Dividendbelasting
Dividendbelasting en inhoudingsvrijstelling
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Dividendbelasting is een directe belasting op de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en bepaalde daarmee gelijkgestelde kapitaalverstrekkingen en geldleningen in Nederlandse vennootschappen. De inhoudingsplichtige vennootschap houdt de belasting in aan de bron, op het moment dat de opbrengst ter beschikking wordt gesteld.
Voor deelnemingsverhoudingen binnen Nederland, binnen de EU/EER en met bepaalde verdragslanden voorziet art. 4 Wet DB 1965 in een inhoudingsvrijstelling: de vennootschap mag inhouding achterwege laten als de opbrengstgerechtigde in een kwalificerende deelnemingsrelatie staat tot de inhoudingsplichtige. Voor de grensoverschrijdende variant is dit geen automatisme: die vrijstelling wordt begrensd door een antimisbruiktoets tegen kunstmatige structuren en dividendstripping, en door bewijs- en verklaringsverplichtingen. Het samenspel tussen vrijstellingsgrond, antimisbruikbepaling en uiteindelijkgerechtigdheidstoets maakt dit een procedeergevoelig onderdeel van de dividendbelasting.
Wanneer speelt dit
Het thema komt op bij winstuitkeringen binnen internationale concernstructuren, met name wanneer een Nederlandse vennootschap dividend uitkeert aan een buitenlandse moeder- of houdstervennootschap. Het speelt bij de opzet van houdster- en tussenholdingstructuren (inclusief houdstercoöperaties), bij advance tax rulings over de vrijstelling, bij de beoordeling of een buitenlandse beleggingsinstelling een vergelijkbare functie vervult als een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling, en bij transacties rond het dividendmoment waarbij de uiteindelijk gerechtigde onduidelijk is (dividendstripping). Ook bij fiscale eenheden en deelnemingen onder de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening is de vrijstelling relevant.
Wettelijk kader
Art. 1 Wet DB 1965 bepaalt de hoofdregel: de belasting wordt geheven van degenen die rechtstreeks of door middel van certificaten gerechtigd zijn tot de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en bepaalde kapitaalverstrekkingen en geldleningen in Nederlandse vennootschappen. Lid 2 stelt houdstercoöperaties met kwalificerende lidmaatschapsrechten gelijk met vennootschappen waarvan het kapitaal in aandelen is verdeeld; lid 7 en lid 8 definiëren die begrippen, mede aan de hand van de verbondenheidscriteria van art. 10a Wet VPB 1969.
Art. 4 Wet DB 1965 regelt de inhoudingsvrijstelling zelf. Lid 1 bepaalt dat inhouding achterwege mag blijven indien "de deelnemingsvrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, of de deelnemingsverrekening, bedoeld in artikel 13aa van die wet, van toepassing is op de voordelen die de opbrengstgerechtigde uit die aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen en geldleningen geniet en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming" (a), of indien opbrengstgerechtigde en inhoudingsplichtige deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid als bedoeld in art. 15 Wet VPB 1969 en de deelneming tot het Nederlandse ondernemingsvermogen behoort (b). Onderdeel a en onderdeel b zijn alternatieve gronden voor de vrijstelling: voldoening aan één van beide volstaat; de voorwaarden binnen elk onderdeel gelden cumulatief.
Voor de grensoverschrijdende variant bepaalt lid 2 dat inhouding achterwege blijft indien de opbrengstgerechtigde volgens de fiscale wetgeving van een EU-lidstaat, een EER-staat of een verdragsland met een dividendregeling aldaar is gevestigd (a), "en de opbrengstgerechtigde op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld een belang in de inhoudingsplichtige heeft waarop de deelnemingsvrijstelling [...] of de deelnemingsverrekening [...] van toepassing zou zijn indien hij in Nederland zou zijn gevestigd" (b). Vestigingsstaat en kwalificerend belang zijn dus twee separate, cumulatieve vereisten ("en").
