Inkomstenbelasting
Afgezonderd particulier vermogen (APV) en trusts
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Het afgezonderd particulier vermogen (APV) is het fiscale antwoord op vermogen dat is ondergebracht in een trust, Stiftung, stichting of vergelijkbare buitenlandse doelvermogenstructuur, zonder dat daar een reële scheiding van economisch belang tegenover staat. De wetgever behandelt zo'n structuur niet als een zelfstandig belastingplichtig lichaam: het APV zelf doet geen aangifte en betaalt geen belasting. In plaats daarvan worden de bezittingen, schulden, opbrengsten en uitgaven ervan rechtstreeks toegerekend aan degene die het vermogen heeft afgezonderd, en na diens overlijden aan de erfgenamen. De toerekeningssystematiek van art. 2.14a Wet IB 2001 vormt het centrale aanknopingspunt en werkt via art. 16, 17 en 17a Successiewet 1956 door naar de erf- en schenkbelasting. Kenmerkend is dat de regeling niet aansluit bij de civielrechtelijke vormgeving van de structuur, maar bij de economische werkelijkheid: wie het vermogen heeft afgezonderd, en wie ervan kan profiteren.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer kwalificeert een structuur als afgezonderd particulier vermogen in de zin van art. 2.14a Wet IB 2001?
- Aan wie wordt het vermogen toegerekend, bij leven van de inbrenger en na diens overlijden?
- Wanneer werkt de tegenbewijsregeling van lid 6 voor een erfgenaam die zelf geen begunstigde is?
- Wanneer geldt de toerekeningsstop van lid 7 voor ondernemingsvermogen van het APV?
- Hoe werken de erf- en schenkbelasting door via art. 16, 17 en 17a Successiewet 1956?
Wat is een afgezonderd particulier vermogen
Van een afgezonderd particulier vermogen is sprake bij een afgezonderd vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd, tenzij tegenover de afzondering een uitreiking van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten, bewijzen van deelgerechtigdheid of vergelijkbare rechten heeft plaatsgevonden, of een economische deelgerechtigdheid is ontstaan (art. 2.14a lid 2 Wet IB 2001). Een sociaal-belang-behartigende instelling valt hoe dan ook buiten het begrip. Onder afzonderen verstaat lid 3 zowel het om niet of onder ongebruikelijke voorwaarden onderbrengen van vermogensbestanddelen in de structuur (onderdeel a) als het vervreemden van vermogensbestanddelen aan de structuur met het oog op een particulier belang van de vervreemder, diens partner, of diens bloed- of aanverwanten in de rechte lijn dan wel tot en met de vierde graad van de zijlijn (onderdeel b); beide vormen kunnen rechtstreeks of indirect plaatsvinden.
Deze twee-wegen-uitzondering van lid 2 verklaart waarom bijvoorbeeld een stichting-administratiekantoor met certificaten geen APV is: daar staat een economische deelgerechtigdheid tegenover de inbreng. Waar die tegenprestatie volledig ontbreekt en de gerechtigdheid tot het vermogen onvoorwaardelijk bij één persoon ligt, is de toerekening evenmin aan de orde: de Hoge Raad oordeelde dat geen toerekening plaatsvindt wanneer de belanghebbende de enige begunstigde en rechthebbende tot het gehele trustvermogen is, zonder discretionair deel (ECLI:NL:HR:2015:849).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Verwantschapskring bij afzondering ten gunste van familie | partner, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, of tot en met de vierde graad van de zijlijn | art. 2.14a lid 3 onderdeel b Wet IB 2001 |
| Belastbare verkrijging bij inbreng in het APV | geen (vrijgesteld) | art. 17a Successiewet 1956 |
| Kwalificatie verkrijging bij overlijden van de inbrenger | erfrechtelijke verkrijging | art. 16 Successiewet 1956 |
| Kwalificatie overige verkrijgingen uit het APV (bijvoorbeeld een uitkering) | schenking | art. 17 Successiewet 1956 |
| Toerekeningsstop ondernemingswinst van het APV | geen toerekening voor zover de winst in de staat waar de onderneming wordt gedreven aan een belasting naar de winst is onderworpen | art. 2.14a lid 7 Wet IB 2001 |
(wettekst geldend per 2026)
Toerekening: hoofdregel, erfgenamen en tegenbewijs
De hoofdregel van art. 2.14a lid 1 Wet IB 2001 rekent bezittingen, schulden, opbrengsten en uitgaven van het APV toe aan de inbrenger; na diens overlijden gaat de toerekening over op de erfgenamen, ieder naar de verhouding waarin hij krachtens erfrecht verkrijger is, en bij opvolgend overlijden treden de erfgenamen van een erfgenaam in dezelfde verhouding in diens plaats. Lid 4 verruimt het erfgenaambegrip: ook een onterfde persoon telt mee zodra hij, of zijn partner of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn, in feite, direct of indirect, begunstigde is van het APV, zodat onterving de toerekening niet doorbreekt wanneer de feitelijke bevoordeling blijft doorlopen. Kunnen de inbrenger, diens partner en diens erfgenamen niet worden vastgesteld, dan wordt naar lid 5 toegerekend aan de feitelijke begunstigde(n), naar verhouding van de mate van begunstiging bij meerdere begunstigden.
