Inkomstenbelasting
Herinvesteringsreserve
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De herinvesteringsreserve stelt een ondernemer in staat de boekwinst op de vervreemding, het verlies of de beschadiging van een bedrijfsmiddel niet direct te belasten, maar te reserveren zolang het voornemen bestaat die winst in een vervangend bedrijfsmiddel te herinvesteren. Bij herinvestering wordt de reserve afgeboekt op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het nieuwe bedrijfsmiddel: de heffing over de boekwinst schuift zo door naar de toekomst via een lagere afschrijvingsbasis. De kernregeling staat in art. 3.54 Wet IB 2001 en werkt via de winstbepalingsregels door naar de vennootschapsbelasting; art. 12a Wet Vpb 1969 begrenst haar bij aandeelhouderswisselingen, en art. 3.64 Wet IB 2001 kent een vergelijkbare doorschuiving bij bedrijfsbeëindiging.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer levert een vervreemding, verlies of beschadiging van een bedrijfsmiddel een boekwinst op die voor de reserve in aanmerking komt?
- Welke bedrijfsmiddelen tellen niet mee, en wat begrenst de afboeking naar onderen?
- Wanneer geldt de aanvullende eis van economische functiegelijkheid, en wanneer wijkt die voor overheidsingrijpen?
- Binnen welke termijn moet worden geherinvesteerd en wat gebeurt er als die termijn verstrijkt?
- Wat gebeurt er met een openstaande reserve bij een aandeelhouderswisseling (art. 12a Wet Vpb 1969)?
- Hoe werkt de doorschuiving van stakingswinst als te conserveren inkomen (art. 3.64 Wet IB 2001)?
Kernbegrip: boekwinst reserveren bij een voortdurend herinvesteringsvoornemen
Overtreft de opbrengst bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de boekwaarde onmiddellijk daarvoor, dan mag het verschil worden gereserveerd zolang het voornemen tot herinvestering bestaat (art. 3.54 lid 1 Wet IB 2001). Verlies of beschadiging van een bedrijfsmiddel wordt met vervreemding gelijkgesteld; de ontvangen vergoeding geldt dan als opbrengst (lid 6). Het voornemen is geen momentopname: het moet tot afboeking of vrijval telkens opnieuw aannemelijk zijn. De Hoge Raad legt het opbrengstbegrip ruim uit: ook een fiscaal voordeel dat ontstaat door gedeeltelijke onttrekking van een bedrijfsmiddel via verkoop aan een gelieerde partij tegen een onzakelijk lage prijs, geldt als opbrengst die aan de reserve kan worden toegevoegd (ECLI:NL:HR:2016:2080). Bij ontvoeging uit een fiscale eenheid ligt dat anders: een boekwinst die op grond van art. 15ai lid 1 Wet Vpb 1969 in aanmerking wordt genomen, is geen vervreemdingsopbrengst in de zin van art. 3.54 lid 1, zodat daarvoor geen reserve kan worden gevormd (ECLI:NL:HR:2018:459). Bij emigratie blijft een openstaande reserve intact: zij is geen vermogensbestanddeel in de zin van art. 3.61 Wet IB 2001, zodat het aanhouden ervan niet betekent dat de belastingplichtige is opgehouden in Nederland winst uit onderneming te genieten (ECLI:NL:HR:2018:513).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Herinvesteringstermijn | jaar van vervreemding plus de drie volgende jaren | art. 3.54 lid 5 Wet IB 2001 |
| Vermoeden van overheidsingrijpen na een beperkend besluit | vervreemding binnen drie jaar na het besluit | art. 3.54 lid 13 Wet IB 2001 |
| Vrijstellingsdrempel bij aandeelhouderswisseling | ten minste een derde deel van het belang bij aanvang van het vormingsjaar | art. 12a lid 2 onderdeel b Wet Vpb 1969 |
| Beleggingstoets bij aandeelhouderswisseling | bezittingen voor minder dan de helft belegging in de laatste drie maanden vóór de wijziging | art. 12a lid 1, tweede volzin, Wet Vpb 1969 |
| Verbandvermoeden bij verwerving vóór belangwijziging | verwerving binnen zes maanden vóór de wijziging | art. 12a lid 1 onderdeel c, derde volzin, Wet Vpb 1969 |
