Vennootschapsbelasting
Fonds voor gemene rekening en open cv
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Het fonds voor gemene rekening (fgr) is een beleggingsvehikel zonder rechtspersoonlijkheid dat onder de voorwaarden van art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969 zelfstandig belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting: niet de deelgerechtigden, maar het fonds zelf wordt in de heffing betrokken. De regeling voorkomt dat een collectief beleggingsvehikel zonder rechtspersoonlijkheid buiten iedere zelfstandige heffing blijft, terwijl het economisch als één beleggingsentiteit functioneert. Tot en met 2024 stond naast de fgr ook de open commanditaire vennootschap (open cv) als zelfstandig belastingplichtig lichaam in de wet: een cv waarvan commanditaire vennoten konden toe- of uittreden zonder toestemming van alle overige vennoten, werd voor de vennootschapsbelasting gelijkgesteld met de nv en de bv. Per 1 januari 2025 is die zelfstandige belastingplicht van de open cv vervallen en is de cv in beginsel fiscaal transparant geworden, met toerekening van vermogen en resultaat aan de vennoten naar rato van hun gerechtigdheid. Gelijktijdig zijn de kwalificatiecriteria voor de fgr aangescherpt.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer kwalificeert een fonds als fgr en wat veranderde daarin per 2025?
- Wat is het fiscale gevolg van kwalificatie als fgr voor het fonds en de deelgerechtigde?
- Hoe is de zelfstandige belastingplicht van de open cv per 2025 afgewikkeld en wat betekent dat voor bestaande belangen?
- Wanneer wordt een samenwerkingsverband dat niet als fgr kwalificeert alsnog zelfstandig belastingplichtig als omgekeerd hybride lichaam?
- Hoe verloopt een teruggaafverzoek dividendbelasting van een buitenlands fonds of trust?
Kwalificatie als fonds voor gemene rekening
Een fonds is een fgr in de zin van art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969 wanneer het is aangemerkt als beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten (icbe) in de zin van art. 1:1 Wet op het financieel toezicht (Wft), en de deelgerechtigdheid in het fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Bewijzen van deelgerechtigdheid gelden niet als verhandelbaar wanneer vervreemding uitsluitend aan het fonds zelf kan plaatsvinden; een terugkoopmechanisme jegens het fonds telt dus niet als markt. Een fgr wordt bovendien altijd als onderneming aangemerkt, ook wanneer het fonds feitelijk alleen belegt.
Tot en met 2024 was verhandelbaarheid aanwezig zodra voor vervreemding niet de toestemming van alle deelgerechtigden vereist was, met een uitzondering voor vervreemding aan het fonds zelf of aan bloed- en aanverwanten in de rechte lijn. Per 1 januari 2025 is dat toestemmingsvereiste vervallen: verhandelbaarheid wordt niet langer getoetst aan een instemmingsdrempel tussen deelgerechtigden, maar het fonds moet in plaats daarvan zijn aangemerkt als beleggingsfonds of icbe in de hiervoor bedoelde zin.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Verhandelbaarheidscriterium bewijzen van deelgerechtigdheid (vanaf 2025) | fonds aangemerkt als beleggingsfonds of icbe onder de Wft, mét verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid | art. 2 lid 4 Wet Vpb 1969 |
| Drempel deelneming bij bewijzen van deelgerechtigdheid | ten minste 5% van de uitstaande bewijzen | art. 13 lid 2 onderdeel b Wet Vpb 1969 |
| Drempel omgekeerd hybride lichaam (stemrechten/kapitaalbelangen/winstrechten gelieerde lichamen) | ten minste 50% | art. 2 lid 11 Wet Vpb 1969 |
| Zelfstandige belastingplicht open cv | vervallen met ingang van 1 januari 2025 | art. 2 lid 1 Wet Vpb 1969 (tekst vanaf 2025) |
(wettekst geldend per 2026)
Gevolgen van de kwalificatie
Kwalificeert een fonds als fgr, dan is niet de deelgerechtigde maar het fonds zelf vennootschapsbelastingplichtig: de toerekeningsregel van art. 2.14bis lid 1 Wet IB 2001 is voor de fgr uitdrukkelijk uitgesloten (lid 3 van dat artikel). Voor de deelgerechtigde wordt de participatie in beginsel behandeld als een gewoon vermogensbestanddeel, bijvoorbeeld in box 3, of, bij een belang van ten minste 5% van de uitstaande bewijzen van deelgerechtigdheid, als deelneming onder art. 13 lid 2 onderdeel b Wet Vpb 1969, niet als rechtstreeks aandeel in het beleggingsresultaat.