Lid 6 biedt tegenbewijs: een erfgenaam ontsnapt aan de toerekening zodra blijkt dat hijzelf en zijn partner geen begunstigde zijn en dat ook niet kunnen worden; de toerekening verschuift dan naar de overige erfgenamen. Dat tegenbewijs vervalt als de erfopvolging in overwegende mate is gericht op het geheel of gedeeltelijk ontgaan of uitstellen van de toerekening. De bewijslast over wie feitelijk begunstigde is, weegt zwaar in de rechtspraak: toerekening vindt ook plaats als de inbrenger niet bevoegd was de rechtshandelingen te verrichten waarmee het vermogen feitelijk is afgezonderd, omdat de materiële afzondering beslissend is en niet de civielrechtelijke geldigheid daarvan (ECLI:NL:HR:2023:948). Wie in een procedure niet subsidiair stelt zelf ook vermogen te hebben ingebracht, riskeert dat het gehele vermogen aan een ander wordt toegerekend (ECLI:NL:HR:2023:1664).
Toerekeningsstop voor ondernemingsvermogen
Bezittingen, schulden en winst die tot een onderneming van het APV behoren, blijven buiten de toerekening voor zover die winst in de staat of staten waar de onderneming wordt gedreven daadwerkelijk aan een belasting naar de winst is onderworpen (art. 2.14a lid 7 Wet IB 2001); een werkzaamheid in de zin van art. 4, onderdeel b, Wet Vpb 1969 telt daarbij mee als onderneming. Ontbreekt die onderworpenheid, dan blijft de hoofdregel van toerekening onverkort gelden voor het ondernemingsdeel. Bij een aanmerkelijkbelangbelang dat via een APV wordt gehouden, kan een gefaciliteerde aandelenfusie het belang zonder voorafgaande levering aan de inbrengers naar een holding overbrengen, zo blijkt uit een kennisgroepstandpunt over een Curaçaos particulier fondsvermogen (KG:202:2023:46).
Doorwerking naar de schenk- en erfbelasting
De toerekening in de inkomstenbelasting werkt via drie samenhangende bepalingen door naar de Successiewet 1956. Bij overlijden van de inbrenger geldt het aan de erfgenamen toegerekende APV-vermogen, met inbegrip van het deel dat door de toerekeningsstop van lid 7 buiten de IB-toerekening blijft, als verkrijging krachtens erfrecht; ook een in rechte vorderbare aanspraak op een APV die door het overlijden ontstaat, telt als zodanig (art. 16 Successiewet 1956). Al wat op een andere manier dan bij overlijden uit een APV wordt verkregen, bijvoorbeeld een lopende uitkering, geldt als schenking van degene aan wie het vermogen fiscaal wordt toegerekend (art. 17 Successiewet 1956). De afzondering van vermogen in het APV zelf is uitdrukkelijk geen belastbare verkrijging (art. 17a Successiewet 1956): schenk- of erfbelasting wordt dus pas geheven bij uitkering of bij overlijden van de inbrenger, niet bij de inleg. Een uitkering naar de verhouding van ieders inbreng vormt daarbij geen schenking in de zin van art. 17, mits die verhouding tussentijds niet is gewijzigd, ook als de aard van het vermogen intussen is veranderd (KG:063:2022:2). Voor een gift die een als APV aangemerkte stichting aan een ANBI doet, wordt de schenkbelasting evenredig aan de erfgenamen toegerekend; voor giften door andere stichtingen aan een ANBI geldt die evenredige toerekening niet (KG:202:2025:10).
