Inkomstenbelasting
Staking van de onderneming en doorschuiffaciliteiten
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Bij staking van een onderneming in de inkomstenbelasting wordt in beginsel fiscaal afgerekend: de stille reserves, de goodwill en de fiscale reserves die tot dan toe onbelast in de onderneming zaten, worden op het stakingsmoment tot de winst gerekend. Dat uitgangspunt geldt zowel bij staking door overlijden van de ondernemer als bij overdracht van de onderneming tijdens leven, bijvoorbeeld aan een medeondernemer, een werknemer of een familielid.
De wet biedt op dit afrekenmoment een aantal doorschuiffaciliteiten. Deze voorkomen niet dat de onderneming eindigt bij de overdrager, maar zorgen ervoor dat de fiscale claim op de stille reserves niet direct wordt geïncasseerd: de voortzetter neemt de boekwaarden van de overdrager over en de belastingclaim schuift mee naar de toekomst. Voorwaarde is telkens een gezamenlijk verzoek van de betrokken partijen bij de aangifte.
Het leerstuk is in de praktijk vooral relevant bij bedrijfsopvolging binnen familie of samenwerkingsverbanden, en bij de fiscale afwikkeling van een nalatenschap waarin een onderneming valt. De voorwaarden verschillen naar gelang de aanleiding (overlijden of overdracht bij leven) en naar de relatie tussen overdrager en voortzetter.
Wanneer speelt dit
- Overlijden van een IB-ondernemer terwijl de onderneming (mede) wordt voortgezet door erfgenamen.
- Bedrijfsoverdracht binnen een samenwerkingsverband (bijvoorbeeld een vof of maatschap) aan een medeondernemer.
- Overdracht van een onderneming aan een werknemer die daar al langere tijd werkzaam is.
- Combinaties van ondernemingsvermogen en een woning die tot het huishouden van de erflater behoorde.
- Discussies over de vraag of een verzoek om toepassing van een doorschuiffaciliteit later nog kan worden ingetrokken of herzien.
- Situaties waarin de voortzetter de onderneming niet zelf exploiteert maar (gedeeltelijk) verhuurt.
Wettelijk kader
Art. 3.58 Wet IB 2001 regelt het uitgangspunt bij overlijden: lid 1 bepaalt dat bij staking van een onderneming door overlijden het vermogen van de onderneming wordt geacht "op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip te zijn overgedragen aan degene aan wie het krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomt en wel tegen de waarde die in het economische verkeer aan dat vermogen kan worden toegekend". Dit is dus een fictieve overdracht tegen waarde in het economisch verkeer, met als praktisch gevolg afrekening over de meerwaarde bij de erflater. Een specifieke uitzondering geldt voor de eigen woning: lid 2 bepaalt dat een woning die "anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf ter beschikking blijft staan" van personen die tot het huishouden van de overledene behoorden, wordt gewaardeerd op 60% van de woningwaarde in plaats van de volle waarde in het economisch verkeer. Lid 3 kent een spiegelbeeldige regel toe voor het geval die woning juist tot het ondernemingsvermogen van een huishoudlid gaat behoren.
Art. 3.62 Wet IB 2001 is de doorschuiffaciliteit die op art. 3.58 aansluit. Lid 1 bepaalt dat art. 3.58 geen toepassing vindt "met betrekking tot de bestanddelen van het vermogen van een onderneming waarmee een of meer van degenen aan wie die bestanddelen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht toekomen, de onderneming rechtstreeks voortzetten of mede voortzetten, mits degenen die de onderneming voortzetten of mede voortzetten dit bij de aangifte van de overleden belastingplichtige verzoeken". De faciliteit is dus voorwaardelijk aan twee elementen: rechtstreekse (mede)voortzetting door de erfgenaam of erfgenamen, én een verzoek bij de aangifte van de overleden belastingplichtige. Lid 2 regelt de fiscale positie van de voortzetter: deze treedt "ieder voor zijn gedeelte" in de plaats van de erflater voor het bepalen van de winst.
