Bronbelasting
Bronbelasting op dividenden
Bijgewerkt op 30 augustus 2026
Per 1 januari 2024 is de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB 2021) uitgebreid met een derde heffingsgrondslag naast rente en royalty's: dividenden aan gelieerde lichamen in laagbelastende of niet-coöperatieve jurisdicties en in misbruiksituaties (art. 3.1, onderdeel c, Wet BB 2021). De dividendtak volgt dezelfde belastingplicht als de rente- en royaltytak, maar heeft een eigen heffingsgrondslag (art. 3.4a tot en met 3.4c) en een samenloopregel met de dividendbelasting (art. 5.2). Doel is te voorkomen dat winstuitkeringen via Nederland onbelast of nauwelijks belast naar laagbelastende jurisdicties stromen. De heffingsgrondslag en de samenloopbepaling met de dividendbelasting zijn toegelicht in de parlementaire stukken bij de dividendtak (Kamerstukken II 2020/21, 35779, nr. 3 en nr. 6).
Dit thema beantwoordt:
- Wat valt onder de heffingsgrondslag dividenden van art. 3.4a Wet BB 2021?
- Hoe werkt de doorschuifregeling voor gestort kapitaal bij aandelenruil, splitsing en fusie?
- Wanneer wordt een dividendvoordeel geacht te zijn genoten?
- Tegen welk tarief wordt geheven en hoe verhoudt dat zich tot de dividendbelasting?
- Hoe loopt de samenloop met de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting van art. 4 Wet DB 1965?
Belastingplicht en gelieerdheid
Belastingplichtig is een gelieerd lichaam dat aan een van de vijf triggervoorwaarden van art. 2.1 lid 1 Wet BB 2021 voldoet (onder meer vestiging in een laagbelastende jurisdictie, een vaste inrichting daar, een kunstmatige structuur of een kwalificatiemismatch), waarbij "gelieerd" een kwalificerend belang veronderstelt (art. 1.2 lid 1, onderdelen c en d). Deze triggervoorwaarden en de jurisdictielijst zijn identiek voor alle drie de heffingsgrondslagen en worden uitgewerkt in bronbelasting op rente en royalty's.
Heffingsgrondslag dividenden: art. 3.4a
De voordelen in de vorm van dividenden zijn de voordelen uit hoofde van de gerechtigdheid, rechtstreeks of door certificaten, tot de opbrengst van aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen als bedoeld in art. 10 lid 1 onderdeel c Wet Vpb 1969 (hybride eigen vermogen) en geldleningen als bedoeld in art. 10 lid 1 onderdeel d Wet Vpb 1969 (hybride geldleningen) aan een Nederlands gevestigde gelieerde inhoudingsplichtige (art. 3.4a lid 1 Wet BB 2021). Lid 2 rekent daartoe onder meer winstuitdelingen, liquidatie-uitkeringen boven het gestorte kapitaal, bonusaandelen zonder storting, kapitaalteruggaaf voor zover zuivere winst aanwezig is, uitkeringen op winstbewijzen, vergoedingen op hybride kapitaal en geldleningen, en rente op inleggelden bij een coöperatie. De dividendtak kent bovendien een beperktere kring inhoudingsplichtigen dan rente en royalty's: alleen NV's, BV's, coöperaties, fondsen voor gemene rekening, omgekeerd hybride lichamen als bedoeld in art. 2 lid 11 Wet Vpb 1969 en daarmee vergelijkbare naar buitenlands recht opgerichte lichamen tellen mee; stichtingen en verenigingen dus niet (art. 1.2 lid 3 Wet BB 2021).
Gestort kapitaal bij aandelenruil, splitsing en fusie
Art. 3.4b Wet BB 2021 bepaalt welk deel van een uitkering als teruggaaf van gestort kapitaal geldt en welk deel als belaste winstuitdeling, wanneer een aandelenruil, splitsing of fusie aan de uitkering voorafging. De hoofdregel is doorschuiving: het gestorte kapitaal op de oorspronkelijke aandelen blijft, verminderd met een eventuele contante bijbetaling, gelden als gestort kapitaal op de nieuwe aandelen (lid 1, 2 en 5); is de overdragende of verdwijnende rechtspersoon niet in Nederland gevestigd, dan geldt in plaats daarvan de waarde in het economische verkeer (lid 1, 2 en 6). Is de transactie in overwegende mate gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, dan geldt de waarde in het economische verkeer niet en blijft het werkelijk gestorte kapitaal maatgevend; bij een splitsing van een in Nederland gevestigde rechtspersoon wordt hetgeen de aandeelhouder bij de splitsing geniet dan als winstuitdeling aangemerkt (lid 4). Zo'n ontgaansmotief wordt, behoudens tegenbewijs, aanwezig geacht als zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering ontbreken; bij een splitsing geldt daarnaast een beleggingstoets (lid 7). Vooraf zekerheid hierover kan bij de inspecteur worden gevraagd (lid 8), en art. 3.4c laat de inspecteur op verzoek het gestorte en het gemiddeld gestorte kapitaal bij beschikking vaststellen.
