Dividendbelasting

Dividendbelasting en inhoudingsvrijstelling

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Dividendbelasting is een directe belasting op de opbrengst van aandelen, winstbewijzen en bepaalde daarmee gelijkgestelde kapitaalverstrekkingen en geldleningen in Nederlandse vennootschappen: de vennootschap houdt de belasting in aan de bron tegen een tarief van 15% van de opbrengst (art. 5 Wet DB 1965), als voorheffing op de inkomsten- of vennootschapsbelasting van de aandeelhouder. Bij een deelneming, een belang van ten minste 5% (art. 13 lid 2 Wet Vpb 1969), zou die inhouding een dubbele last vormen bovenop de deelnemingsvrijstelling die de onderliggende winst al vrijstelt. Art. 4 Wet DB 1965 voorkomt dat door inhouding achterwege te laten wanneer opbrengstgerechtigde en inhoudingsplichtige in een kwalificerende deelnemingsrelatie staan.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer mag inhouding van dividendbelasting achterwege blijven bij een binnenlandse deelneming of fiscale eenheid?
  • Aan welke twee cumulatieve voorwaarden moet een grensoverschrijdende deelneming voldoen?
  • Wanneer vervalt de grensoverschrijdende vrijstelling door de kunstmatige-constructietoets of door een vergelijkbare functie als beleggingsinstelling?
  • Hoe grijpt de uiteindelijkgerechtigdheidstoets in bij dividendstripping, en hoe krijgt een houdstercoöperatie toegang tot de vrijstelling?
  • Welke formele verplichtingen gelden bij toepassing van de grensoverschrijdende route?

Binnenlandse route: deelneming of fiscale eenheid (art. 4 lid 1)

Bij een binnenlandse deelneming of fiscale eenheid kent art. 4 lid 1 Wet DB 1965 twee alternatieve gronden waarvan er één moet zijn vervuld. Onder onderdeel a blijft inhouding achterwege als de deelnemingsvrijstelling (art. 13 Wet Vpb 1969) of de deelnemingsverrekening (art. 13aa Wet Vpb 1969) van toepassing is op de voordelen die de opbrengstgerechtigde uit de aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen of geldleningen geniet, en de deelneming behoort tot het vermogen van zijn in Nederland gedreven onderneming. Onder onderdeel b volstaat in plaats daarvan dat opbrengstgerechtigde en inhoudingsplichtige deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid (art. 15 Wet Vpb 1969), mits de aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen of geldleningen bij de opbrengstgerechtigde eveneens tot het Nederlandse ondernemingsvermogen behoren. Voldoening aan één van beide gronden volstaat.

Grensoverschrijdende route en de uitzonderingen (art. 4 lid 2 en lid 3)

Voor een grensoverschrijdende deelneming gelden twee cumulatieve voorwaarden (art. 4 lid 2 Wet DB 1965): de opbrengstgerechtigde moet volgens de fiscale wetgeving van een EU-lidstaat, een EER-staat, of van een land buiten de EU/EER waarmee Nederland een verdrag met een dividendregeling heeft gesloten, aldaar zijn gevestigd (onderdeel a), en op het moment waarop de opbrengst ter beschikking wordt gesteld een belang in de inhoudingsplichtige houden waarop de deelnemingsvrijstelling of -verrekening van toepassing zou zijn geweest bij een Nederlandse vestiging, dus doorgaans een belang van ten minste 5% (onderdeel b, met de drempel van art. 13 lid 2 Wet Vpb 1969). Lid 3 sluit deze route uit in drie situaties: geen vestiging in een staat met een verdrag dat voorziet in een passende dividendregeling buiten de EU/EER (onderdeel a), een vergelijkbare functie als beleggingsinstelling in de zin van art. 6a of art. 28 Wet Vpb 1969 (onderdeel b), of een belang gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen het ontgaan van belasting bij een ander via een kunstmatige constructie die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (onderdeel c).