De fgr en het transparante fonds sluiten elkaar wettelijk uit: art. 2.14bis lid 7 Wet IB 2001 definieert een transparant fonds als een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, tenzij dat fonds een fgr is. Toerekening aan de deelgerechtigden naar rato van ieders gerechtigdheid (art. 2.14bis lid 1 Wet IB 2001) geldt dus alleen voor het transparante fonds, niet voor de fgr.
Afschaffing van de open cv en overgangseffecten
Vóór 2025 kon een cv waarvan commanditaire vennoten zonder toestemming van alle overige vennoten konden toe- of uittreden, zelfstandig belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting op grond van art. 2 lid 1 onderdeel a Wet Vpb 1969 (tekst 2024), op één lijn met de nv en de bv. Met ingang van 1 januari 2025 komt "open commanditaire vennootschap" in de tekst van art. 2 Wet Vpb 1969 niet meer voor: de cv wordt sindsdien in beginsel fiscaal transparant behandeld, met toerekening van vermogen en resultaat aan de vennoten naar rato van hun gerechtigdheid op grond van art. 2.14bis lid 1 Wet IB 2001.
Voor de deelnemingsvrijstelling had dit een direct gevolg. Tot en met 2024 kon een commanditaire vennoot met een belang van ten minste 5% in het door een open cv behaalde voordeel voor dat belang de deelnemingsvrijstelling toepassen op grond van art. 13 lid 2 onderdeel d Wet Vpb 1969 (tekst 2024). Die grondslag is met de afschaffing van de open cv geschrapt: de huidige tekst van onderdeel d ziet nog op een belang van ten minste 5% in een lichaam met een buitenlandse rechtsvorm als bedoeld in art. 2 lid 1 onderdeel h Wet Vpb 1969, niet meer op een specifiek open-cv-belang. Voor een commanditair belang in een voormalige open cv loopt de weg naar de deelnemingsvrijstelling sindsdien via de gewone toerekeningsregels van art. 2.14bis Wet IB 2001, niet meer via een aparte deelnemingskwalificatie van het cv-belang zelf.
Verandert door deze overgang de fiscale kwalificatie van een bestaand belang, van vpb-plichtig cv-aandeel naar toegerekend vermogensbestanddeel of andersom, dan is de compartimenteringsregeling van art. 28c Wet Vpb 1969 van toepassing: bij een sfeerovergang waarbij de deelnemingsvrijstelling gaat gelden terwijl dat voorheen niet zo was, vormt de belastingplichtige een belaste compartimenteringsreserve; verdwijnt de deelnemingsvrijstelling juist, dan vormt hij een onbelaste reserve, telkens gesteld op het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van het belang direct vóór de sfeerovergang en de boekwaarde.
Omgekeerd hybride lichaam als vangnet
Kwalificeert een samenwerkingsverband niet als fgr en ook niet als transparant fonds in de zin van art. 2.14bis Wet IB 2001, dan kan het onder omstandigheden alsnog zelfstandig belastingplichtig worden als omgekeerd hybride lichaam (art. 2 lid 11 Wet Vpb 1969): een naar Nederlands recht aangegaan of in Nederland gevestigd samenwerkingsverband waarin gelieerde lichamen ten minste 50% van de stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten houden en dat door de staat van die gelieerde lichamen als belastingplichtige wordt beschouwd, terwijl de winst naar Nederlandse maatstaven zonder deze bepaling aan de achterliggende houders zou worden toegerekend. Voor een samenwerkingsverband dat belegt in effecten en een gediversifieerde portefeuille aanhoudt, geldt een uitzondering wanneer het kwalificeert als icbe of als alternatieve beleggingsinstelling (art. 2 lid 12 Wet Vpb 1969). Bij internationale fondsstructuren met verschillende gelieerde investeerders kan de afbakening tussen fgr, transparant fonds en omgekeerd hybride lichaam dus alle drie de regimes tegelijk raken; het bredere kader voor grensoverschrijdende hybride mismatches staat in het thema ATAD2 en hybride mismatches.