Art. 3.63 Wet IB 2001 ziet op doorschuiving bij overdracht tijdens leven. Lid 1 bepaalt dat de onderneming bij overdracht "in een geval als bedoeld in het vierde lid of vijfde lid" geacht wordt niet te zijn gestaakt, mits zowel overdrager als voortzetter dit bij de aangifte van de overdrager verzoeken. De faciliteit is dus beperkt tot twee alternatief geformuleerde gevallen. Lid 4 noemt de eerste route: de over te dragen onderneming moet gedurende de 36 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de overdracht deel hebben uitgemaakt van een samenwerkingsverband met de voortzetter, die in die periode als ondernemer winst uit dat samenwerkingsverband heeft genoten. Lid 5 noemt de tweede, zelfstandige route: overdracht aan een natuurlijk persoon die gedurende diezelfde 36 maanden "als werknemer in die onderneming werkzaam is geweest". Lid 3 verduidelijkt dat onder overdracht van een onderneming mede wordt begrepen de overdracht van een gedeelte daarvan. Lid 6 geeft de mogelijkheid om bij ministeriële regeling de 36-maandstermijn te verkorten onder nader te stellen voorwaarden.
Besluit BWBR0040957 (Ministerie van Financiën) bundelt en actualiseert het beleid over de geruisloze doorschuiving onder de artikelen 3.62 en 3.63 Wet IB 2001, met een nieuwe goedkeuring voor overdracht aan een werknemer.
Belangrijkste rechtspraak
In twee vrijwel identieke conclusies van 28 juni 2024 staat de vraag centraal of een overnemer een gezamenlijk met de overdrager gedaan verzoek om toepassing van de doorschuiffaciliteit van art. 3.63 Wet IB 2001 eenzijdig kan intrekken (ECLI:NL:PHR:2024:698) of herzien (ECLI:NL:PHR:2024:696). ECLI:NL:PHR:2024:698 betreft een bedrijfsoverdracht via een vof; voor ECLI:NL:PHR:2024:696 vermeldt de bron deze feitelijke context niet. Het gaat hierbij om conclusies van de Parket bij de Hoge Raad (advies aan de Hoge Raad), niet om een einduitspraak.
De Hoge Raad oordeelde op 2 december 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1793) dat bij de toetsing van het voortzettingsvereiste van de bedrijfsopvolgingsregeling in beginsel wordt aangesloten bij het stakings- en vervreemdingsbegrip van de Wet IB 2001, en dat de enkele omstandigheid dat een vennootschap overgaat tot verhuur van de voorheen zelf geëxploiteerde onderneming op zichzelf geen staking oplevert. Dit arrest ziet op de bedrijfsopvolgingsregeling en niet rechtstreeks op art. 3.62 of 3.63 Wet IB 2001, maar illustreert dat het stakingsbegrip uit de Wet IB 2001 in andere regelingen als aanknopingspunt wordt gebruikt.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Het verzoek om toepassing van art. 3.62 of art. 3.63 Wet IB 2001 moet bij de aangifte worden gedaan; de vraag of een eenmaal gedaan gezamenlijk verzoek later eenzijdig door de overnemer kan worden ingetrokken of herzien, ligt momenteel voor bij de Hoge Raad (conclusies van 28 juni 2024) en is dus nog niet in hoogste instantie beslist.
- Art. 3.63 lid 1 Wet IB 2001 kent twee zelfstandige toegangswegen: de samenwerkingsverband-route van lid 4 en de werknemer-route van lid 5. Beide vereisen een periode van 36 maanden, maar de aard van die 36 maanden (winst genoten als ondernemer in een samenwerkingsverband, respectievelijk werkzaam als werknemer) verschilt en moet niet worden verward.
- Volgens het kennisgroepstandpunt KG:212:2023:4 geldt de doorschuiffaciliteit voor overlijdenswinst (art. 3.62 Wet IB 2001) niet als de onderneming alleen wordt voortgezet door verhuur aan derden in plaats van eigen exploitatie.
- Bij samenloop van ondernemingsvermogen en een eigen woning van de erflater die tot het huishouden van de voortzetter behoort, geldt de afwijkende 60%-waardering van art. 3.58 lid 2 en 3, wat afzonderlijke aandacht vergt naast de doorschuiftoets zelf.
- De 36-maandstermijn van art. 3.63 lid 4 en 5 kan bij ministeriële regeling worden verkort; bepalend is of een zodanige regeling op het concrete geval van toepassing is, aangezien de kernartikeltekst deze verkorting alleen in algemene termen mogelijk maakt.
Recente ontwikkelingen
De twee conclusies van de Parket bij de Hoge Raad van 28 juni 2024 over de (on)mogelijkheid van eenzijdige intrekking of herziening van een gezamenlijk verzoek onder art. 3.63 Wet IB 2001 zijn op het moment van schrijven nog niet gevolgd door een einduitspraak van de Hoge Raad zelf en verdienen opvolging.
