Inkomstenbelasting
Fiscaal partnerschap
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Fiscaal partnerschap bepaalt wie voor de inkomstenbelasting als elkaars partner geldt, met gevolgen voor de toerekening van gemeenschappelijke inkomens- en vermogensbestanddelen tussen twee belastingplichtigen. De inkomstenbelasting heft in beginsel individueel, terwijl gehuwden en duurzaam samenwonenden hun financiën vaak gezamenlijk voeren; het partnerbegrip maakt vrije onderlinge toerekening mogelijk in plaats van een starre verdeling. De basis ligt in art. 5a AWR: huwelijk of geregistreerd partnerschap, of een notarieel samenlevingscontract in combinatie met inschrijving op hetzelfde woonadres. Voor de inkomstenbelasting breidt art. 1.2 Wet IB 2001 dit uit met vijf aanvullende, feitelijke categorieën, zodat partnerschap ook kan ontstaan zonder dat partijen daar zelf voor hebben gekozen.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer geldt iemand als fiscaal partner op grond van art. 5a AWR of art. 1.2 Wet IB 2001?
- Welke uitzonderingen sluiten partnerschap uit, en wanneer is daarvoor een verzoek nodig?
- Wat gebeurt er als iemand op grond van meerdere gronden tegelijk partner zou zijn?
- Wat is het gevolg van kwalificatie voor de toerekening van inkomen en vermogen?
- Hoe eindigt en herleeft partnerschap bij een echtscheidingsprocedure?
Hoofdgronden: huwelijk en samenlevingscontract
Partnerschap ontstaat allereerst via huwelijk of geregistreerd partnerschap: de echtgenoot is automatisch partner (art. 5a lid 1 onderdeel a AWR), ongeacht feitelijk samenwonen. Voor ongehuwd samenwonenden geldt een tweede grondslag: een notarieel samenlevingscontract, gecombineerd met inschrijving op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een vergelijkbare buitenlandse registratie (art. 5a lid 1 onderdeel b AWR). Beide elementen zijn vereist; ontbreekt het samenlevingscontract of de gezamenlijke inschrijving, dan is deze grondslag niet vervuld. Een partnerschap dat voor een deel van het jaar op deze grondslag ontstaat, werkt door naar de overige perioden van dat jaar waarin nog aan de inschrijvingsvoorwaarde is voldaan (art. 5a lid 2 AWR). Van tafel en bed gescheiden personen gelden voor deze toets als ongehuwd (art. 5a lid 3 AWR).
Aanvullende categorieën voor de inkomstenbelasting
Art. 1.2 lid 1 Wet IB 2001 breidt het partnerbegrip voor de inkomstenbelasting uit met vijf feitelijke categorieën, telkens gekoppeld aan inschrijving op hetzelfde woonadres zonder samenlevingscontract: een gezamenlijk kind of de erkenning van een kind van de ander; aanmelding als partner bij een pensioenregeling; een gezamenlijke woning die anders dan tijdelijk als hoofdverblijf dient op grond van eigendom, economisch eigendom of coöperatief lidmaatschap; inschrijving van een minderjarig kind van een van beiden op hetzelfde adres; en partnerschap in het voorafgaande kalenderjaar. Voor die laatste categorie is geen aaneengesloten periode op hetzelfde woonadres vereist (KG:202:2024:36). Ook hier geldt een continuïteitsregel: wie voor een deel van het jaar op een van deze gronden partner is, blijft dat voor de overige perioden waarin beiden op hetzelfde adres staan ingeschreven (art. 1.2 lid 2 Wet IB 2001). Een gezamenlijke woning hoeft niet aan de fiscale definitie van eigen woning te voldoen om onder de woningcategorie partnerschap te vestigen (KG:202:2024:13), en een pensioenaanmelding telt ook mee als zij niet met naam-, adres- en woonplaatsgegevens bij de pensioenuitvoerder is verwerkt (KG:202:2023:43).
