Vennootschapsbelasting
Onzakelijke lening en afwaarderingsverlies
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Een geldlening tussen gelieerde partijen wordt in de fiscale jurisprudentie als "onzakelijk" aangemerkt wanneer een onafhankelijke derde het daaraan verbonden debiteurenrisico, onder overigens dezelfde voorwaarden, niet zou hebben aanvaard tegen een vaste, niet-winstdelende rente. De achterliggende gedachte is dat de crediteur in zo'n geval feitelijk aandeelhoudersrisico loopt in plaats van gewoon debiteurenrisico, en dat een eventueel verlies op die vordering dus zijn oorzaak vindt in de aandeelhoudersrelatie en niet in de onderneming.
Het leerstuk is niet in een afzonderlijke wetsbepaling gecodificeerd, maar door de rechtspraak ontwikkeld binnen het kader van de totaalwinstbepaling: alleen voordelen en verliezen die voortvloeien uit de onderneming zelf tellen mee voor de fiscale winst. Een afwaarderingsverlies op een onzakelijke lening wordt daarom in beginsel niet in aftrek toegelaten, tenzij bijzondere omstandigheden meebrengen dat het verlies toch als ondernemingsverlies kan worden aangemerkt.
De kwalificatie "onzakelijk" werkt door in meerdere fiscale deelgebieden: naast de directe verliesaftrek in de vennootschapsbelasting speelt zij ook bij de vaststelling van de rente op een onzakelijke lening (de vuistregelrente) en bij samenhangende correcties, zoals een hogere uitdelingsverplichting.
Wanneer speelt dit
Het thema komt typisch op bij financiering tussen moeder- en dochtervennootschappen, tussen zustermaatschappijen of tussen een dga en zijn bv, wanneer de lening geen zekerheden kent, is achtergesteld, geen aflossingsschema heeft of tegen een rente is verstrekt die niet aansluit bij het feitelijke debiteurenrisico. Ook bij herfinanciering binnen een concern en bij achtergestelde leningen aan buitenlandse groepsvennootschappen is de vraag relevant of de lening bij het aangaan ervan zakelijk was. Bij afwaardering van vorderingen na een debiteurenwissel binnen het concern geldt volgens ECLI:NL:HR:2020:1856 een afzonderlijk beoordelingsmoment: het verlies is aftrekbaar voor zover de nominale waarde bij het ontstaan van het debiteurenrisico de waarde in het economische verkeer op dat moment overtrof. Daarnaast speelt de kwalificatie een rol wanneer de inspecteur een correctie aanbrengt op een aandeelhouderslening in het kader van een bredere winstcorrectie, bijvoorbeeld in samenhang met een uitdelingsvraagstuk.
Wettelijk kader
Het leerstuk van de onzakelijke lening is een rechtersrecht dat is ingebed in de wettelijke winstbepaling. Art. 3.8 Wet IB 2001 omschrijft winst uit onderneming als "het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming." Alleen voordelen (en dus ook verliezen) die hun oorzaak vinden in de onderneming vallen hieronder; een verlies dat zijn grond vindt in de aandeelhoudersrelatie in plaats van in de onderneming valt buiten dit winstbegrip. Dit is de dogmatische kern waarop de rechtspraak over de onzakelijke lening is gebouwd.
Voor de vennootschapsbelasting bepaalt art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 dat "de winst wordt opgevat en bepaald op de voet van" onder meer artikel 3.8 Wet IB 2001, "waarbij voor ondernemer wordt gelezen belastingplichtige." De VPB-winst van een lichaam wordt dus via deze koppelingsbepaling naar hetzelfde winstbegrip getrokken als bij de IB-ondernemer, met dien verstande dat lid 2 van art. 8 Wet VPB 1969 uitzonderingen maakt voor zover de wet anders bepaalt of het verschil in wezen tussen een belastingplichtig lichaam en een natuurlijk persoon tot een ander resultaat noopt. De overige leden van art. 8 Wet VPB 1969 in het bronbestand zien op specifieke onderwerpen zoals kwijtscheldingswinst, pensioenverplichtingen en werkkostenforfait en raken niet rechtstreeks aan de onzakelijke-leningproblematiek.
Belangrijkste rechtspraak
De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2016:2340 (2016) dat het hof ontoereikend had gemotiveerd waarom zakelijke relaties die ontstonden doordat opdrachten aan de zustermaatschappij werden gegeven, niet van voldoende gewicht konden zijn om de lening onder dezelfde voorwaarden te verstrekken. De zaak werd verwezen voor onderzoek naar bijzondere omstandigheden die aftrek van het afwaarderingsverlies op een onzakelijke lening alsnog mogelijk maken; dit arrest laat zien dat de band tussen zakelijke handelsrelaties en de financieringsbeslissing relevant kan zijn voor de vraag of een uitzondering op de aftrekbeperking geldt.
Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2021:724 (2021) dat achtergestelde leningen aan Guernsey-vennootschappen onzakelijk waren, met een zakelijke rente van 2,5% in plaats van de overeengekomen 11,5-14%, dat de meerdere rente niet aftrekbaar was wegens wetsontduiking, en dat de arrangement fee van EUR 8,4 mln geactiveerd moest worden in plaats van ineens ten laste van de winst te worden gebracht. Dit arrest illustreert dat bij een onzakelijke lening niet alleen het afwaarderingsverlies, maar ook de overeengekomen rente en bijkomende kosten onderwerp van correctie kunnen zijn.
De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2020:1856 (2020) dat het verlies op afwaardering van een vordering bij debiteursvervanging aftrekbaar is voor zover de nominale waarde bij het ontstaan van het debiteurenrisico de waarde in het economische verkeer overtrof, en vernietigde de hofuitspraak die dit miskende. Dit arrest bepaalt het aftrekbare bedrag bij afwaardering specifiek voor de situatie van debiteursvervanging.
Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2024:1920 (2024) dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond was: de Vpb-aanslagen werden gecorrigeerd wegens een onzakelijke aandeelhouderslening, een hogere uitdelingsverplichting en een toevoeging aan de afrondingsreserve, in het kader van een aanspraak op het fbi-regime. Deze zaak laat zien dat de kwalificatie van een aandeelhouderslening als onzakelijk kan doorwerken in samenhangende correcties buiten de leningsverhouding zelf.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij een gelieerde lening is de zakelijkheid bepalend op het moment van aangaan; latere ontwikkelingen zijn voor die toets in beginsel niet bepalend, al kan een debiteurenwissel volgens ECLI:NL:HR:2020:1856 een nieuw beoordelingsmoment opleveren.
- Van belang is welke zakelijke relaties (bijvoorbeeld leverings- of dienstverleningsrelaties tussen de leningpartijen) een rol speelden bij het aangaan van de financiering; ECLI:NL:HR:2016:2340 laat zien dat dergelijke relaties gewicht in de schaal kunnen leggen bij de vraag of bijzondere omstandigheden aftrek van een afwaarderingsverlies alsnog mogelijk maken.
- Bij kwalificatie als onzakelijke lening wordt niet alleen het afwaarderingsverlies gecorrigeerd, maar kan ook de overeengekomen rente worden herzien naar een zakelijk niveau en moeten bijkomende kosten (zoals afsluitprovisies) mogelijk worden geactiveerd in plaats van direct ten laste van de winst te worden gebracht, zoals in ECLI:NL:GHAMS:2021:724.
- Van belang is de doorwerking naar andere correcties: in ECLI:NL:GHAMS:2024:1920 leidde de onzakelijkheid van een aandeelhouderslening tot een bredere herziening, waaronder de uitdelingsverplichting.
- Omdat het leerstuk niet in een specifieke wetsbepaling is vastgelegd maar via de totaalwinstbepaling van art. 3.8 Wet IB 2001 juncto art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 loopt, blijft de motivering van de feiten en omstandigheden rond het debiteurenrisico bepalend voor de uitkomst per geval.
Recente ontwikkelingen
Kennisgroepstandpunt KG:023:2026:3 (juni 2026) van de Belastingdienst gaat in op de kwalificatie van een neerwaartse renteaanpassing op een onzakelijke lening naar de vuistregelrente. Het standpunt luidt dat een dergelijke neerwaartse aanpassing kwalificeert als winstaanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel, en dat art. 8bb Wet VPB 1969 daarop van toepassing is. Voor de praktijk betekent dit dat het herzien van de rente op een reeds als onzakelijk gekwalificeerde lening niet vrijblijvend is, maar zelf weer aan het zakelijkheidsbeginsel wordt getoetst.
Kernartikelen
- Art. 3.8 Wet IB 2001 — Art. 3.8 Wet IB 2001: Winst
- Art. 8 Wet VPB 1969
Belangrijkste rechtspraak
110 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1920 (2024)
Het hof oordeelt dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is: de aanslagen Vpb worden gecorrigeerd wegens een onzakelijke aandeelhouderslening, een hogere uitdelingsverplichting en toevoeging aan de afrondingsreserve (art. 7 BBI), in het kader van aanspraak op het fbi-regime.
-
ECLI:NL:HR:2016:2340 (2016)
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de zakelijke relaties die ontstonden door opdrachten aan de zustermaatschappij niet van voldoende gewicht konden zijn om de lening onder dezelfde voorwaarden te verstrekken; verwijzing moet volgen voor onderzoek naar bijzondere omstandigheden die aftrek van het afwaarderingsverlies op een onzakelijke lening alsnog mogelijk maken.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:724 (2021)
Het Hof oordeelt dat de aan Guernsey-vennootschappen verschuldigde achtergestelde leningen onzakelijk zijn met een zakelijke rente van 2,5% in plaats van de overeengekomen 11,5-14%, dat deze rente niet aftrekbaar is wegens wetsontduiking, en dat de Arrangement Fee van EUR 8,4 mln moet worden geactiveerd in plaats van ineens ten laste van de winst te worden gebracht.