EVRM-toetsing en de grenzen van de regeling
Bij internationale structuren zoals een Liechtensteinse Stiftung toetst de Hoge Raad de toerekening consequent aan de EU-verkeersvrijheden en aan art. 1 Eerste Protocol EVRM. In een reeks arresten van 26 maart 2021 oordeelde de Hoge Raad dat toerekening naar erfdeel aan de erfgenamen van een Stiftung met een overwegend particulier verzorgingsbelang voor de familie van de erflater niet in strijd komt met de vrijheid van vestiging, het vrije kapitaalverkeer of art. 1 Eerste Protocol EVRM, zolang de belanghebbende niet aannemelijk maakt dat hij geen begunstigde is of dat sprake is van een individuele en buitensporige last (ECLI:NL:HR:2021:451, ECLI:NL:HR:2021:440 en ECLI:NL:HR:2021:452). In dezelfde Stiftung-sfeer oordeelde de Hoge Raad dat vergoedingen voor werkzaamheden voor de vennootschappen van de Stiftung, ondanks de vereiste bestuursgoedkeuring, in het economische verkeer zijn verricht en dus belastbaar zijn: de APV-structuur staat de belastbaarheid van een reële beloning niet in de weg (ECLI:NL:HR:2021:367).
Deze lijn is recent bevestigd: de relatieve ongelijkheid die de APV-regeling meebrengt is gerechtvaardigd en levert geen door art. 14 EVRM in samenhang met art. 1 Eerste Protocol verboden discriminatie op, opnieuw bij gebreke van een gestelde individuele en buitensporige last (ECLI:NL:HR:2025:1389). De individuele-en-buitensporige-last-toets blijft daarmee de enige, nog niet doorbroken opening tegen de regeling als zodanig. Voor een oude, zonder fiscaal doel ingestelde binnenlandse familiestichting oordeelde het Gerechtshof Amsterdam wel dat toepassing van art. 2.14a Wet IB 2001 in dat specifieke geval in strijd komt met art. 1 Eerste Protocol EVRM in samenhang met art. 14 EVRM, en beperkte het de heffing bij wijze van rechtsherstel tot het daadwerkelijk genoten voordeel (ECLI:NL:GHAMS:2024:1494). Die uitkomst is casusgebonden, aan het ontbreken van een fiscaal motief bij de oprichting, en doorbreekt de hoofdlijn niet.
Eigen woning en verrekening van buitenlandse heffing
De toerekening wijzigt de fiscale kwalificatie van een onderliggend vermogensbestanddeel niet: een woning die vóór inbreng in een APV een eigen woning was in de zin van art. 3.111 Wet IB 2001, behoudt dat karakter na de afzondering via art. 2.14a Wet IB 2001 en valt dus niet in box 3 bij de inbrenger (ECLI:NL:HR:2022:1559), terwijl overig toegerekend vermogen in beginsel wel in box 3 valt. Buitenlandse heffing die drukt op het vermogen of de inkomsten van een APV kan onder voorwaarden worden verrekend met de Nederlandse inkomstenbelasting in verdragssituaties; het Besluit verrekening buitenlandse heffing van een afgezonderd particulier vermogen in verdragssituaties keurt dit goed om dubbele heffing over hetzelfde toegerekende vermogen te voorkomen.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Toetsing of tegenover de afzondering een uitreiking van rechten of een economische deelgerechtigdheid is ontstaan bepaalt of een structuur überhaupt als APV kwalificeert; is de begunstigde enig en onvoorwaardelijk gerechtigde, dan ontbreekt toerekening (ECLI:NL:HR:2015:849).
- Bij een onterfde potentiële begunstigde blijft toerekening mogelijk via lid 4; het tegenbewijs van lid 6 vervalt zodra de erfopvolging in overwegende mate op het ontgaan of uitstellen van de toerekening is gericht.
- Materiële afzondering is beslissend boven civielrechtelijke geldigheid van de vestigingshandeling (ECLI:NL:HR:2023:948); neem in een procedure ook subsidiair een eigen-inbreng-standpunt in (ECLI:NL:HR:2023:1664).