| Herinvesteringstermijn bij staking (te conserveren inkomen) | twaalf maanden na staking, op verzoek verlengbaar | art. 3.64 leden 1 en 3 Wet IB 2001 |
(wettekst geldend per 2026)
Bedrijfsmiddelbegrip en de boekwaarde-eis
Niet elk vermogensbestanddeel telt mee: vermogensrechten die ter belegging worden gehouden en voorwerpen van geringe waarde vallen buiten het bedrijfsmiddelbegrip van deze regeling (art. 3.54 lid 7 Wet IB 2001). De afboeking van de reserve kent bovendien een ondergrens: het gezamenlijke bedrag van de boekwaarden van de vervangende bedrijfsmiddelen mag door de afboeking niet dalen beneden de boekwaarde van het vervreemde bedrijfsmiddel onmiddellijk vóór de vervreemding (lid 2). Is op het vervreemde bedrijfsmiddel willekeurig afgeschreven, dan geldt voor de boekwinstberekening de boekwaarde die zonder die willekeurige afschrijving zou hebben gegolden (lid 8), zodat de reserve niet kunstmatig wordt vergroot door versnelde afschrijving vooraf.
Economische functiegelijkheid en overheidsingrijpen
Voor bedrijfsmiddelen waarop niet of in meer dan tien jaar pleegt te worden afgeschreven, doorgaans grond en bepaalde gebouwen, geldt een aanvullende eis: de reserve mag alleen worden afgeboekt op bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie als het vervreemde bedrijfsmiddel (art. 3.54 leden 3 en 4 Wet IB 2001). Deze eis vervalt voor zover de vervreemding een gevolg is van overheidsingrijpen (leden 9 en 10). De wet omschrijft overheidsingrijpen limitatief: onteigening, inclusief minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming daarvan; een besluit op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur of milieu dat voortzetting op de huidige locatie in belangrijke mate beperkt; en bij algemene maatregel van bestuur aangewezen EU- of nationale regelgeving die tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak leidt (lid 12). Een vervreemding binnen drie jaar na zo'n besluit wordt geacht een gevolg van dat overheidsingrijpen te zijn, ook als de vervreemding zelf later plaatsvindt door vertraging, mits daaraan binnen die periode al een begin van uitvoering is gegeven (lid 13). Over de afbakening van dit begrip oordeelt de kennisgroep van de Belastingdienst dat loutere interesse van projectontwikkelaars zonder een gevestigd voorkeursrecht niet kwalificeert als overheidsingrijpen, en dat de kwalificatie opnieuw kan worden getoetst op het moment waarop een nabetaling wordt gerealiseerd (KG:213:2023:2).
Termijn, vrijval en het voortdurende voornemen
Een reserve wordt uiterlijk in het derde jaar na het jaar van ontstaan in de winst opgenomen, tenzij de aard van het aan te schaffen bedrijfsmiddel een langer tijdvak vereist, of de aanschaffing door bijzondere omstandigheden is vertraagd terwijl daaraan al een begin van uitvoering is gegeven (art. 3.54 lid 5 Wet IB 2001). Deze twee uitzonderingsgronden staan naast elkaar; geen van beide sluit de andere uit. Wordt de reserve niet tijdig of niet rechtsgeldig afgeboekt, dan valt zij vrij in de winst van het jaar waarin de termijn verstrijkt. Omdat het voornemen doorlopend aannemelijk moet blijven, ligt hier ook het praktische twistpunt: het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat een enkel beroep op een vastgoedcrisis geen bijzondere omstandigheid vormt die verlenging rechtvaardigt, zodat de reserve terecht was vrijgevallen (ECLI:NL:GHAMS:2023:2323). In een andere zaak voor hetzelfde hof stond de aannemelijkheid van het herinvesteringsvoornemen eveneens centraal, in de context van een navorderingsaanslag wegens kwade trouw na overdracht van onroerende zaken door een BV aan haar aandeelhouders (ECLI:NL:GHAMS:2023:1946).