De kunstmatige-constructietoets van onderdeel c stond in 2022 centraal in twee zaken van Gerechtshof Amsterdam. In de ene zaak oordeelde het hof, anders dan de rechtbank, dat sprake was van een kunstmatige constructie zodat geen aanspraak op de vrijstelling bestond, en dat de antimisbruikbepaling niet in strijd is met het Unierecht (ECLI:NL:GHAMS:2022:1732); de samenhangende zaak betrof een Belgische houdstervennootschap met een belang van 38,71% in een Nederlandse feeder-vennootschap (ECLI:NL:GHAMS:2022:1731). De Hoge Raad bevestigde deze lijn in cassatie: het hof had terecht misbruik van Unierecht aangenomen bij de toets van onderdeel c (ECLI:NL:HR:2025:1162). Voor onderdeel b oordeelde de Hoge Raad dat een Britse beleggingsinstelling zich niet in een situatie bevond die vergelijkbaar was met een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling in de zin van art. 28 Wet Vpb 1969 (ECLI:NL:HR:2021:503).

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Tarief dividendbelasting15% van de opbrengstart. 5 Wet DB 1965
Deelnemingsdrempel (deelnemingsvrijstelling/-verrekening)ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaalart. 13 lid 2 Wet Vpb 1969
Kwalificerend lidmaatschapsrecht houdstercoöperatieten minste 5% van de jaarwinst dan wel van de liquidatie-uitkeringart. 1 lid 7 Wet DB 1965
Verklaringstermijn bij toepassing van de grensoverschrijdende route1 maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteldart. 4 lid 11 Wet DB 1965

(wettekst geldend per 2026)

Uiteindelijke gerechtigdheid en dividendstripping (lid 4, 7 en 8)

Lid 1 en lid 2 gelden alleen voor opbrengsten waarvan de opbrengstgerechtigde aannemelijk maakt dat hij de uiteindelijk gerechtigde is (art. 4 lid 4 Wet DB 1965). Lid 7 sluit uiteindelijke gerechtigdheid uit bij dividendstripping: wie in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht binnen een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk terechtkomt bij een partij met een ongunstiger regime, terwijl die partij een vergelijkbare positie in de onderliggende aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen of geldleningen behoudt of terugkrijgt, geldt niet als uiteindelijk gerechtigde. Lid 8 rekent ook beursverwervingen van dividendbewijzen en kortlopende genotsrechten, en transacties van verbonden lichamen of personen, tot zo'n samenstel van transacties.

Houdstercoöperaties en achterliggende gerechtigdheid (art. 1 en art. 4 lid 9)

Voor houdstercoöperaties loopt de toegang tot de vrijstelling via een kwalificerend lidmaatschapsrecht: een lidmaatschapsrecht dat, eventueel samen met de lidmaatschapsrechten van verbonden leden, recht geeft op ten minste 5% van de jaarwinst van de coöperatie dan wel op ten minste 5% van hetgeen bij liquidatie wordt uitgekeerd (art. 1 lid 7 Wet DB 1965). Een houdstercoöperatie is een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheid in het voorafgaande jaar doorgaans hoofdzakelijk heeft bestaan uit het houden van deelnemingen in de zin van art. 13 Wet Vpb 1969, of uit het financieren van lichamen of natuurlijke personen die met de coöperatie zijn verbonden (art. 1 lid 8 Wet DB 1965). Als een opbrengstgerechtigde naar het recht van zijn oprichtingsstaat niet als gerechtigde geldt omdat die staat hem daar niet als gevestigd beschouwt, geldt in plaats daarvan een achterliggende gerechtigde als opbrengstgerechtigde voor de toepassing van art. 4, mits die achterliggende gerechtigde naar het recht van zijn eigen vestigingsstaat wél als gerechtigde geldt (art. 4 lid 9 Wet DB 1965); bij een keten van gestapelde tussenhoudsters moet elke schakel afzonderlijk aan die voorwaarde voldoen.