Kernartikelen
- Art. 3.58 Wet IB 2001 — Art. 3.58 Wet IB 2001: Staking door overlijden
- Art. 3.62 Wet IB 2001 — Art. 3.62 Wet IB 2001: Doorschuiving bij staking door overlijden
- Art. 3.63 Wet IB 2001 — Art. 3.63 Wet IB 2001: Doorschuiving naar ondernemers
Belangrijkste rechtspraak
5 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:PHR:2024:698 (2024)
De zaak betreft de vraag of de overnemer een gezamenlijk verzoek om toepassing van de doorschuiffaciliteit van art. 3.63 Wet IB 2001 eenzijdig kan intrekken, nadat overdragers en overnemers dit verzoek gezamenlijk hadden gedaan bij een bedrijfsoverdracht via een VOF.
-
ECLI:NL:PHR:2024:696 (2024)
De zaak betreft de vraag of een overnemer bij een geruisloze doorschuiving (art. 3.63 Wet IB 2001) een gezamenlijk met de overdrager gedaan verzoek om toepassing van de faciliteit eenzijdig kan herzien.
-
ECLI:NL:HR:2022:1793 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat bij de toetsing van het voortzettingsvereiste van de bedrijfsopvolgingsregeling in beginsel wordt aangesloten bij het stakings- en vervreemdingsbegrip van de Wet IB 2001, en dat de enkele omstandigheid dat de vennootschap overgaat tot verhuur van de voorheen zelf geëxploiteerde onderneming op zichzelf geen staking oplevert.
-
ECLI:NL:HR:2013:26 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat bij schenking van ondernemingsvermogen overgenomen ondernemingsschulden niet gelden als tegenprestatie of last voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit, maar dat een voor rekening van de begiftigde komende latente inkomstenbelastingschuld dat wel doet.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:887 (2024)
De zaak betreft de terugwerkende kracht van een maatschapsverhouding bij een navorderingsaanslag IB/PVV 2016; het Hof vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente.
Beleid en standpunten
18 bronnen in de kennisbank-
KG:212:2023:4 (2023)
Standpunt: De doorschuiffaciliteit voor overlijdenswinst geldt niet als de onderneming alleen wordt voortgezet door verhuur aan derden in plaats van eigen exploitatie.
-
Besluit BWBR0040957
Goedkeuring inzake doorschuifregeling inkomstenbelasting: samenvoeging en actualisering van besluiten over geruisloze doorschuiving onder artikelen 3.62-3.63 Wet IB 2001, met nieuw goedkeuring overdracht aan werknemer.
-
Besluit BWBR0051755
Goedkeuring inzake landbouwproblematiek: actualisering beleid fiscale behandeling agrarische sector, met vervallen bepalingen over bosbouwsubsidies en betalingsrechten, en nieuwe bepalingen over vruchtwisseling en bosbedrijfvrijstelling.
-
KG:212:2024:1 (2024)
Standpunt: Een overdracht van een firma-aandeel met terugwerkende kracht kan niet onder artikel 3.63 Wet IB 2001 vallen. Het aandeel kan wel met terugwerkende kracht in de bv worden ingebracht via artikel 3.65 Wet IB 2001.
-
KG:212:2025:4 (2025)
Standpunt: De geruisloze omzetting van artikel 3.65 Wet IB 2001 is niet toepasbaar voor medegerechtigden wiens medegerechtigdheid voortvloeit uit doorgeschoven voortgezet ondernemerschap.
-
KG:212:2022:10 (2022)
Standpunt: Bij overlijden partner samenwerkingsverband is sprake van (impliciet) verzoek geruisloze doorschuiving als kruisje bij doorschuiving in winstbijlage is gezet, ook zonder apart verzoek.
-
KG:059:2026:1 (2026)
Standpunt: Reguliere werknemersparticipatie voorkomt niet dat verliesverrekening onder artikel 20a is beperkt, zolang de participatie als bezoldiging met lucratief doel wordt aangemerkt.
-
KG:212:2025:3 (2025)
Standpunt: Een ondernemer kan zijn aandeel geruisloos doorschuiven naar een derde die meer dan 36 maanden betrokken was bij de onderneming, ook al geschiedde betrokkenheid als werknemer van een rechtspersoon die die onderneming mede exploiteerde.
-
Kamerstuk 30306 nr. 23
Geruisloze doorschuiving mogelijk ook voor onroerende zaak in terbeschikkingstelling (artikel 3.91) en gelijktijdige overdracht onderneming.
-
KG:212:2022:3 (2022)
Standpunt: De doorschuiffaciliteit van artikel 3.62 Wet IB 2001 is van toepassing wanneer een onderneming door overlijden wordt overgedragen aan minderjarige kinderen en deze rechtstreeks voort zetten, ook met een door de rechter aangestelde bewindvoerder.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.