Schenk- en erfbelasting
Vrijstellingen schenkbelasting
Bijgewerkt op 19 juli 2026
De schenkbelasting kent een stelsel van vrijstellingen dat bepaalt of, en tot welk bedrag, een verkrijging krachtens schenking buiten de heffing blijft. Pas voor zover een schenking de toepasselijke vrijstelling overtreft, komt de verkrijger aan de tariefgroepen van de Successiewet toe. De vrijstellingen zijn niet uniform: de wet onderscheidt naar de aard van de schenker (Koninklijk Huis, overheid) of de verkrijger (ANBI, sociaal belang behartigende instelling, steunstichting SBBI), naar de relatie tussen schenker en verkrijger (kind van de ouders versus "alle andere gevallen") en naar het motief van de schenking (voldoening aan een natuurlijke verbintenis, bijstand aan een insolvente begiftigde).
Voor de advies- en compliancepraktijk is art. 33 SW 1956 daarmee het centrale toetsingskader bij vrijwel elke schenking tussen particulieren: eerst wordt vastgesteld of, en zo ja onder welk onderdeel, een vrijstelling van toepassing is, pas daarna volgt de tariefberekening over het meerdere. Bij schenkingen aan kinderen speelt bovendien de eenmalige verhoogde vrijstelling een rol, die alleen geldt als daarop in de aangifte een uitdrukkelijk beroep wordt gedaan. Daarnaast bevat het artikel vrijstellingen voor specifieke verkrijgers en motieven: ANBI's, sociaal belang behartigende instellingen (SBBI's) en steunstichtingen SBBI, voldoening aan een natuurlijke verbintenis, en schenkingen aan wie niet in staat is zijn schulden te betalen.
Wanneer speelt dit
Het vrijstellingenkader van art. 33 SW 1956 komt in de praktijk aan de orde bij onder meer:
- de jaarlijkse schenking van ouders aan een kind, waarbij moet worden beoordeeld of het bedrag binnen de vrijstelling van onderdeel 5° blijft;
- een eenmalige, hogere schenking aan een kind tussen 18 en 40 jaar, waarbij de verhoogde vrijstelling alleen werkt als daarop tijdig een beroep wordt gedaan in de aangifte, en waarbij het hoogste bedrag alleen geldt voor bovengemiddelde studie- of opleidingskosten;
- schenkingen tussen partijen zonder ouder-kindrelatie (bijvoorbeeld grootouders-kleinkinderen, of derden), waarvoor de restvrijstelling van onderdeel 7° geldt;
- giften aan ANBI's, SBBI's of steunstichtingen SBBI, waarbij per categorie moet worden beoordeeld of aan de verkrijging een opdracht is verbonden die het toepasselijke criterium aantast: het algemeen belang-karakter (ANBI), het sociaal belang-karakter (SBBI) of de bestemming voor de realisatie van de doelstelling van de steunstichting (steunstichting SBBI);
- schenkingen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, met gevolgen voor zowel de schenk- als de erfbelasting.
Wettelijk kader
Art. 33 SW 1956 somt limitatief op welke verkrijgingen krachtens schenking zijn vrijgesteld. De kernbepalingen voor de particuliere praktijk zijn de onderdelen 5° en 7°.
Onderdeel 5° bepaalt dat is vrijgesteld hetgeen wordt verkregen "door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 6.908". De wettekst voegt daaraan toe dat dit bedrag "voor een kind tussen 18 en 40 jaar voor één kalenderjaar wordt verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan, tot een bedrag van" ofwel (a) € 33.129, ofwel (b) € 69.009 "onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, indien het bedrag is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind en deze kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk". De en/of-structuur is hier bepalend: de verhoging naar het hogere studiebedrag vereist zowel een aangiftekeuze als vervulling van de ministeriële voorwaarden én dat de studiekosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk; (a) en (b) zijn alternatief, niet cumulatief. De excerpt noemt geen andere voorwaarden en doet geen uitspraak over de inhoud van de ministeriële regeling zelf.
Onderdeel 7° regelt de restcategorie: vrijgesteld is hetgeen wordt verkregen "in alle andere gevallen: € 2.769", de vrijstelling voor schenkingen buiten de ouder-kindrelatie, bijvoorbeeld aan kleinkinderen of derden.