Lid 3 zet deze vrijstelling weer opzij in drie situaties: als de opbrengstgerechtigde volgens een eigen verdrag geacht wordt te zijn gevestigd in een niet-EU/EER-staat zonder passend dividendverdrag (a), als de opbrengstgerechtigde een vergelijkbare functie vervult als een beleggingsinstelling in de zin van art. 6a of art. 28 Wet VPB 1969 (b), of als sprake is van een kunstmatige constructie met als hoofddoel of een van de hoofddoelen het ontgaan van belastingheffing bij een ander, waarbij een constructie kunstmatig is "voor zover zij [...] niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen" (c). Lid 4 koppelt lid 1 en 2 aan het aannemelijk maken van uiteindelijke gerechtigdheid. Lid 5 voorziet in een afzonderlijke inhoudingsvrijstelling voor aangewezen banken en beleggingsinstellingen (art. 5.14 Wet IB 2001) en voor vennootschappen als bedoeld in art. 5, eerste lid, onderdeel a, Wet VPB 1969; lid 6 doet hetzelfde voor opbrengsten van geblokkeerde rechten van deelneming bij een beleggingsinstelling in de zin van art. 28 Wet VPB 1969 (art. 3.126a Wet IB 2001). Lid 7 en verder werken de uiteindelijkgerechtigdheidstoets nader uit voor dividendstripping via een samenstel van transacties. Lid 11 verplicht de inhoudingsplichtige tot een verklaring aan de inspecteur bij toepassing van lid 2; lid 12 bevat een bewijsvermoeden ten gunste van de belastingplichtige bij ministerieel bepaalde voorwaarden.
Belangrijkste rechtspraak
In twee vrijwel gelijktijdige uitspraken van Gerechtshof Amsterdam uit 2022 stond de kunstmatige-constructietoets van art. 4 Wet DB centraal. In ECLI:NL:GHAMS:2022:1732 oordeelde het hof, anders dan de rechtbank, dat sprake was van een kunstmatige constructie zodat geen aanspraak kon worden gemaakt op de inhoudingsvrijstelling, en dat de antimisbruikbepaling niet in strijd is met het Unierecht. De samenhangende zaak ECLI:NL:GHAMS:2022:1731 betrof een Belgische houdstervennootschap met een belang van 38,71% in een Nederlandse feeder-vennootschap, waarbij dezelfde toets aan de orde was.
In ECLI:NL:HR:2025:1162 oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht had geoordeeld dat sprake was van misbruik van Unierecht bij de buitenlandse aanmerkelijkbelangregeling van art. 4 lid 3 onderdeel c Wet DB 1965, en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Buiten de antimisbruiktoets om oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2020:1674 dat de belemmering van het kapitaalverkeer die ontstaat doordat aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds geen teruggaaf van dividendbelasting wordt verleend, niet kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, al mag aan het fonds wel de voorwaarde van een vervangende betaling worden gesteld.
Aandachtspunten voor de praktijk
Bij de beoordeling of art. 4 lid 2 Wet DB van toepassing is, moeten de vestigingstoets en de deelnemingstoets afzonderlijk en cumulatief worden doorlopen; het volstaat niet dat één van beide is vervuld. Bij lid 1 gaat het om twee alternatieve gronden (deelnemingsvrijstelling of -verrekening, dan wel fiscale eenheid), waarbij voldoening aan één van beide volstaat. De kunstmatige-constructietoets van lid 3 onderdeel c vergt een concrete onderbouwing van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen: zowel de Amsterdamse hofuitspraken uit 2022 als de zaak ECLI:NL:HR:2025:1162 laten zien dat het ontbreken daarvan tot verval van de vrijstelling kan leiden. Bij houdstercoöperaties is aandacht nodig voor de definitie van kwalificerend lidmaatschapsrecht en houdstercoöperatie in art. 1 lid 7 en lid 8 Wet DB, met de verbondenheidscriteria uit art. 10a Wet VPB 1969. De uiteindelijkgerechtigdheidstoets en de dividendstrippingbepalingen van art. 4 lid 4 en lid 7 e.v. vergen dossiervorming rond het samenstel van transacties, niet alleen rond het dividendmoment zelf. De verklaringsplicht van art. 4 lid 11 is een op zichzelf staande procedurele voorwaarde bij toepassing van lid 2, los van de vraag of materieel aan de vrijstelling is voldaan. Het kennisgroepstandpunt KG:024:2025:7 bevestigt bovendien dat de vrijstelling van lid 2 niet geldt voor buitenlandse opbrengstgerechtigden die een vergelijkbare functie vervullen als een beleggingsinstelling, in lijn met lid 3 onderdeel b.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
12 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1732 (2022)
Het Hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat sprake is van een kunstmatige constructie zodat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de inhoudingsvrijstelling dividendbelasting van artikel 4, derde lid, onderdeel c, Wet DB, en dat de antimisbruikbepaling niet in strijd is met het Unierecht.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1731 (2022)
De zaak betreft of belanghebbende, een Belgische houdstervennootschap met een belang van 38,71% in een Nederlandse feeder-vennootschap, aanspraak kan maken op de inhoudingsvrijstelling van dividendbelasting op grond van artikel 4, lid 3, onderdeel c, Wet DB, en of de toets daaraan verenigbaar is met het EU-recht.