Buitenlandse fondsen, trusts en teruggaaf van dividendbelasting
Voor de kwalificatie van een naar buitenlands recht opgericht fonds geldt dezelfde toets: art. 1a Wet Vpb 1969 rekent de fgr tot de lichamen waarvoor bij algemene maatregel van bestuur wordt beoordeeld of een buitenlands lichaam een vergelijkbare rechtsvorm heeft. In ECLI:NL:HR:2020:115 beantwoordde de Hoge Raad prejudiciële vragen hierover met drie kernoordelen: fondsen voor gemene rekening kunnen uitsluitend fondsen voor gemeenschappelijke belegging zijn; een teruggaafverzoek dividendbelasting moet worden afgewezen indien dit uitsluitend is gedaan door of namens een fiscaal transparant fonds; en een fonds is geen doelvermogen wanneer het bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aanspraak geven op een aandeel in het vermogen. In ECLI:NL:HR:2021:582 bevestigde de Hoge Raad deze lijn in het nadeel van de verzoeker: het hofoordeel dat een Schotse trust geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting bleef in stand, omdat het beroep van de trust op kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling of als doelvermogen faalde. In ECLI:NL:HR:2024:862 verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van een buitenlands beleggingsfonds juist gegrond en het incidentele beroep van de staatssecretaris ongegrond, met vernietiging van de aan het fonds opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting en heffingsrentebeschikkingen.
De fgr-kwalificatie is geen keuze waarvoor een apart verzoek nodig is: zij volgt uit de feitelijke inrichting van het fonds en wordt beoordeeld bij de aanslagregeling. Voor zekerheid vooraf kan een advance tax ruling worden aangevraagd bij het College Internationale Fiscale Zekerheid; recente rulings uit 2025 en 2026 laten zien dat dit ook gebeurt voor commanditaire-vennootschapstructuren, bijvoorbeeld over kwalificatie als investeringsplatform of als omgekeerd hybride lichaam. Voor buitenlandse fondsen en trusts loopt de vraag of aanspraak bestaat op teruggaaf van dividendbelasting via een afzonderlijk teruggaafverzoek, waarbij de kwalificatie van het verzoekende lichaam beslissend is.
Aandachtspunten voor de praktijk
- De fgr-kwalificatie hangt sinds 2025 af van twee cumulatieve criteria: aanmerking als beleggingsfonds of icbe onder de Wft, en verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid; het toestemmingsvereiste van alle deelgerechtigden speelt voor de kwalificatie vanaf die datum geen rol meer.
- Een terugkoopmechanisme jegens het fonds zelf telt niet als verhandelbaarheid; dit punt blijft ook na 2025 onverkort relevant.
- De fgr en het transparante fonds zijn wettelijk elkaar uitsluitende begrippen; de toerekeningsregel van art. 2.14bis lid 1 Wet IB 2001 geldt uitdrukkelijk niet voor de fgr.
- Bij een cv-belang dat door de afschaffing van de open-cv-categorie van kwalificatie verandert, speelt de compartimenteringsreserve van art. 28c Wet Vpb 1969 een rol bij het bepalen van het al dan niet belaste deel van de waardeontwikkeling.
- Bij buitenlandse fondsen en trusts die dividendbelasting terugvragen, laat de rechtspraak zien dat een beroep op kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling of als doelvermogen niet vanzelfsprekend slaagt.