Aandeelhouderswisseling: art. 12a Wet Vpb 1969
Wijzigt het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate, dan wordt een op dat moment al gevormde reserve direct voorafgaand aan de wijziging aan de winst toegevoegd; na de wijziging kan alleen nog een reserve worden gevormd voor bedrijfsmiddelen waarvan het vervreemdingsbesluit ná de wijziging is genomen; en een vóór de wijziging afgeboekte reserve op een bedrijfsmiddel dat met de wijziging verband houdt, wordt teruggenomen (art. 12a lid 1 Wet Vpb 1969). Een verwerving binnen zes maanden vóór de wijziging wordt daarbij geacht met die wijziging verband te houden, met een tegenbewijsmogelijkheid bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze hoofdregel geldt niet als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat zijn bezittingen in de laatste drie maanden vóór de wijziging voor minder dan de helft uit beleggingen bestonden, en evenmin bij een wijziging door erfrecht of huwelijksvermogensrecht, of bij uitbreiding van het belang door iemand die bij aanvang van het vormingsjaar al ten minste een derde van het belang had (lid 2). Wie niet wist en niet kon weten dat het belang in belangrijke mate wijzigde, ontspringt de hoofdregel eveneens, mits de wijziging niet ongebruikelijk van omvang is (lid 3). De Hoge Raad benadrukt dat de tekst van art. 12a niet opzij kan worden gezet met een beroep op een ruimere ratio van de bepaling; in dezelfde zaak moest alsnog worden onderzocht of afboeking van de reserve afstuit op de boekwaarde-eis van art. 3.54 lid 2 Wet IB 2001 (ECLI:NL:HR:2014:1092).
Doorschuiving bij staking: art. 3.64 Wet IB 2001
Bij het staken van een onderneming kan op verzoek bij de aangifte de aan bedrijfsmiddelen en aan de reserve toe te rekenen stakingswinst afzonderlijk worden bepaald en als te conserveren inkomen worden behandeld, voor zover aannemelijk is dat die winst binnen twaalf maanden na staking wordt geherinvesteerd in een onderneming waaruit de belastingplichtige winst geniet (art. 3.64 lid 1 Wet IB 2001). Bij tijdige herinvestering wordt de winst als ware het een reserve afgeboekt op de nieuwe bedrijfsmiddelen, met overeenkomstige toepassing van art. 3.54; de inspecteur vermindert vervolgens de conserverende aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen rechtsmiddelen alleen nog de omvang van de vermindering kunnen betreffen (lid 2). De twaalfmaandstermijn kan op dezelfde twee gronden als de gewone termijn worden verlengd, eveneens bij voor bezwaar vatbare beschikking (lid 3). Sinds 1 januari 2024 verruimt art. 3.54aa Wet IB 2001 dit kader voor gedeeltelijke staking door overheidsingrijpen: de reserve mag dan mede worden gevormd voor herinvestering in een andere onderneming van dezelfde belastingplichtige, mits voor beide ondernemingen dezelfde winstbepalingsregels gelden en met gelijktijdige winstneming van eenzelfde bedrag in de gestaakte onderneming; voor het overige blijft art. 3.54 van overeenkomstige toepassing.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij transacties met gelieerde partijen tegen niet-zakelijke voorwaarden telt ook een impliciet fiscaal voordeel als opbrengst (ECLI:NL:HR:2016:2080), wat de omvang van de te vormen reserve beïnvloedt.
- Bij de terbeschikkingstelling van bedrijfsmiddelen aan gelieerde partijen geldt de terbeschikkingstelling van verschillende panden aan verschillende gelieerde vennootschappen als werkzaamheden van dezelfde aard, wat ook voor de reserve binnen die tbs-werkzaamheid relevant is.