- ECLI:NL:GHARL:2025:7779 (2025)
-
ECLI:NL:HR:2020:1856 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat het verlies op afwaardering van een vordering bij debiteursvervanging aftrekbaar is voor zover de nominale waarde bij het ontstaan van het debiteurenrisico de waarde in het economische verkeer overtrof, en vernietigt de hofuitspraak die dit miskende.
-
ECLI:NL:GHAMS:2025:2377 (2025)
Het Hof oordeelt dat de factoringkosten grotendeels onzakelijk zijn en belanghebbende het bewijsvermoeden van art. 8b Wet Vpb 1969 niet heeft ontzenuwd, en dat vanwege 'implicit support' als core-vennootschap van het concern geen sprake is van een aparte intra-group service waarvoor garantiefees aan de moedervennootschap verschuldigd zouden zijn.
-
ECLI:NL:HR:2019:199 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat winstneming bij een zeer effectieve hedge verplicht is zodra zeker is dat een eerdere waardeontwikkeling wordt gerealiseerd, en dat de economische voorraad in het ijzerenvoorraadstelsel vereist dat de ondernemer het volledige prijsrisico draagt.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1928 (2024)
Het Hof oordeelt dat omkering en verzwaring van de bewijslast (art. 27e AWR) ook geldt in verrekenprijsgeschillen onder art. 8b Wet Vpb, nu belanghebbende niet de vereiste aangifte deed doordat additionele waarde zonder vergoeding is overgedragen; het hoger beroep is deels gegrond.
-
ECLI:NL:HR:2024:265 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat overgang van het kapitaaldekkingsstelsel naar het omslagstelsel voor pensioenverplichtingen in eigen beheer in strijd is met goed koopmansgebruik, behalve voor verplichtingen die zijn aangegaan vóór dit arrest en waarop vanaf hun ontstaan al het omslag- of kasstelsel werd toegepast.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:1923 (2020)
De zaak betreft of een pensioenverplichting voor de vennootschapsbelasting moet worden gewaardeerd naar de fiscale maatstaven van artikel 3.29 Wet IB 2001 en artikel 8, lid 6, Wet Vpb 1969 of naar actuariële maatstaven, en of waardering naar fiscale maatstaven in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM.
Beleid en standpunten
140 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0042088
Dit besluit behandelt de waarde in het economische verkeer voor pensioenverplichtingen en de waardering ervan in het kader van jaarwinstbepaling, inclusief goedkeuringen.
-
Besluit BWBR0034987
Beleid inzake investeringsaftrek; actualisering bepalingen milieuvriendelijke voertuigen, asbesthoudende daken en late keuze.
-
KG:011:2025:7 (2025)
Standpunt: Een fiscale beleggingsinstelling kan als commanditair vennoot in een operationele commanditaire vennootschap participeren mits beleggings-, financierings- en uitdelingsvereisten worden nagekomen.
-
Kamerstuk 29210 nr. 3
Memorie van toelichting Belastingplan 2004: onderwerpen arbeidsmarkt, kenniseconomie, mobiliteit, eigen woning.
-
Kamerstuk 35572 nr. 15
Tweede nota wijziging Belastingplan 2021 voert Hoofdstuk IX BIK-afdrachtvermindering in voor baangerelateerde investeringen door werkgevers.
-
Kamerstuk 34552 nr. 20
Aftrek kosten werkruimte in woning onder artikel 3.16 en 3.19 beperkt; hypotheekrenteaftrek niet van toepassing voor gekwalificeerde werkruimte.
-
Besluit BWBR0048018
Goedkeuring/beleid inzake winstbepaling totaalwinst. Dit besluit voegt vijf eerdere beleidsbesluiten samen en actualiseert het beleid naar aanleiding van wetwijzigingen.
-
KG:212:2024:7 (2024)
Standpunt: [GEWIJZIGD MET INGANG 1 JANUARI 2026] Maximum energie-investeringsaftrek article 3.42, vierde lid, Wet IB 2001 bedraagt EUR 153 miljoen per belastingplichtige per jaar (samentelplafond).
-
KG:023:2026:3 (2026)
Standpunt: Een neerwaartse aanpassing van de overeengekomen rente op een onzakelijke lening naar de vuistregelrente kwalificeert als winstaanpassing op grond van het zakelijkheidsbeginsel. Artikel 8bb Wet Vpb 1969 is hierop van toepassing.
-
RULOV 20241119-000004 (2024)
X verzoekt om zekerheid over toepassing van het tonnageregime voor zeescheepvaartactiviteiten over 2021-2030, met eigendom van vijf schepen zonder EU/EER-vlag en deelname in samenwerkingsverband.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.