- De uitzondering op het omgekeerd-hybride-regime voor gediversifieerd beleggende icbe's en alternatieve beleggingsinstellingen (art. 2 lid 12 Wet Vpb 1969) maakt dat internationale fondsstructuren met verschillende gelieerde investeerders drie regimes tegelijk kunnen raken.
Recente ontwikkelingen
- 2024: kennisgroepstandpunt over de uitzondering op het omgekeerd-hybride-regime voor een gediversifieerd beleggende alternatieve beleggingsinstelling onder de AIFM-richtlijn (KG:211:2024:9).
- 2024: de Hoge Raad vernietigt de aan een buitenlands beleggingsfonds opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting en heffingsrentebeschikkingen (ECLI:NL:HR:2024:862).
- 2024: kennisgroepstandpunt over het omgekeerd hybride lichaam en de open cv als partiële doorkijkentiteit onder de Wet minimumbelasting 2024 (KG:911:2024:4).
- 2025: met ingang van 1 januari vervalt het toestemmingsvereiste voor verhandelbaarheid en geldt als nieuw fgr-criterium de aanmerking als beleggingsfonds of icbe onder de Wft; gelijktijdig vervalt de zelfstandige belastingplicht van de open cv (Fondsenbesluit 2025).
- 2025: advance tax ruling over de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm (maatschap-equivalent) en de belastingplicht voor de jaren 2025 tot en met 2029 (ATR 20250812-000003).
- 2026: advance tax rulings over de kwalificatie van een Nederlandse commanditaire vennootschap als investeringsplatform en over de omgekeerd-hybride-status bij pooling van investeerders in een groepsinvesteringsfonds (ATR 20260609-000008 en ATR 20260609-000010).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
- Art. 1a Wet VPB 1969
- Art. 2.14bis Wet IB 2001: Toerekening inkomensbestanddelen bij een maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, transparant fonds of een naar het recht van een andere staat opgericht of aangegaan lichaam
- Art. 2 Wet VPB 1969
Belangrijkste rechtspraak
26 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2020:115 (2020)
De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen dat fondsen voor gemene rekening uitsluitend fondsen voor gemeenschappelijke belegging kunnen zijn, dat een teruggaafverzoek dividendbelasting moet worden afgewezen indien uitsluitend gedaan door of namens een fiscaal transparant fonds, en dat een fonds geen doelvermogen is als het bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aanspraak geven op een aandeel in het vermogen.
-
ECLI:NL:HR:2024:862 (2024)
De Hoge Raad verklaart het principale cassatieberoep van het buitenlandse beleggingsfonds gegrond en het incidentele beroep van de Staatssecretaris ongegrond, en vernietigt de aan het fonds opgelegde vennootschapsbelastingaanslagen en heffingsrentebeschikkingen.
-
ECLI:NL:HR:2021:582 (2021)
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en laat het oordeel van het Hof in stand dat een Schotse trust geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, waarbij het beroep op een fiscale beleggingsinstelling of een doelvermogen faalt.
-
ECLI:NL:HR:2022:974 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat Nederland op grond van de remittancebepaling van artikel 2 lid 5 van het Verdrag Nederland-Malta bevoegd is belasting te heffen over rente die een in Malta gevestigde vennootschap heeft genoten, voor zover die rente niet naar Malta is overgemaakt of aldaar is ontvangen.
-
ECLI:NL:GHARL:2022:704 (2022)
Het Hof vermindert de aanslagen vennootschapsbelasting verder met verrekening van buitenlandse bronbelasting, in een zaak over toepassing van het belastingverdrag met Malta op vermogenswinst en de remittancebepaling.
-
ECLI:NL:HR:2025:1568 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat in cassatie niet alsnog kan worden geklaagd over het niet-verschonen van raadsheren van het Hof, omdat de belanghebbende tijdens de zitting bekend werd met de relevante feiten en toen uitdrukkelijk heeft afgezien van een wrakingsverzoek.
-
ECLI:NL:HR:2024:1086 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat rechtsherstel box 3 alleen wordt geboden voor zover belanghebbende aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement op zijn gehele box 3-vermogen lager is dan het forfaitair vastgestelde voordeel; het cassatieberoep van belanghebbende is gegrond en de zaak wordt verwezen naar het Hof Amsterdam.
