Bronbelasting

Bronbelasting op rente, royalty's en dividenden

Bijgewerkt op 19 juli 2026

De conditionele bronbelasting van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB 2021) is een aanvullende heffing die inhaakt op rente-, royalty- en (blijkens de rulingpraktijk) dividendbetalingen van een Nederlands lichaam aan een gelieerd lichaam, in situaties waarin Nederland wordt gebruikt om belastingheffing te ontwijken. De heffing is "conditioneel": zij grijpt niet aan bij elke grensoverschrijdende betaling, maar alleen wanneer de ontvanger is gevestigd in een laagbelastende jurisdictie, wanneer sprake is van een misbruiksituatie, of wanneer de kwalificatie van de ontvanger fiscaal mismatcht met de kwalificatie in Nederland.

De regeling functioneert als sluitstuk op het bestaande internationale stelsel: zij moet verhinderen dat Nederland wordt gebruikt als doorstroomland naar laagbelastende jurisdicties of in kunstmatige structuren. De heffing wordt geëffectueerd via inhouding door de inhoudingsplichtige (het Nederlandse betalende lichaam), niet via aanslagoplegging bij de ontvanger.

Voor de praktijk betekent dit dat de bronbelasting vooral relevant is bij het structureren en onderhouden van internationale houdster-, financierings- en licentiestructuren met Nederland in de keten, en dat de kwalificatie van de gerechtigde tot de voordelen (het lichaam aan het andere eind van de betaling) centraal staat in de toets.

Wanneer speelt dit

Het thema komt in de praktijk vooral terug bij:

  • Nederlandse houdster- of coöperatiestructuren die rente, royalty's of dividenden betalen aan een buitenlandse aandeelhouder, financier of licentiegever die is gevestigd in, of via een vaste inrichting verbonden is met, een laagbelastende jurisdictie.
  • Structuren met een tussenliggend samenwerkingsverband (bijvoorbeeld een fiscaal transparant EU-vehikel) tussen de Nederlandse betaler en de uiteindelijke gerechtigde, waarbij de vraag speelt wie voor de bronbelasting als de "gerechtigde tot de voordelen" geldt.
  • Hybride entiteitsstructuren, waarin de fiscale kwalificatie van een tussenhoudster in het buitenland afwijkt van de Nederlandse kwalificatie, met als gevolg dat de voordeelgerechtigde daar niet als zodanig wordt behandeld.
  • Groepen die vooraf zekerheid willen over de inhoudingsplicht dividendbelasting en de eventuele samenloop met de conditionele bronbelasting, doorgaans via een verzoek om zekerheid vooraf bij het College Internationale Fiscale Zekerheid.
  • Beoordelingen van de zakelijkheid van een tussenstructuur, waarbij moet worden onderbouwd dat deze is opgezet vanuit geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, en niet met als (mede)doel belastingontwijking.

Wettelijk kader

Art. 1.1 Wet BB 2021 vormt de heffingsgrondslag: "Onder de naam bronbelasting wordt een belasting geheven van het lichaam, bedoeld in artikel 2.1." De belasting wordt dus geheven van een specifiek aangewezen lichaam, niet in algemene zin van iedere ontvanger van rente, royalty's of dividenden.

Art. 2.1 Wet BB 2021 werkt uit wie dat lichaam is. Lid 1 bepaalt dat belastingplichtig is "een lichaam dat gerechtigd is tot voordelen als bedoeld in artikel 3.1 en dat" voldoet aan een van de volgende, in de wettekst met "of" verbonden categorieën:

  • onderdeel a: het lichaam is naar de omstandigheden of naar de fiscale regelgeving van een laagbelastende jurisdictie aldaar gevestigd;
  • onderdeel b: het lichaam is niet in een laagbelastende jurisdictie gevestigd, maar de voordelen worden toegerekend aan een vaste inrichting in zo'n jurisdictie;
  • onderdeel c: het lichaam is elders gevestigd, maar is gerechtigd tot de voordelen "met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan" via een kunstmatige constructie of transactie die niet is opgezet op grond van "geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen";
  • onderdeel d: de vestigingsstaat van de voordeelgerechtigde behandelt deze aldaar niet als gerechtigde tot de voordelen, omdat die staat een ander lichaam waarin de voordeelgerechtigde een belang heeft als de gerechtigde beschouwt; of
  • onderdeel e: de staat van oprichting van de voordeelgerechtigde behandelt deze niet als aldaar gevestigd, terwijl ook geen andere staat dat doet.

