing van de zakelijkheid van zowel de schuld als de rechtshandeling; in ECLI:NL:GHAMS:2025:1219 stelde het Hof zowel het ontbreken van zakelijke overwegingen bij de rechtshandeling als het ontbreken van een compenserende heffing vast.

Bij grensoverschrijdende financiering is de compenserende-heffingstoets van lid 3 onderdeel b een zelfstandig alternatief voor de zakelijkheidstoets; de kwalificatie van de heffing bij de buitenlandse crediteur verdient afzonderlijke aandacht.

Naast artikel 10a kunnen de zakelijkheid van de leningsvoorwaarden en fraus legis een zelfstandige rol spelen, zoals in ECLI:NL:GHAMS:2021:724, ook wanneer een schuld formeel buiten de verbondenheidsdefinitie valt (vergelijk ECLI:NL:PHR:2024:85).

De lopende prejudiciële procedure over de Lexel-problematiek (ECLI:NL:HR:2022:1121) maakt de uitkomst voor een overigens zakelijk geprijsde lening op dit moment onzeker; posities die uitsluitend op de zakelijkheid van de rentevoet steunen, zonder onderbouwing van de rechtshandeling zelf, verdienen extra voorzichtigheid.

Recente ontwikkelingen

De bij de Hoge Raad aanhangige prejudiciële procedure (ECLI:NL:HR:2022:1121) over de Unierechtelijke houdbaarheid van artikel 10a in combinatie met het Lexel-arrest is nog niet afgerond en kan de toepassing van de aftrekweigering bij overigens zakelijk geprijsde leningen wijzigen.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 113 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.