Genietingsmoment: art. 3.5 lid 4
Dividendvoordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij ter beschikking van de voordeelgerechtigde worden gesteld (art. 3.5 lid 4 Wet BB 2021). Voor renten en royalty's gelden meerdere genietingsmomenten (betaling, verrekening, terbeschikkingstelling, rentedragend of vorderbaar en inbaar worden, lid 1) plus een fictief genietingsmoment op 31 december van het tijdvak voor gerijpte maar nog niet genoten bedragen (lid 2). Die fictie ziet alleen op de onderdelen a en b van art. 3.1; voor dividenden telt uitsluitend de daadwerkelijke terbeschikkingstelling.
Tarief: gekoppeld aan het hoogste Vpb-tarief
Het tarief is voor alle drie de heffingsgrondslagen gelijk aan het hoogste percentage van art. 22 Wet Vpb 1969, toegepast op de voordelen van art. 3.1 (art. 4.1 Wet BB 2021). Dat percentage is sinds de invoering van de dividendtak ongewijzigd.
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Tarief bronbelasting dividenden (= hoogste Vpb-tarief; 2024 t/m 2026 ongewijzigd) | 25,8% | art. 4.1 Wet BB 2021 jo. art. 22 Wet Vpb 1969 |
| Inwerkingtreding dividendtak | 1 januari 2024 | art. 3.1 onderdeel c Wet BB 2021 |
(wettekst geldend per 2026)
Heffingswijze: tijdvakbelasting via inhouding
De belasting wordt geheven door inhouding op het genietingsmoment; de inhoudingsplichtige draagt de in een tijdvak ingehouden belasting af op aangifte (art. 5.1 lid 1-3 Wet BB 2021). Kan zij niet op de voordelen zelf worden ingehouden, dan geldt zij als ingehouden op het genietingstijdstip van art. 3.5 (lid 4). De heffing loopt dus via het Nederlandse uitkerende lichaam en niet via een aanslag aan de buitenlandse ontvanger; blijft afdracht uit, dan volgt naheffing bij de inhoudingsplichtige of de belastingplichtige (art. 6.1).
Samenloop met de dividendbelasting: art. 5.2 jo. art. 4 Wet DB 1965
De in te houden bronbelasting op dividenden wordt verminderd met de dividendbelasting die ten laste van de voordeelgerechtigde over dezelfde voordelen is ingehouden (art. 5.2 Wet BB 2021), zodat per saldo het bronbelastingtarief van art. 4.1 het totale heffingsniveau bepaalt, ook wanneer eerst dividendbelasting is ingehouden. Dividendbelasting wordt in beginsel op elke winstuitkering ingehouden, maar art. 4 Wet DB 1965 kent een inhoudingsvrijstelling, onder meer voor deelnemingen waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is en voor kwalificerende EU/EER- of verdragssituaties (lid 1 en 2), maar die vrijstelling vervalt bij een kunstmatige constructie met als hoofddoel het ontgaan van belasting bij een ander (lid 3 onderdeel c), en de leden 7 en 8 sluiten vrijstelling of teruggaaf uit voor wie niet de uiteindelijk gerechtigde is. Is de bronbelastingplichtige aandeelhouder tevens Vpb-plichtig in Nederland, dan werkt de ingehouden dividendbelasting als voorheffing via art. 25 Wet Vpb 1969.
Cijfervoorbeeld
X BV keert EUR 1.000.000 dividend uit aan Y Ltd, gevestigd in een laagbelastende jurisdictie en gelieerd aan X BV in de zin van art. 1.2 lid 1 onderdeel c Wet BB 2021. Eerst wordt dividendbelasting ingehouden tegen 15%: EUR 150.000 (art. 4 Wet DB 1965; geen inhoudingsvrijstelling, want de voorwaarden zijn niet vervuld). De conditionele bronbelasting bedraagt 25,8% van EUR 1.000.000, ofwel EUR 258.000 (art. 4.1 Wet BB 2021), en wordt op grond van art. 5.2 Wet BB 2021 verminderd met de al ingehouden EUR 150.000 dividendbelasting, zodat EUR 108.000 aan bronbelasting resteert. Per saldo draagt X BV EUR 258.000 af, exact 25,8% van de uitkering.