Uitzonderingen en tegenbewijs
Ondanks het voldoen aan een van deze gronden geldt geen partnerschap voor een bloed- of aanverwant in de eerste graad, tenzij beiden bij de aanvang van het kalenderjaar 27 jaar of ouder zijn (art. 1.2 lid 4 onderdeel a Wet IB 2001); voor een niet-inwoner die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in art. 7.8 Wet IB 2001 is (onderdeel b); en, mits de belastingplichtige en de betrokkene daartoe in enig jaar een gezamenlijk verzoek bij de inspecteur hebben ingediend, voor een persoon jonger dan 27 jaar voor wie pleegvergoeding of kinderbijslag is ontvangen (onderdeel c). Voor huisgenoten die uitsluitend via de inschrijving van een minderjarig kind partner zouden worden, bestaat een tegenbewijsmogelijkheid: met een schriftelijke overeenkomst waaruit blijkt dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander, of dat beiden op zakelijke gronden een eigen gedeelte huren van een derde, blijft partnerschap op deze grond alsnog uit (art. 1.2 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001). Een aanverwant valt alleen onder de bloedverwant-uitsluiting na een gezamenlijk verzoek van beiden bij de inspecteur (art. 1.2 lid 8 Wet IB 2001); zonder dat verzoek werkt de uitsluiting niet automatisch door naar aanverwanten. Bij verblijf in een opvanginstelling in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 telt inschrijving van een minderjarig kind evenmin als partnerschapsgrond, mits een afschrift van de betreffende maatwerkvoorziening-beschikkingen wordt overgelegd (art. 1.2 lid 7 Wet IB 2001).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Leeftijdsgrens bloed-/aanverwant eerste graad (uitsluiting vervalt als beiden dit bereikt hebben) | 27 jaar | art. 1.2 lid 4 onderdeel a Wet IB 2001 |
| Leeftijdsgrens pleegvergoeding-/kinderbijslag-uitzondering | 27 jaar | art. 1.2 lid 4 onderdeel c Wet IB 2001 |
(wettekst geldend per 2026)
Eén partner tegelijk: de enkelvoudigheidsregel
Iemand kan op enig moment maar één partner hebben. Bij meer dan één huwelijk telt de oudste verbintenis, bij meer dan één notarieel samenlevingscontract het oudste contract, en een samenlevingscontract met meer dan één persoon telt niet mee (art. 5a lid 5 AWR). Zou de belastingplichtige op grond van de aanvullende IB-categorieën tegelijk meer dan één partner hebben, dan gaat een partnerschap dat al op grond van art. 5a AWR bestaat voor; ontbreekt zo'n partnerschap, dan telt de eerstgenoemde van de vervulde categorieën (art. 1.2 lid 3 Wet IB 2001). Bij drie meerderjarige belastingplichtigen op één woonadres zonder huwelijk of samenlevingscontract kwalificeren daardoor maximaal twee van hen, op hun onderlinge voorwaarden, als fiscale partners; niet alle drie onderling (KG:202:2023:36). Wie via een zakelijke-huurovereenkomst aan de tegenbewijsregeling voldoet, telt bij die beoordeling niet mee als partner (KG:202:2025:8).