-
ECLI:NL:HR:2015:468 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat de ontvanger een vervreemder van aandelen niet aansprakelijk kan houden voor de belastingschuld van de vennootschap voor zover deze bij het verlenen van uitstel van betaling zekerheid had kunnen verschaffen, indien de ontvanger dat uitstel in strijd met de vereiste zorgvuldigheid heeft verleend.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:724 (2021)
Het Hof oordeelt dat de aan Guernsey-vennootschappen verschuldigde achtergestelde leningen onzakelijk zijn met een zakelijke rente van 2,5% in plaats van de overeengekomen 11,5-14%, dat deze rente niet aftrekbaar is wegens wetsontduiking, en dat de Arrangement Fee van EUR 8,4 mln moet worden geactiveerd in plaats van ineens ten laste van de winst te worden gebracht.
-
ECLI:NL:HR:2012:BY6065 (2012)
De advocaat-generaal concludeert dat artikel 4 Wet Vpb 1969 over werkzaamheden die concurreren met ondernemingen ook geldt voor artikel 1 Wva bij de afdrachtvermindering zeevaart; de conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep van de staatssecretaris.
Beleid en standpunten
273 bronnen in de kennisbank-
KG:911:2024:4 (2024)
Standpunt: Een omgekeerd hybride lichaam en een open commanditaire vennootschap kunnen als partiële doorkijkentiteit in de Wet minimumbelasting 2024 kwalificeren, voor zover geen vaste inrichting aanwezig is en winst in aftrek wordt gebracht.
-
KG:211:2024:9 (2024)
Standpunt: Alternatieve beleggingsinstelling als gediversificeerde portefeuille-belegger onder AIFM-richtlijn kan onder omgekeerd hybride-uitzondering vallen als voorwaarden artikel 2 lid 13 Wet Vpb worden nageleefd.
-
ATR 20260609-000010 (2026)
Verzoek om kwalificatie van Nederlandse commanditaire vennootschap als investeringsplatform, bepaling omgekeerd hybride lichaam en buitenlandse belastingplicht vpb.
-
ATR 20260609-000008 (2026)
Commanditaire vennootschap X verzoekt zekerheid over kwalificatie en omgekeerd hybride lichaamsstatus; X poolt investeerders voor inleg in groepsinvesteringsfonds.
-
Besluit BWBR0051892
Beleid inzake definitie van fonds voor gemene rekening en transparant fonds, aangepast naar wettelijke wijzigingen per 1 januari 2025. Met ingang van 1 januari 2025 vervalt het toestemmingsvereiste voor verhandelbaarheid en geldt als nieuw criterium dat het fonds is aangemerkt als beleggingsfonds.
-
Besluit BWBR0048564
Goedkeuring/beleid inzake belastingplicht stichtingen en verenigingen. Stichtingen en verenigingen zijn belastingplichtig voorzover zij een onderneming drijven, waaronder een regeling voor culturele instellingen.
-
KG:211:2026:6 (2026)
Standpunt: Kwijtschelding van intercompany-schuld en vermogensversterkingsbijdrage kwalificeren voor stichting als onbelaste vermogensverhoging onder manege-arrest.
-
Kamerstuk 35241 nr. 7
Implementatie EU-richtlijn hybridemismatches (Richtlijn 2017/952) ter bestrijding van dubbele aftrek en dubbele niet-heffing bij hybride constructies en internationale structuren.
-
ATR 20250812-000003 (2025)
Verzoek zekerheid kwalificatie buitenlandse rechtsvorm (maatschap-equivalent) en belastingplicht 2025–2029.
-
KG:003:2022:16 (2022)
Standpunt: Een natuurlijke persoon kan een aanmerkelijk belang hebben in een omgekeerd hybride lichaam onder artikel 4.6, onderdeel e, Wet IB 2001, mits zij voor ten minste 5% in winst deelt vóór artikel 9-aftrek.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.