Naheffing: art. 6.1 en 6.2
Draagt de inhoudingsplichtige de verschuldigde belasting geheel of gedeeltelijk niet af, dan wordt de naheffingsaanslag opgelegd aan de inhoudingsplichtige dan wel aan de belastingplichtige zelf (art. 6.1 lid 1 Wet BB 2021). Voor de dividendvoordelen van art. 3.1 onderdeel c wordt de na te heffen belasting verminderd met de dividendbelasting die over diezelfde voordelen ten laste van de belastingplichtige is afgedragen of nageheven (art. 6.1 lid 2), zodat de samenloopvermindering van art. 5.2 ook bij naheffing overeind blijft. Art. 6.2 verklaart de informatieverplichting van art. 47a AWR van overeenkomstige toepassing op gegevens bij de voordeelgerechtigde, derden met een kwalificerend belang en lichamen in een kwalificerende eenheid, met de informatiebeschikking van art. 52a AWR, en daarmee mogelijke omkering en verzwaring van de bewijslast, als gevolg bij niet-nakoming. De Invorderingswet 1990 kent daarnaast een eigen aansprakelijkheidsregeling.
Zekerheid vooraf via de ATR-route
Over de dividendtak zelf bestaat vanwege de recente inwerkingtreding nog geen gepubliceerde rechtspraak. De rechtspraak die wel bestaat, ziet op het naastgelegen leerstuk van de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting (art. 4 Wet DB 1965) en op EU-recht rond bronheffing op dividenden, zoals de zaak Amurta (ECLI:EU:C:2007:655), waarin het Hof van Justitie EU een bronbelasting op dividenden aan een buitenlandse vennootschap EU-strijdig achtte omdat binnenlandse dividenden waren vrijgesteld.
Zekerheid vooraf over de kwalificatietoets voor de dividendtak kan worden gevraagd bij het College Internationale Fiscale Zekerheid. Gepubliceerde advance tax rulings uit 2024 tot en met 2026 combineren dit vaak met verzoeken over de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting, de buitenlandse belastingplicht en de deelnemingsvrijstelling, onder meer bij houdstercoöperaties en hybride aandeelhoudersstructuren.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Art. 1.2 lid 3 beperkt de kring inhoudingsplichtigen voor dividenden; stichtingen en verenigingen vallen erbuiten.
- De doorschuifregeling voor gestort kapitaal (art. 3.4b) staat of valt met zakelijke overwegingen voor de reorganisatie.
- Voor dividenden geldt geen fictief genietingsmoment op 31 december zoals bij rente en royalty's: alleen de daadwerkelijke terbeschikkingstelling telt.
- De samenloopvermindering van art. 5.2 werkt ook bij naheffing (art. 6.1 lid 2).
- Inhoudingsvrijstelling dividendbelasting en conditionele bronbelasting worden bij hybride structuren vaak in één ATR behandeld.
Recente ontwikkelingen
- 2023: Uitvoeringsvoorschriften conditionele bronbelasting op dividenden van kracht sinds 16 november.
- 2024: heffingsgrondslag Wet BB 2021 uitgebreid met dividenden (art. 3.1 onderdeel c jo. art. 3.4a).
- 2024 tot en met 2026: meerdere ATR's combineren de dividendtak met de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting.
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
- Art. 3.1 Wet BB 2021: Heffingsgrondslag
- Art. 3.4a Wet BB 2021: Heffingsgrondslag dividenden
- Art. 3.4b Wet BB 2021: Op aandelen gestort kapitaal bij aandelenruil, splitsing of fusie
- Art. 3.4c Wet BB 2021: Vaststelling gestort kapitaal
- Art. 3.5 Wet BB 2021: Genietingstijdstip
- Art. 4.1 Wet BB 2021: Tarief
- Art. 4 Wet DB 1965
- Art. 5.1 Wet BB 2021: Heffing door inhouding
- Art. 5.2 Wet BB 2021: Samenloop dividendbelasting
- Art. 6.1 Wet BB 2021: Naheffing
Belangrijkste rechtspraak
11 uitspraken in de kennisbank- ECLI:EU:C:2009:360 (2009)
-
ECLI:EU:C:2007:655 (Amurta) (2007)
Per 2007-11-08: De artikelen 56 en 58 EG verzetten zich tegen een bronbelasting op dividenden aan een in een andere lidstaat gevestigde ontvangende vennootschap, terwijl dividenden aan in de bronstaat aan vennootschapsbelasting onderworpen vennootschappen zijn vrijgesteld.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1732 (2022)
Het Hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat sprake is van een kunstmatige constructie zodat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting van artikel 4, derde lid, onderdeel c, Wet DB, en dat de antimisbruikbepaling niet in strijd is met het Unierecht.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1731 (2022)
De zaak betreft of belanghebbende, een Belgische houdstervennootschap met een belang van 38,71% in een Nederlandse feeder-vennootschap, aanspraak kan maken op de inhoudingsvrijstelling van dividendbelasting op grond van artikel 4, lid 3, onderdeel c, Wet DB, en of de toets daaraan verenigbaar is met het EU-recht.