Gevolg van kwalificatie: vrije toerekening
Fiscale partners mogen gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, zoals inkomsten uit de eigen woning, en de gezamenlijke grondslag van box 3 in elke onderlinge verhouding aan elkaar toerekenen, zolang de aanslagen van beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. Wie niet als partner kwalificeert, heeft die keuzevrijheid niet: box 3-vermogen en eigenwoninginkomsten worden dan naar de eigen, wettelijke aandelen belast. Buiten de toerekeningsvrijheid werkt partnerschap door in de berekening van regelingen die op het gezamenlijke huishouden aangrijpen, waaronder de heffingskortingen en de eigenwoningregeling. Die vrije toerekening is geen vrijbrief voor elke verdeling achteraf: in ECLI:NL:GHARL:2024:1090 verminderde het hof de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 nadat de onderlinge verhouding van de belastbare inkomsten uit eigen woning tussen partners opnieuw ter discussie stond, en in ECLI:NL:GHAMS:2021:1311 oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat de inspecteur op grond van een nieuw feit mocht navorderen en dat terecht 50% van de belastbare inkomsten uit eigen woning bij de belanghebbende in aanmerking was genomen. In ECLI:NL:GHAMS:2023:723 stond de kwalificatie als fiscaal partner zelf naast de vraag of een woning terecht als box 3-vermogen was aangemerkt en de omvang van het heffingvrij vermogen: de partnerkwalificatie kan dus als zelfstandig geschilpunt naast de onderliggende vermogensvraag worden betwist.
Duurzaam gescheiden leven en de inhoud van het samenlevingscontract
Voor de vraag of gehuwden nog partner zijn, is niet beslissend of zij een deel van het jaar geen gezamenlijke huishouding voerden. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat gehuwden gedurende (minder dan) zes maanden per jaar geen gezamenlijke huishouding voerden, onvoldoende is om als duurzaam gescheiden levend te gelden: vereist is dat ieder van beiden afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet gehuwd was, en dat dit door hen als blijvend is bedoeld (ECLI:NL:HR:2010:BL7267). In dezelfde uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat een ander kwalificatiecriterium voor gehuwden dan voor ongehuwd samenwonenden niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat echtgenoten een afdwingbare wettelijke zorgverplichting jegens elkaar hebben. Bij ongehuwd samenwonenden telt daarom niet alleen of een samenlevingscontract bestaat, maar ook de inhoud ervan: het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat geen sprake was van partnerschap in de zin van art. 1a lid 1 onderdeel c Successiewet omdat het samenlevingscontract geen wederzijdse zorgverplichting bevatte, waardoor de verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning niet gold (ECLI:NL:GHAMS:2021:4084).
Beëindiging en herleving bij echtscheiding
Partnerschap op grond van huwelijk eindigt niet automatisch bij feitelijke scheiding. Art. 5a lid 4 AWR vereist dat een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is ingediend én dat de echtgenoten niet langer op hetzelfde woonadres staan ingeschreven; beide voorwaarden moeten gelijktijdig vervuld zijn voordat het partnerschap eindigt. Blijft de echtscheidingsbeschikking langer dan twee jaar na de uitspraak ongeregistreerd in de registers van de burgerlijke stand, dan herleeft het partnerschap (KG:202:2023:3); hetzelfde geldt als de (ex-)echtgenoten weer gaan samenwonen voordat de echtscheiding is uitgesproken (KG:202:2023:1), of als het echtscheidingsverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat het huwelijk dan nooit is opgeheven (KG:202:2023:2). Een geregistreerd partnerschap dat met wederzijds goedvinden wordt beëindigd, eindigt fiscaal al op het moment dat beide partners de beëindigingsovereenkomst ondertekenen (KG:202:2023:4). Voor partners op grond van een samenlevingscontract blijft de partnerstatus daarnaast in stand als de gezamenlijke inschrijving wegvalt door opname in een verpleeg- of verzorgingshuis om medische of ouderdomsredenen, tenzij een van beiden dit schriftelijk aan de inspecteur meldt (art. 5a lid 7 AWR).
Procedure: automatische kwalificatie en verzoeken
Voor de meeste gronden, huwelijk, samenlevingscontract, gezamenlijk kind, gezamenlijke woning of pensioenaanmelding, is geen aparte aanvraag nodig: de kwalificatie volgt automatisch uit de inschrijving in de basisregistratie personen in combinatie met de burgerlijke staat of de feitelijke omstandigheid. Alleen voor de uitzonderingssituaties is een actief verzoek vereist: het tegenbewijsverzoek bij zakelijke kamerverhuur, het gezamenlijk verzoek van pleegouder en pleegkind of kinderbijslagontvanger om niet als partners te gelden, en het gezamenlijk verzoek van aanverwanten om de bloedverwant-uitsluiting te laten gelden. Op elk van deze verzoeken beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking, zodat bezwaar en beroep openstaat tegen een afwijzing (art. 1.2 lid 10 Wet IB 2001). De uitkomst werkt automatisch door naar de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zodat voor toeslagen niet afzonderlijk hoeft te worden verzocht (art. 1.2 lid 9 Wet IB 2001).