-
ECLI:NL:HR:2024:49 (2024)
De Hoge Raad vernietigt de Hofuitspraak deels en verwijst het geding over de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting naar het Gerechtshof Den Haag, terwijl de uitspraak van de rechtbank over de informatiebeschikking (art. 52 AWR) in stand blijft, in een geschil over verrekening van dividendbelasting, dividendstripping en een vaste vertegenwoordiger in het Verenigd Koninkrijk.
-
ECLI:NL:HR:2025:1162 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat sprake is van misbruik van Unierecht bij de buitenlandse aanmerkelijkbelangregeling van artikel 4, lid 3, letter c, Wet op de dividendbelasting 1965, en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
-
ECLI:NL:HR:2020:1674 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat de belemmering van het kapitaalverkeer die ontstaat doordat aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds geen teruggaaf van dividendbelasting wordt verleend, niet kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, maar dat aan het niet-ingezeten fonds wel de voorwaarde van een vervangende betaling mag worden gesteld.
-
ECLI:NL:HR:2013:1779 (2013)
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJ EU of bij de vergelijking van een niet-ingezetene met een ingezetene onder artikel 63 VWEU ook de inkomstenbelasting waarmee ingezetenen de dividendbelasting verrekenen moet worden meegenomen, en welke maatstaf geldt.
-
ECLI:NL:HR:2021:503 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat een Britse beleggingsinstelling zich niet in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van een fiscale beleggingsinstelling (art. 28 Wet Vpb 1969) en verklaart het cassatieberoep tegen de weigering van teruggaaf dividendbelasting ongegrond.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:1691 (2026)
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen, ook als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden, in een zaak over een internationale kunstmatige structuur en een vergrijpboete.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:1432 (2025)
De zaak betreft de vraag of terecht een naheffingsaanslag dividendbelasting over 2014 is opgelegd (na bezwaar verminderd tot € 2.175.000), in verband met de plaats van werkelijke leiding van de vennootschap.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:90 (2022)
Het Hof oordeelt dat de werkelijke leiding van de BV in 2005 naar Spanje en in 2013 naar Curaçao verhuisde, omdat de Inspecteur niet aannemelijk maakt dat de dga in Nederland leidinggaf; Nederland heeft eind 2015 geen heffingsrecht over het inkomen uit aanmerkelijk belang.
Beleid en standpunten
797 bronnen in de kennisbank-
KG:024:2025:7 (2025)
Standpunt: De inhoudingsvrijstelling van artikel 4, tweede lid, Wet DB 1965 is niet van toepassing op buitenlandse opbrengstgerechtigden die een vergelijkbare functie vervullen als een beleggingsinstelling.
-
ATR 20260512-000003 (2026)
X, Nederlandse coöperatie met houderfunctie, verzoekt zekerheid over inhoudingsvrijstelling dividendbelasting 2026-2030 en geschiktheid als houdstercoöperatie.
-
ATR 20251125-000005 (2025)
Drie Nederlandse vennootschappen (>1000 personeelsleden) in houdsterstructuur met aandeelhouders in twee verdraglanden vragen buitenlandse belastingplicht en inhoudingsplicht dividendbelasting 2025-2029.
-
ATR 20250819-000009 (2025)
Coöperatie verzoekt zekerheid over inhoudingsvrijstelling dividendbelasting en buitenlandse belastingplicht 2025-2029 voor vastgoedinvesteringen met actief management en lidmaatschapsrechten gehouden 99% door Z buiten EU.
-
KG:024:2023:22 (2023)
Standpunt: Artikel 4 lid 9 Wet DB 1965 kan bij gestapelde hybride entiteiten worden toegepast mits elk van die entiteiten aan de voorwaarden voldoet.
- ATR 20260707-000005 (2026)
- ATR 20260707-000006 (2026)
-
ATR 20240806-000001 (2024)
Nederlandse vennootschap X ([151-300] werknemers, industrieel, joint venture) bepaalt inhoudingsplicht dividendbelasting, buitenlandse belastingplicht en conditionele bronbelasting dividenden voor minderheidsaandeelhouder Y uit verdragsland A (2023-2027).
- ATR 20260630-000005 (2026)
- ATR 20260630-000002 (2026)
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.