Procedure: verklaringsplicht en bewijsvermoeden (lid 11 en 12)

De vrijstelling is geen keuze die vooraf bij de inspecteur wordt aangevraagd: de inhoudingsplichtige beoordeelt zelf of aan de voorwaarden is voldaan en laat de inhouding op eigen verantwoordelijkheid achterwege. Bij de grensoverschrijdende route geldt wel een aparte formele stap: binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld moet de inhoudingsplichtige de inspecteur een verklaring verstrekken dat aan de voorwaarden van lid 2, 3 en 4 is voldaan (art. 4 lid 11 Wet DB 1965). Voor de kunstmatige-constructietoets van lid 3 onderdeel c kent lid 12 een bewijsvermoeden: wie voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde voorwaarden, wordt, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt, geacht het belang niet te hebben met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om belasting bij een ander te ontgaan en geacht geldige zakelijke redenen te hebben die de economische realiteit weerspiegelen; wie niet aan die voorwaarden voldoet, moet zelf aannemelijk maken dat één van beide gronden zich voordoet.

Is niet aan de voorwaarden van art. 4 voldaan, dan is en blijft de volle 15% verschuldigd, ook als achteraf blijkt dat de inhouding materieel onterecht was. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen, ook als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden, in een zaak over een internationale kunstmatige structuur (ECLI:NL:GHARL:2026:1691). Voor structuren waarover vooraf zekerheid wordt gezocht, wordt de kwalificatie doorgaans vastgelegd in een advance tax ruling bij het College Internationale Fiscale Zekerheid.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij de grensoverschrijdende route van lid 2 gelden de vestigingstoets en de deelnemingstoets cumulatief; bij lid 1 volstaat één van de twee alternatieve gronden.
  • De kunstmatige-constructietoets van lid 3 onderdeel c vergt een concrete onderbouwing van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
  • Bij houdstercoöperaties draait het om het kwalificerend lidmaatschapsrecht en de 5%-drempel in jaarwinst of liquidatie-uitkering van art. 1 lid 7 Wet DB 1965.
  • De verklaringsplicht van art. 4 lid 11 is een zelfstandige formele voorwaarde, los van de vraag of materieel aan de vrijstelling is voldaan.
  • Bij gestapelde hybride tussenhoudsters moet elke schakel in de keten afzonderlijk aan de voorwaarde van art. 4 lid 9 voldoen.

Recente ontwikkelingen

  • 2023: kennisgroepstandpunt KG:024:2023:22 bevestigt dat art. 4 lid 9 Wet DB 1965 bij gestapelde hybride entiteiten kan worden toegepast, mits elke entiteit in de keten afzonderlijk aan de voorwaarden voldoet.
  • 2024: advance tax ruling (ATR 20240806-000001) over inhoudingsplicht dividendbelasting, buitenlandse belastingplicht en conditionele bronbelasting op dividenden voor een minderheidsaandeelhouder uit een verdragsland.
  • 2025: kennisgroepstandpunt KG:024:2025:7 (10 juli 2025) bevestigt dat de vrijstelling van art. 4 lid 2 niet geldt voor buitenlandse opbrengstgerechtigden die een vergelijkbare functie vervullen als een beleggingsinstelling.
  • 2025: de Hoge Raad bevestigt in cassatie (ECLI:NL:HR:2025:1162, 18 juli 2025) dat sprake was van misbruik van Unierecht bij de kunstmatige-constructietoets van art. 4 lid 3 onderdeel c Wet DB 1965.
  • 2026: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt (ECLI:NL:GHARL:2026:1691, 24 maart 2026) dat de afdrachtplicht van eerder ingehouden dividendbelasting losstaat van de vraag of die inhouding achteraf terecht bleek, in een zaak over een internationale kunstmatige structuur.

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 816 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.