- Bij verkoop van een tak van een gemengd bedrijf met herinvestering in de andere tak ontstaat geen nieuwe bezitstermijn en wordt het voortzettingsvereiste van de bedrijfsopvolgingsregeling niet geschonden.
- Het uiteindelijke belang van art. 12a lid 2 onderdeel b Wet Vpb 1969 wordt per laag van een concernstructuur getoetst, niet cumulatief.
- Emigratie doorbreekt een openstaande reserve niet vanzelf; de samenhang met eindafrekening en exitheffing verdient dan aandacht.
Recente ontwikkelingen
- 13 juli 2022: het Verzamelbesluit herinvesteringsreserve bundelt beleid over onder meer onttrekking van een bedrijfsmiddel, gedeeltelijke staking en herstel na verlies of beschadiging.
- 15 juni 2023: kennisgroepstandpunt KG:213:2023:2 over de afbakening van overheidsingrijpen: loutere interesse van projectontwikkelaars zonder gevestigd voorkeursrecht kwalificeert niet.
- 21 juni 2023: kennisgroepstandpunt KG:063:2023:21 over de reserve bij verkoop van een tak van een gemengd bedrijf in relatie tot de bedrijfsopvolgingsregeling.
- 7 september 2023: kennisgroepstandpunt KG:011:2023:12 over de laagsgewijze toets van het uiteindelijke belang onder art. 12a lid 2 onderdeel b Wet Vpb 1969.
- 12 september 2023: ECLI:NL:GHAMS:2023:2323, waarin het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat een enkel beroep op een vastgoedcrisis geen bijzondere omstandigheid vormt die termijnverlenging rechtvaardigt.
- 1 januari 2024: inwerkingtreding van art. 3.54aa Wet IB 2001, dat de reserve verruimt bij gedeeltelijke staking door overheidsingrijpen (Kamerstukken II 2023/24, 36418, nr. 3).
- 13 juli 2026: kennisgroepstandpunt KG:213:2026:5 over de boekwaarde-eis bij de herinvesteringsreserve.
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
- Art. 12a Wet VPB 1969
- Art. 3.54 Wet IB 2001: Herinvesteringsreserve
- Art. 3.64 Wet IB 2001: Doorschuiving via te conserveren inkomen naar andere onderneming
Belangrijkste rechtspraak
36 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2018:513 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat een herinvesteringsreserve geen vermogensbestanddeel is in de zin van art. 3.61 Wet IB 2001, zodat het aanhouden ervan bij emigratie inhoudt dat belanghebbende niet is opgehouden in Nederland winst uit onderneming te genieten.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:2323 (2023)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat een controlerapport geen verliesvaststellingsbeschikking is die vertrouwen wekt, dat een hogere pensioenvoorziening niet aannemelijk is en dat de HIR terecht is vrijgevallen omdat de gestelde vastgoedcrisis geen bijzondere omstandigheid is.
-
ECLI:NL:HR:2016:2080 (2016)
De Hoge Raad oordeelt, terugkomend van zijn arrest BNB 1970/93, dat ook een fiscaal in aanmerking te nemen voordeel als gevolg van de gedeeltelijke onttrekking van een bedrijfsmiddel door verkoop aan een gelieerde partij tegen een onzakelijk lage prijs moet worden aangemerkt als een opbrengst in de zin van artikel 3.54, lid 1, Wet IB 2001 die aan de herinvesteringsreserve kan worden toegevoegd.
-
ECLI:NL:HR:2014:1092 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat de tekst van artikel 12a Wet Vpb 1969 niet opzij kan worden gezet met een beroep op een ruimere ratio van de bepaling, en verwijst de zaak voor onderzoek of afboeking van de herinvesteringsreserve afstuit op de boekwaarde-eis van artikel 3.54 lid 2 Wet IB 2001.