Daarnaast kent art. 33 SW 1956 vrijstellingen voor specifieke verkrijgers en motieven. Onderdeel 4° stelt vrij wat wordt verkregen door een ANBI, "voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang". Onderdeel 13° stelt vrij wat wordt verkregen door een sociaal belang behartigende instelling, "voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het sociaal belang" — dezelfde toetsstructuur, maar gericht op het sociaal belang-karakter. Onderdeel 14° stelt vrij wat wordt verkregen door een steunstichting SBBI, "voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn bestemd voor de realisatie van de doelstelling van de steunstichting" — een ander criterium, dat toetst aan de doelstelling van de steunstichting en niet aan een sociaal belang-karakter. Onderdeel 8° stelt vrij hetgeen wordt verkregen "door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen". Onderdeel 12° stelt vrij hetgeen is geschonken ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis in de zin van art. 3 van Boek 6 BW; strekt zo'n schenking tot verzorging na overlijden van de schuldenaar, dan wordt zij geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. Onderdeel 6° is vervallen.
Belangrijkste rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam oordeelde in 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:4084) dat de ontvanger van een schenking niet kwalificeerde als partner in de zin van art. 1a, lid 1, onderdeel c, SW 1956, omdat het samenlevingscontract tussen partijen geen wederzijdse zorgverplichting bevatte. Bij gebreke van die kwalificatie kon de betrokkene geen aanspraak maken op de destijds geldende verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning; die vrijstellingsvariant komt in de huidige tekst van art. 33 SW 1956 niet meer voor.
Aandachtspunten voor de praktijk
- In de zaak voor het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2021:4084) ontbrak in het samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting, waardoor de verkrijger niet kwalificeerde als partner in de zin van art. 1a, lid 1, onderdeel c, SW 1956 en geen aanspraak kon maken op de destijds geldende verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning; die variant komt in de huidige tekst van art. 33 SW 1956 niet meer voor. De uitspraak illustreert dat de inhoud van het samenlevingscontract beslissend was voor de partnerkwalificatie.
- Bij een beroep op de verhoogde ouder-kindvrijstelling van onderdeel 5° moet dit beroep in de aangifte worden gedaan; zonder die keuze geldt alleen de reguliere vrijstelling van € 6.908.
- Voor de hoogste variant (€ 69.009, studie- of opleidingskosten) gelden naast de aangiftekeuze ook ministeriële voorwaarden en de eis dat de kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk; de aangeleverde wettekst specificeert die voorwaarden niet, zodat aanvullende raadpleging nodig is voordat deze route wordt geadviseerd.
- Bij schenkingen aan ANBI's, SBBI's en steunstichtingen SBBI is de vrijstelling niet automatisch: zij vervalt voor zover aan de verkrijging een opdracht is verbonden die, naargelang de categorie, het algemeen belang-karakter (ANBI, onderdeel 4°), het sociaal belang-karakter (SBBI, onderdeel 13°) of de bestemming voor de realisatie van de doelstelling van de steunstichting (steunstichting SBBI, onderdeel 14°) aan de verkrijging ontneemt.
- Schenkingen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis vragen een aparte kwalificatietoets onder art. 3 van Boek 6 BW; strekt zo'n schenking tot verzorging na overlijden, dan wordt zij voor de toepassing van de Successiewet alsnog als erfrechtelijke verkrijging behandeld.
- Onderdeel 6° van art. 33 SW 1956 is vervallen; de aangeleverde wettekst bevat geen nadere toelichting op de vroegere inhoud van dit onderdeel.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
1 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2021:4084 (2021)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de partner niet kwalificeert als partner in de zin van artikel 1a, lid 1, onderdeel c, Successiewet omdat het samenlevingscontract geen wederzijdse zorgverplichting bevat, zodat geen verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning geldt.
Beleid en standpunten
1 bronnen in de kennisbank-
Kamerstuk 30306 nr. 16
Artikel 6.33 (giftenaftrek) wordt gewijzigd: instellingen moeten door inspecteur aangemerkt zijn en in EU, Nederlandse Antillen, Aruba of aangewezen mogendheid gevestigd.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.