- De toerekeningsstop van lid 7 werkt alleen voor ondernemingsvermogen en -winst van het APV zelf, en alleen voor zover die winst in het buitenland daadwerkelijk aan een belasting naar de winst is onderworpen.
- Een aanmerkelijkbelangbelang in een APV kan via een gefaciliteerde aandelenfusie naar een holding worden overgebracht zonder voorafgaande levering aan de inbrengers (KG:202:2023:46).
- Voor oudere, niet fiscaal gedreven binnenlandse familiestichtingen kan toepassing van art. 2.14a Wet IB 2001 tot een EVRM-schending leiden, met rechtsherstel beperkt tot het daadwerkelijk genoten voordeel; dit is casusgebonden en geen algemene vrijstelling (ECLI:NL:GHAMS:2024:1494).
Recente ontwikkelingen
- 7 juli 2023: de Hoge Raad oordeelt dat toerekening ook plaatsvindt als de inbrenger niet bevoegd was tot de afzonderingshandeling, omdat de materiële afzondering beslissend is (ECLI:NL:HR:2023:948).
- 1 december 2023: de Hoge Raad rekent het gehele vermogen van een stichting toe aan de erflaatster, nu geen subsidiair eigen-inbreng-standpunt was ingenomen (ECLI:NL:HR:2023:1664).
- 14 december 2023: kennisgroepstandpunt KG:202:2023:46 keurt goed dat aanmerkelijkbelangaandelen in een Curaçaos particulier fondsvermogen via een gefaciliteerde aandelenfusie naar een holding worden gebracht.
- 28 mei 2024: het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat toepassing van art. 2.14a Wet IB 2001 op een oude, niet fiscaal gedreven binnenlandse familiestichting in dat geval in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM in samenhang met art. 14 EVRM (ECLI:NL:GHAMS:2024:1494).
- 21 juli 2025: kennisgroepstandpunt KG:202:2025:10 keurt evenredige toerekening aan erfgenamen goed voor een gift van een als APV aangemerkte stichting aan een ANBI.
- 26 september 2025: de Hoge Raad oordeelt dat de relatieve ongelijkheid die uit de APV-regeling voortvloeit gerechtvaardigd is en geen met art. 14 EVRM in samenhang met art. 1 Eerste Protocol strijdige discriminatie oplevert (ECLI:NL:HR:2025:1389).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
- Art. 2.14a Wet IB 2001: Toerekening afgezonderd particulier vermogen
Belangrijkste rechtspraak
23 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2021:367 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat het beroep in cassatie ongegrond is en laat het oordeel van het Hof in stand dat de aan belanghebbende betaalde vergoedingen voor werkzaamheden voor de vennootschappen van de Stiftung in het economische verkeer zijn verricht en belastbaar zijn, ook al was toestemming van het bestuur van de Stiftung vereist voor de betaling.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:1494 (2024)
Het Hof oordeelt dat toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 op een oude, zonder fiscaal doel ingestelde binnenlandse familiestichting (APV) in dit geval in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM in samenhang met artikel 14 EVRM, en verleent rechtsherstel door de heffing te beperken tot het daadwerkelijk genoten voordeel.
-
ECLI:NL:HR:2015:849 (2015)
De Hoge Raad oordeelt dat, nu belanghebbende de enige begunstigde en rechthebbende tot het gehele trustvermogen is zonder discretionair deel, geen bezittingen aan de inbrenger worden toegerekend ex artikel 2.14a Wet IB 2001, zodat geen vermindering van het schenkingsrecht volgt.
-
ECLI:NL:HR:2025:1389 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat de relatieve ongelijkheid die voortvloeit uit de APV-regeling gerechtvaardigd is en geen door artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol verboden discriminatie oplevert, tenzij sprake is van een individuele en buitensporige last, hetgeen belanghebbende niet heeft gesteld.
-
ECLI:NL:HR:2021:440 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat de toerekening van het vermogen van een Liechtensteinse Stiftung aan de erfgenamen op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001 niet in strijd is met de vrijheid van vestiging, het vrij verkeer van kapitaal of artikel 1 Eerste Protocol EVRM, nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt geen begunstigde te zijn of een individuele buitensporige last te ondervinden.
