Inkomstenbelasting

Afgezonderd particulier vermogen (APV) en trusts

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Het afgezonderd particulier vermogen (APV) is het fiscale antwoord op vermogen dat is ondergebracht in een trust, Stiftung, stichting of vergelijkbare buitenlandse doelvermogensstructuur, zonder dat daar een reële scheiding van economisch belang tegenover staat. De wetgever behandelt zo'n structuur niet als een zelfstandig belastingplichtig lichaam, maar rekent de bezittingen, schulden, opbrengsten en uitgaven ervan rechtstreeks toe aan de persoon die het vermogen heeft afgezonderd, en na diens overlijden aan de erfgenamen.

Het leerstuk is in de kern een anti-ontgaansmaatregel: het voorkomt dat particulier vermogen aan de heffing van inkomstenbelasting en schenk- en erfbelasting wordt onttrokken door het onder te brengen in een structuur die naar civiel recht op afstand van de inbrenger staat, maar economisch nog altijd aan hem of zijn familie toebehoort. De toerekeningssystematiek van art. 2.14a Wet IB 2001 vormt daarbij het centrale aanknopingspunt en werkt door naar de Successiewet.

Kenmerkend voor de regeling is dat zij niet uitgaat van de civielrechtelijke of formele structuur van de trust of stichting, maar van de economische werkelijkheid: wie heeft het vermogen afgezonderd, is daar een reële tegenprestatie voor teruggekomen, en wie kan er in feite over beschikken of van profiteren. Die materiële toets verklaart waarom de jurisprudentie zich vooral toespitst op bewijsvragen rond begunstigdenschap en inbreng.

Wanneer speelt dit

  • Bij de inbreng van vermogen in een trust, Stiftung, stichting particulier fonds of vergelijkbare structuur, zonder dat daar een uitreiking van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten of een economische deelgerechtigdheid tegenover staat.
  • Bij overlijden van de inbrenger, wanneer de toerekening overgaat op de erfgenamen en moet worden vastgesteld wie feitelijk begunstigde is of kan zijn.
  • Bij APV-structuren met een ondernemingsdeel, waarbij de vraag speelt of de winst daarvan in het buitenland aan een belasting naar de winst is onderworpen en de toerekeningsstop dus opgaat.
  • Bij discussie over de vraag of een (onterfde) persoon wel of niet potentieel begunstigde is van het APV, en dus wel of niet in de toerekening wordt betrokken.
  • Bij vermogen dat vóór inbreng een eigen woning betrof, of bij giften en uitkeringen vanuit of aan een APV.
  • Bij gefaciliteerde herstructureringen van aandelen die via een APV worden gehouden, zoals een aandelenfusie.

Wettelijk kader

Art. 2.14a lid 1 Wet IB 2001 bepaalt dat de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een APV "geacht [worden] bij degene die dat vermogen bij leven of bij overlijden heeft afgezonderd tot zijn bezit te behoren, onderscheidenlijk op te komen (toerekening)". Na overlijden van de inbrenger gaat de toerekening over naar de erfgenamen, "per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij verkrijger krachtens erfrecht is van de overledene", en bij opvolgend overlijden treden de erfgenamen van een erfgenaam in dezelfde verhouding in diens plaats.

Lid 2 geeft de kern van het begrip APV: een afgezonderd vermogen "waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd", tenzij tegenover de afzondering "een uitreiking van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten, bewijzen van deelgerechtigdheid of daarmee vergelijkbare rechten heeft plaatsgevonden, of een economische deelgerechtigdheid is ontstaan". Het gaat om een of/of-uitzondering: uitreiking van rechten óf het ontstaan van economische deelgerechtigdheid volstaat al om de kwalificatie als APV te ontlopen; sociaal-belang-behartigende instellingen vallen sowieso buiten het begrip.

Lid 3 werkt uit wat onder "afzonderen" wordt verstaan: het om niet of onder ongebruikelijke voorwaarden afzonderen van vermogensbestanddelen (onderdeel a), en het vervreemden van vermogensbestanddelen aan een APV waarmee een particulier belang van de vervreemder, diens partner of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad wordt beoogd (onderdeel b).

Lid 4 verruimt het erfgenaambegrip: ook een onterfde persoon die "in feite, direct of indirect, begunstigde is van het afgezonderd particulier vermogen", of wiens partner of bloed- of aanverwant in de rechte lijn dat is, telt mee als erfgenaam voor de toerekening.

Lid 5 regelt de restcategorie: kunnen de inbrenger, diens partner en diens erfgenamen niet worden bepaald, dan vindt toerekening plaats aan de begunstigde(n), "naar verhouding van de mate van begunstiging" als er meerdere zijn.