-
ECLI:NL:HR:2018:459 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat een boekwinst die bij ontvoeging op grond van art. 15ai, lid 1, eerste volzin, Wet Vpb 1969 in aanmerking wordt genomen, geen vervreemdingsopbrengst is in de zin van art. 3.54, lid 1, Wet IB 2001, zodat geen herinvesteringsreserve kan worden gevormd.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:1946 (2023)
De zaak betreft een navorderingsaanslag Vpb wegens kwade trouw naar aanleiding van een winstuitdeling in verband met de overdracht van onroerende zaken door een BV aan haar aandeelhouders, waarbij in geschil is of een herinvesteringsvoornemen aannemelijk is gemaakt.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:1237 (2020)
De zaak betreft of onroerende zaken bij een belanghebbende die onroerend goed verhandelt en exploiteert bedrijfsmiddel voor de herinvesteringsreserve (art. 3.54 Wet IB 2001) of voorraad zijn, en of een balansfout via de foutenleer kan worden gecorrigeerd; het Hof vermindert de aanslag Vpb 2011.
-
ECLI:NL:HR:2014:1181 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat doel en strekking van artikel 15e Wet Vpb 1969 op onaanvaardbare wijze zouden worden doorkruist als de herinvesteringsreserve niet aan de winst wordt toegevoegd, omdat de volgorde van herinvestering en aandelenoverdracht doorslaggevend was ingegeven door de wens de vennootschapsbelastingheffing te verijdelen (fraus legis).
-
ECLI:NL:HR:2014:1188 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat de uitspraak van het Hof over het moment van afboeken van de herinvesteringsreserve op de vervangende onroerende zaken niet in stand kan blijven en verwijst het geding, mede voor beoordeling van de subsidiaire stelling van fraus legis.
-
ECLI:NL:HR:2014:1183 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat de ruilarresten niet kunnen worden toegepast wanneer een bedrijfsmiddel is vervreemd waarvoor in beginsel een herinvesteringsreserve op grond van artikel 3.54 Wet IB 2001 kan worden gevormd, omdat de wettelijke regeling de aan de ruilarresten ten grondslag liggende gedachte heeft geabsorbeerd.
Beleid en standpunten
24 bronnen in de kennisbank-
KG:011:2023:12 (2023)
Standpunt: uiteindelijk belang van natuurlijk persoon of rechtspersoon in artikel 12a Wet Vpb 1969 moet per laag van de structuur worden bepaald, niet cumulatief over alle niveaus heen.
- Kamerstuk 36418 nr. 35
- KG:213:2026:5 (2026)
-
KG:213:2025:13 (2025)
Standpunt: Stikstofdepositieruimte kan extern worden gesaldeerd tussen bedrijven waarbij één partij haar onbenutte ruimte beschikbaar stelt voor uitbreiding ander bedrijf.
-
KG:213:2023:2 (2023)
Standpunt: Interesse van projectontwikkelaars zonder gevestigd voorkeursrecht is geen overheidsingrijpen. Kwalificatie kan op moment van nabetalingsrealisatie opnieuw worden getoetst.
-
Besluit BWBR0047168
Dit beleidsbesluit bevat fiscale noodmaatregelen in verband met de coronacrisis, waaronder uitstelmogelijkheden en betalingsregelingen.
-
Besluit BWBR0048559
Goedkeuring inzake belastingschadevergoeding: standpunten voor heffing inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over belastingschadevergoedingen, met nadruk op initiatief belastingplichtige voor berekening schadebedrag.
-
Besluit BWBR0046937
Goedkeuring/beleid inzake herinvesteringsreserve: het besluit formuleert het beleid voor de herinvesteringsreserve in inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting, inclusief de toepassing bij onttrekking, gedeeltelijke staking en herstel van bedrijfsmiddelen.
-
KG:063:2023:21 (2023)
Standpunt: Verkoop van een tak van een gemengd bedrijf met herinvestering in de andere tak veroorzaakt geen nieuwe bezitstermijn en schendt niet het voortzettingsvereiste van de bedrijfsopvolgingsregeling.
- Kamerstuk 36418 nr. 3
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.