-
ECLI:NL:HR:2021:452 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat het afgezonderd particulier vermogen van de Liechtensteinse Stiftung op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001 aan belanghebbende als erfgenaam wordt toegerekend nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt geen begunstigde te zijn, en dat dit niet in strijd is met de EU-verkeersvrijheden of artikel 1 EP EVRM.
-
ECLI:NL:HR:2021:451 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat het door de erflater bij leven in een Liechtensteinse Stiftung afgezonderde vermogen, met een overwegend particulier verzorgingsbelang voor echtgenote, kinderen en kleinkinderen, op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001 naar erfdeel aan de erfgenamen wordt toegerekend, zonder strijd met de EU-verkeersvrijheden of artikel 1 EP EVRM.
-
ECLI:NL:HR:2023:948 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat afgezonderd particulier vermogen op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001 wordt toegerekend aan degene die het vermogen heeft ingebracht, ook als die inbrenger niet bevoegd was de rechtshandelingen te verrichten waardoor het vermogen is afgezonderd; het cassatieberoep is ongegrond.
-
ECLI:NL:HR:2022:1559 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat een woning die vóór inbreng in een afgezonderd particulier vermogen een eigen woning was (art. 3.111 Wet IB 2001), ook na de afzondering via art. 2.14a Wet IB 2001 als eigen woning van de inbrenger blijft gelden en dus niet in box 3 valt.
-
ECLI:NL:HR:2023:1664 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat het gehele vermogen van de Stichting als afgezonderd particulier vermogen aan de erflaatster kan worden toegerekend, omdat belanghebbende in hoger beroep niet subsidiair heeft gesteld dat ook hijzelf vermogen in de Stichting heeft afgezonderd.
Beleid en standpunten
12 bronnen in de kennisbank-
KG:202:2025:10 (2025)
Standpunt: Een gift door een stichting aangewezen als afgezonderd particulier vermogen aan een ANBI kan evenredig aan erfgenamen worden toegerekend; voor andere stichtingen geldt dit niet.
-
Kamerstuk 34552 nr. 3
Memorie van toelichting Belastingplan 2017, met onderdelen inkomensbeleid, constructiebestrijding, innovatiebox en jurisprudentiegevolgen.
-
Besluit BWBR0051709
Goedkeuring/beleid inzake verrekening buitenlandse heffing APV: het bevat goedkeuring voor verrekening van ter zake van een afgezonderd particulier vermogen in het buitenland geheven belasting met Nederlandse inkomstenbelasting.
-
Kamerstuk 34552 nr. 16
Artikel 12ba wordt uitgebreid: aanvragen voor octrooien, kwekersrechten en aanvullende beschermingscertificaten gelden voortaan als kwalificerende immateriële activa naast programmatuur.
-
KG:063:2023:2 (2023)
Standpunt: Alleen de handelende echtgenoot wordt aangemerkt als schenker bij schenking van vermogen uit huwelijksgoederengemeenschap. Dit bepaalt woonplaats, toepassing van artikel 12 SW en de bedrijfsopvolgingsregeling.
-
Besluit BWBR0024096
Leidraad met beleidsregels voor toepassing van de Invorderingswet 1990, vervangende de Leidraad Invordering 1990. De leidraad bevat alleen nog beleidsregels, niet verwerkt in wetgeving.
-
KG:202:2023:46 (2023)
Standpunt: Aanmerkelijkbelangaandelen in een Curaçaose particuliere fondsvermogen kunnen via een gefaciliteerde aandelenfusie naar een holding worden gebracht zonder eerst aan de inbrengers te worden geleverd.
-
Kamerstuk 34552 nr. 14
Nota naar aanleiding verslag waarin regering vragen leden Kamer beantwoordt over inkomensbeleid, box 3, constructiebestrijding en dividendbelasting.
-
KG:911:2024:2 (2024)
Standpunt: Een stichting of vereniging die geen onderneming drijft voldoet aan voorwaarde b van non-profitorganisatie in artikel 1.2 Wmb 2024, tenzij deze kwalificeert als afgezonderd particulier vermogen.
-
KG:063:2022:2 (2022)
Standpunt: Uitkering van APV-vermogen naar de verhouding van inbreng is geen schenking als die verhouding tussentijds niet is gewijzigd, ongeacht wijziging van vermogensaard.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.