Vennootschapsbelasting

Fonds voor gemene rekening en open cv

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Het fonds voor gemene rekening (fgr) is een beleggingsvehikel zonder rechtspersoonlijkheid dat onder voorwaarden zelfstandig belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Het fonds bundelt gelden van deelgerechtigden ten behoeve van gezamenlijke belegging, maar wordt fiscaal niet transparant behandeld: in plaats van toerekening van resultaat aan de achterliggende participanten wordt het fonds zelf in de heffing betrokken. Dat maakt de kwalificatievraag, is een gegeven fonds een fgr in de zin van de wet of niet, bepalend voor de vraag wie vennootschapsbelasting verschuldigd is en wie aanspraak kan maken op verdragsvoordelen of teruggaaf van dividendbelasting.

Naast de fgr kende de wet lange tijd ook de open commanditaire vennootschap (open cv) als zelfstandig belastingplichtig lichaam voor de vennootschapsbelasting. Per 2025 is deze zelfstandige belastingplicht van de open cv vervallen: de cv wordt sindsdien in beginsel fiscaal transparant behandeld, met toerekening van vermogen en resultaat aan de vennoten naar rato van hun gerechtigdheid. Deze wetswijziging raakt direct de kwalificatiecriteria voor de fgr, die eveneens per 2025 zijn herzien.

Voor de praktijk betekent dit dat kwalificatievraagstukken rond fgr's en (voorheen) open cv's zich niet beperken tot de zuivere definitiebepaling, maar raken aan de bredere systematiek van rechtsvormvergelijking, aan de toerekeningsregels van de Wet IB 2001 en, bij internationale structuren, aan de regels voor omgekeerd hybride lichamen.

Wanneer speelt dit

De kwalificatievraag komt op bij de oprichting of herstructurering van een beleggingsfonds waarbij deelgerechtigdheid wordt vormgegeven via verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid, bij de beoordeling of een naar buitenlands recht opgericht fonds of samenwerkingsverband voor Nederlandse fiscale doeleinden als fgr, als transparant fonds of als lichaam met een vergelijkbare rechtsvorm kwalificeert, en bij verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting door of namens buitenlandse beleggingsfondsen en trusts. Ook bij de vraag of een samenwerkingsverband als omgekeerd hybride lichaam kwalificeert, en daarmee alsnog zelfstandig belastingplichtig wordt, speelt de afbakening met de fgr en het transparante fonds een rol.

Wettelijk kader

Art. 2 lid 4 Wet VPB 1969 definieert het fonds voor gemene rekening als "een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden, mits dit fonds wordt aangemerkt als een beleggingsfonds of fonds voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en de deelgerechtigdheid in dit fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid". De definitie stelt dus twee cumulatieve eisen: het fonds moet worden aangemerkt als beleggingsfonds of icbe in de zin van de Wft, en de deelgerechtigdheid moet blijken uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Hetzelfde artikellid bepaalt dat "de bewijzen van deelgerechtigdheid niet als verhandelbaar [worden] aangemerkt indien vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds voor gemene rekening" en dat "een fonds voor gemene rekening [...] als onderneming [wordt] aangemerkt". Deze definitie is per 2025 herzien: volgens het Fondsenbesluit 2025 is met ingang van 1 januari 2025 het toestemmingsvereiste voor verhandelbaarheid vervallen en geldt als nieuw criterium dat het fonds is aangemerkt als beleggingsfonds.

Art. 2.14bis Wet IB 2001 regelt de toerekening van bezittingen, schulden, opbrengsten en kosten van transparante samenwerkingsverbanden aan de participanten. Lid 1 bepaalt dat dit gebeurt "naar rato van ieders gerechtigdheid" voor onder meer een commanditaire vennootschap en een transparant fonds. Lid 3 sluit de fgr daar uitdrukkelijk van uit: "Het eerste lid is niet van toepassing op een fonds voor gemene rekening". De fgr wordt dus, anders dan de (thans transparante) cv, niet toegerekend aan de deelgerechtigden maar blijft zelf het aanknopingspunt voor de heffing. Lid 6 verwijst voor het begrip fgr terug naar de definitie van art. 2 lid 4 Wet VPB 1969, en lid 7 definieert het "transparant fonds" als een fonds ter verkrijging van voordelen door beleggen of anderszins aanwenden van gelden, "tenzij dat fonds een fonds voor gemene rekening is": fgr en transparant fonds zijn dus elkaar uitsluitende categorieën.

Art. 1a Wet VPB 1969 rekent de fgr, naast onder meer nv's, bv's en coöperaties, tot de lichamen waarvoor bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld om te beoordelen of een naar buitenlands recht opgericht lichaam een vergelijkbare rechtsvorm heeft, met uitzondering van een aantal met name genoemde artikelen. Dit artikel vormt daarmee de schakel tussen de binnenlandse fgr-definitie en de kwalificatie van buitenlandse fondsen en trusts.

Belangrijkste rechtspraak

In ECLI:NL:HR:2020:115 (2020) beantwoordde de Hoge Raad prejudiciële vragen over de fgr: fondsen voor gemene rekening kunnen uitsluitend fondsen voor gemeenschappelijke belegging zijn, een teruggaafverzoek dividendbelasting moet worden afgewezen indien dit uitsluitend is gedaan door of namens een fiscaal transparant fonds, en een fonds is geen doelvermogen wanneer het bewijzen van deelgerechtigdheid heeft uitgegeven die aanspraak geven op een aandeel in het vermogen.

In ECLI:NL:HR:2021:582 (2021) liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand dat een Schotse trust geen recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, waarbij het beroep van de trust op kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling of als doelvermogen faalde.

In ECLI:NL:HR:2024:862 (2024) verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van een buitenlands beleggingsfonds gegrond en het incidentele beroep van de staatssecretaris ongegrond, met vernietiging van de aan het fonds opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting en heffingsrentebeschikkingen.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De fgr-kwalificatie hangt sinds 2025 af van twee cumulatieve criteria: aanmerking als beleggingsfonds of icbe onder de Wft, en verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid.
  • Vervreemding van deelgerechtigdheidsbewijzen die uitsluitend aan het fonds zelf kan plaatsvinden, telt niet als verhandelbaarheid; structuren met een terugkoopmechanisme jegens het fonds vereisen daarom extra aandacht bij de fgr-toets.
  • De fgr en het "transparant fonds" zijn wettelijk elkaar uitsluitende begrippen, en de toerekeningsregel van art. 2.14bis lid 1 Wet IB 2001 geldt uitdrukkelijk niet voor de fgr.
  • Bij buitenlandse fondsen en trusts die dividendbelasting terugvragen, laat de rechtspraak zien dat een beroep op kwalificatie als fiscale beleggingsinstelling of als doelvermogen niet vanzelfsprekend slaagt; de feitelijke kwalificatie van het fonds is beslissend.

Recente ontwikkelingen

De kwalificatiecriteria voor de fgr zijn per 1 januari 2025 herzien: het Fondsenbesluit 2025 vermeldt dat het toestemmingsvereiste voor verhandelbaarheid is vervallen en dat als nieuw criterium geldt dat het fonds is aangemerkt als beleggingsfonds. Gelijktijdig is de zelfstandige belastingplicht van de open commanditaire vennootschap vervallen. Recente advance tax rulings (2025 en 2026) laten zien dat de Belastingdienst deze kwalificatievraag, onder meer de vraag of een commanditaire vennootschap als investeringsplatform kwalificeert en of sprake is van een omgekeerd hybride lichaam, in individuele gevallen vooraf beoordeelt.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 255 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.