Elk van deze categorieën kent een eigen tegenbewijsregeling. Lid 2 sluit onderdeel a uit als aannemelijk wordt gemaakt dat de voordeelgerechtigde ook elders (niet laagbelastend) is gevestigd en daar als gerechtigde wordt behandeld, zonder verdragswoonplaats in de eerste jurisdictie. Lid 3 sluit onderdeel d uit als aannemelijk is dat het lichaam zelf, in zijn eigen vestigingsstaat, wél als gerechtigde wordt beschouwd. Lid 4 sluit onderdeel e uit indien geen achterliggende gerechtigde bestaat die samen met een of meer andere lichamen een kwalificerende eenheid vormt, en bovendien aannemelijk wordt gemaakt dat ofwel iedere achterliggende gerechtigde met een kwalificerend belang in haar eigen staat als gerechtigde wordt behandeld en zelf niet onderworpen is aan onderdeel a, b, c of d, ofwel er geen achterliggende gerechtigde met een kwalificerend belang bestaat. Lid 5 rekt het begrip "belang" op tot middellijke belangen onder voorwaarden.

Lid 6 introduceert voor onderdeel c een bewijsvermoeden: bij voldoening aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden wordt, behoudens tegenbewijs door de inspecteur, verondersteld dat geen sprake is van hoofddoel-belastingontwijking en wel van geldige zakelijke redenen. Is niet aan die voorwaarden voldaan, dan ligt de bewijslast bij de voordeelgerechtigde of de inhoudingsplichtige om aan te tonen dat geen sprake is van een hoofddoel belastingontwijking, óf dat wel geldige zakelijke redenen bestaan. Lid 7 breidt de belastingplicht uit tot een lichaam als bedoeld in art. 2 lid 12 Wet VPB 1969 (een hybride kwalificatiegeval), voor zover een achterliggende gerechtigde met een kwalificerend belang zelf onder lid 1 belastingplichtig zou zijn geweest bij rechtstreekse gerechtigdheid.

Deze wettekst-excerpten geven geen uitsluitsel over het tarief, de aanwijzing van laagbelastende jurisdicties of de reikwijdte van artikel 3.1 (het object van de heffing); die elementen worden hier dan ook niet besproken.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De kwalificatietoets van art. 2.1 lid 1 is een "of"-toets: voldoening aan één van de onderdelen a tot en met e is voldoende voor belastingplicht. Bij structuuranalyse moeten daarom alle vijf onderdelen afzonderlijk worden doorlopen, niet alleen de meest voor de hand liggende (doorgaans onderdeel a, vestiging in een laagbelastende jurisdictie).
  • Onderdeel c vergt een subjectieve (hoofddoel) én een objectieve (kunstmatigheid, geldige zakelijke redenen) toets. De tegenbewijsregeling van lid 6 verschuift de bewijslast afhankelijk van of aan ministeriële voorwaarden is voldaan; de documentatie van de zakelijke opzet van een tussenstructuur is dus bepalend voor wie iets moet bewijzen.
  • Bij tussenliggende samenwerkingsverbanden of hybride entiteiten (onderdelen d en e) hangt de uitkomst af van de fiscale kwalificatie in de buitenlandse vestigingsstaat, niet van de Nederlandse kwalificatie. Dit vergt afstemming met buitenlands fiscaal advies over hoe die staat de voordeelgerechtigde behandelt.
  • Het begrip "belang" in lid 4 en lid 5 omvat ook middellijke belangen; bij multi-laag structuren moet de keten van gerechtigdheid tot de voordelen dus tot en met de uiteindelijke achterliggende gerechtigde worden doorgetrokken.
  • Gelet op het aantal verzoeken om zekerheid vooraf over dit thema (zie hieronder) is vooraf zekerheid vragen aan het College Internationale Fiscale Zekerheid een gangbare route bij herstructurering van houdster- of financieringsketens met een laagbelastende of hybride component.

Recente ontwikkelingen

Meerdere in 2025 en 2026 gepubliceerde verzoeken om zekerheid vooraf laten zien dat de combinatie van inhoudingsplicht dividendbelasting en de conditionele bronbelasting op dividenden, rente of royalty's regelmatig voorwerp is van een verzoek om vooraf zekerheid, onder meer bij coöperatie-houdsters met een tussenliggend (transparant) samenwerkingsverband, bij hybride entiteitsstructuren met transparante buitenlandse moedermaatschappijen, en bij houdsterstructuren met aandeelhouders in verschillende verdragslanden. De memorie van antwoord bij de totstandkoming van de Wet BB 2021 (Kamerstuk 35305, nr. C) plaatst de regeling uitdrukkelijk in de sleutel van het tegengaan van treaty shopping, al blijkt uit het beschikbare fragment geen concluderend oordeel over de effectiviteit daarvan.

Kernartikelen

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 79 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.