Lid 6 biedt tegenbewijs: een erfgenaam ontsnapt aan de toerekening als blijkt dat hijzelf en zijn partner "niet rechtens dan wel in feite, direct of indirect, begunstigde zijn van het afgezonderd particulier vermogen en dit ook niet kunnen worden"; de toerekening verschuift dan naar de overige erfgenamen, tenzij de erfopvolging "in overwegende mate is gericht op het geheel of gedeeltelijk ontgaan of uitstellen" van de toerekening.

Lid 7 bevat de toerekeningsstop: bezittingen, schulden, opbrengsten en uitgaven die tot het ondernemingsvermogen respectievelijk de winst van een onderneming van het APV behoren, blijven buiten de toerekening "voor zover blijkt dat de winst uit deze onderneming in de staat of in de staten waarin deze wordt gedreven is onderworpen aan een belasting naar de winst". Een werkzaamheid in de zin van art. 4 onderdeel b Wet Vpb 1969 wordt daarbij gelijkgesteld met een onderneming. Lid 8 laat ruimte voor nadere regels bij ministeriële regeling.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2015:849 (2015) dat geen toerekening ex art. 2.14a Wet IB 2001 plaatsvindt wanneer de belanghebbende de enige begunstigde en rechthebbende tot het gehele trustvermogen is, zonder discretionair deel, zodat geen vermindering van het schenkingsrecht volgt.

In ECLI:NL:HR:2021:451 (2021) oordeelde de Hoge Raad dat het door de erflater bij leven in een Liechtensteinse Stiftung afgezonderde vermogen, met een overwegend particulier verzorgingsbelang voor echtgenote, kinderen en kleinkinderen, naar erfdeel aan de erfgenamen wordt toegerekend, zonder dat dit in strijd komt met de EU-verkeersvrijheden of art. 1 Eerste Protocol EVRM.

Het Gerechtshof Amsterdam kwam in ECLI:NL:GHAMS:2024:1494 (2024) tot een ander resultaat voor een oude, zonder fiscaal doel ingestelde binnenlandse familiestichting: toepassing van art. 2.14a Wet IB 2001 op die specifieke stichting achtte het Hof in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM in samenhang met art. 14 EVRM, en het beperkte de heffing tot het daadwerkelijk genoten voordeel als rechtsherstel.

Meest recent oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2025:1389 (2025) dat de relatieve ongelijkheid die uit de APV-regeling voortvloeit gerechtvaardigd is en geen door art. 14 EVRM in samenhang met art. 1 Eerste Protocol verboden discriminatie oplevert, tenzij sprake is van een individuele en buitensporige last; in die zaak had de belanghebbende dat laatste niet gesteld.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De kwalificatie als APV staat of valt met de vraag of tegenover de afzondering een uitreiking van rechten of een economische deelgerechtigdheid is ontstaan (art. 2.14a lid 2 Wet IB 2001); is de begunstigde de enige gerechtigde zonder discretionair deel, dan ontbreekt toerekening, zoals ECLI:NL:HR:2015:849 illustreert.
  • Bij internationale structuren (Stiftung, particulier fondsvermogen, trust) toetst de Hoge Raad de toerekening consequent aan de EU-verkeersvrijheden en art. 1 Eerste Protocol EVRM, en tot dusver zonder de regeling als zodanig in strijd te achten daarmee, tenzij een individuele en buitensporige last aannemelijk wordt gemaakt (ECLI:NL:HR:2021:451, ECLI:NL:HR:2025:1389).
  • Voor oudere, niet fiscaal gedreven binnenlandse familiestichtingen kan toepassing van art. 2.14a Wet IB 2001 wél tot een EVRM-schending leiden, met rechtsherstel beperkt tot het daadwerkelijk genoten voordeel; dit is een casusgebonden uitzondering en geen algemene vrijstelling (ECLI:NL:GHAMS:2024:1494).
  • Het bewijs van begunstigdenschap ligt in de sleutel: lid 6 biedt tegenbewijs voor een erfgenaam die aantoont zelf en zijn partner geen begunstigde te zijn of te kunnen worden, maar dat tegenbewijs vervalt als de erfopvolging in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van de toerekening.
  • De toerekeningsstop van lid 7 is beperkt tot ondernemingsvermogen respectievelijk -winst van het APV zelf, en alleen voor zover die winst in het buitenland daadwerkelijk aan een belasting naar de winst is onderworpen; overig vermogen van het APV blijft buiten die uitzondering en valt onder de hoofdregel van toerekening.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 14 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.