-
ECLI:NL:HR:2025:1162 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van Unierecht bij de buitenlandse aanmerkelijkbelangregeling van artikel 4, lid 3, letter c, Wet op de dividendbelasting 1965, en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
- ECLI:EU:C:2000:294
-
ECLI:NL:HR:2007:AX7244 (2007)
Per 2007-11-30: De Hoge Raad oordeelt dat Nederland (art. 56 EG) inhouding van dividendbelasting op dividend aan een Luxemburgse moedervennootschap met minderheidsdeelneming achterwege moet laten, nu een Nederlandse moeder ook niet zou zijn belast en Luxemburg niet verrekent.
-
ECLI:NL:HR:2008:BD1501 (2008)
Per 2008-08-08: De Hoge Raad oordeelt dat niet-vrijstelling van dividendbelasting discriminatie oplevert, tenzij de tussenhoudster die belasting kon verrekenen op grond van het belastingverdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk; nu het Hof dat niet vaststelde, is de klacht gegrond.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:1691 (2026)
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen, ook als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden, in een zaak over een internationale kunstmatige structuur en een vergrijpboete.
-
ECLI:NL:HR:2011:BN7160 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat het niet toepassen van de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting op dividend aan een aandeelhouder op de Nederlandse Antillen niet in strijd is met de GATS, omdat dit verschil in behandeling valt onder de uitzondering van artikel XIV, letter d, GATS.
Beleid en standpunten
334 bronnen in de kennisbank-
KG:024:2025:7 (2025)
Per 2025-07-10: Standpunt: Een buitenlandse opbrengstgerechtigde die als intermediair vermogen beheert ter collectieve belegging en in het vestigingsland is onderworpen aan een regime dat collectief beleggen fiscaal neutraal laat verlopen, vervult een met artikel 28 Wet Vpb 1969 vergelijkbare functie en heeft daardoor geen recht op de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, tweede lid, Wet DB 1965.
-
ATR 20260512-000003 (2026)
X, Nederlandse coöperatie met houderfunctie, verzoekt zekerheid over inhoudingsvrijstelling dividendbelasting 2026-2030 en geschiktheid als houdstercoöperatie.
-
ATR 20251125-000005 (2025)
Drie Nederlandse vennootschappen (>1000 personeelsleden) in houdsterstructuur met aandeelhouders in twee verdraglanden vragen buitenlandse belastingplicht en inhoudingsplicht dividendbelasting 2025-2029.
-
ATR 20260721-000003 (2026)
Verzoek om zekerheid vooraf over deelnemingsvrijstelling, buitenlandse belastingplicht, conditionele bronbelasting en inhoudingsvrijstelling voor twee Nederlandse holdings, jaren 2026-2030.
-
ATR 20260804-000008 (2026)
Verzoek om zekerheid vooraf over inhoudingsvrijstelling dividendbelasting en buitenlandse belastingplicht vennootschapsbelasting voor onderneming met hybride aandeelhouderstructuur, jaren 2025-2029.
-
ATR 20250819-000009 (2025)
Coöperatie verzoekt zekerheid over inhoudingsvrijstelling dividendbelasting en buitenlandse belastingplicht 2025-2029 voor vastgoedinvesteringen met actief management en lidmaatschapsrechten gehouden 99% door Z buiten EU.
-
KG:024:2023:22 (2023)
Per 2023-11-09: Standpunt: Ja, artikel 4, negende lid, Wet DB 1965 kan worden toegepast indien een belang in een inhoudingsplichtige wordt gehouden middels meerdere gestapelde hybride entiteiten mits elk van de hybride entiteiten voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, negende lid, Wet DB 1965.
-
ATR 20260707-000005 (2026)
X (Nederlandse handelsonderneming, Europees hoofdkantoor, [11-25] werknemers) verzoekt inhoudingsplicht dividendbelasting; eigendom Y (topholding EU-resident, uiteindelijk eigenaren groep natuurlijke personen EU en Nederland) (2025-2029).
-
ATR 20260707-000006 (2026)
Verzoek om zekerheid vooraf over toepassing inhoudingsvrijstelling dividendbelasting voor vennootschap met buitenlandse aandeelhouder op vergelijkingslijst, jaren 2026-2030.
-
ATR 20240806-000001 (2024)
Nederlandse vennootschap X ([151-300] werknemers, industrieel, joint venture) bepaalt inhoudingsplicht dividendbelasting, buitenlandse belastingplicht en conditionele bronbelasting dividenden voor minderheidsaandeelhouder Y uit verdragsland A (2023-2027).
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.