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij ongehuwd samenwonenden zijn zowel het notarieel samenlevingscontract als de gelijktijdige inschrijving op hetzelfde woonadres vereist (art. 5a lid 1 onderdeel b AWR).
- Bij een bestaand samenlevingscontract telt de inhoud, zoals een wederzijdse zorgverplichting, mee voor aanpalende regelingen waarvoor partnerschap een deelvoorwaarde is.
- Bij inschrijving van een minderjarig kind van een huisgenoot geldt de tegenbewijsmogelijkheid alleen na een verzoek, onderbouwd met een schriftelijke huurovereenkomst.
- Bij drie of meer meerderjarigen op één woonadres zonder samenlevingscontract of huwelijk kwalificeren maximaal twee van hen onderling als fiscale partners.
- Bij een echtscheidingstraject moeten het moment van het verzoek en het moment van uitschrijving van hetzelfde adres gelijktijdig vervuld zijn voordat het partnerschap eindigt; anders herleeft het.
- Bij een pensioenaanmelding is niet doorslaggevend of deze ook met NAW-gegevens bij de pensioenuitvoerder is verwerkt.
Recente ontwikkelingen
- 2023 (26 januari): kennisgroepstandpunten over het herleven van partnerschap tijdens een echtscheidingsprocedure: bij hersamenwoning vóór de uitspraak (KG:202:2023:1), bij een niet-ontvankelijk verklaard echtscheidingsverzoek (KG:202:2023:2), en bij een niet binnen twee jaar na de uitspraak ingeschreven echtscheidingsbeschikking (KG:202:2023:3).
- 2023: kennisgroepstandpunt over het einde van fiscaal partnerschap bij beëindiging van een geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden, op het moment van ondertekening van de beëindigingsovereenkomst (KG:202:2023:4).
- 2023: kennisgroepstandpunt over drie meerderjarige belastingplichtigen op één woonadres zonder samenlevingscontract: maximaal twee van hen kwalificeren als fiscale partners (KG:202:2023:36).
- 2023: kennisgroepstandpunt dat een pensioenaanmelding als partner ook telt zonder verwerking van NAW-gegevens bij de pensioenuitvoerder (KG:202:2023:43).
- 2024: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 in een geschil over de onderlinge toerekening van inkomsten uit eigen woning tussen fiscale partners (ECLI:NL:GHARL:2024:1090).
- 2024: kennisgroepstandpunt dat een gezamenlijke woning van mede-eigenaars geen eigen woning in de zin van art. 3.111 Wet IB 2001 hoeft te zijn om partnerschap op grond van art. 1.2 lid 1 onderdeel d Wet IB 2001 te vestigen (KG:202:2024:13).
- 2024: kennisgroepstandpunt over de partnerschapsfictie bij de inkomensafhankelijke combinatiekorting: van toepassing bij ten minste zes maanden samenwonen en een gezamenlijke huishouding, ook zonder BRP-inschrijving op hetzelfde adres (KG:202:2024:16).
- 2024: kennisgroepstandpunt dat voor partnerschap op grond van het voorafgaande kalenderjaar (art. 1.2 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001) geen aaneengesloten periode op hetzelfde woonadres is vereist (KG:202:2024:36).
- 2025: kennisgroepstandpunt over meerdere belastingplichtigen op één woonadres in combinatie met een minderjarig kind en een zakelijke huurovereenkomst: wie aan de zakelijke-huur-uitzondering voldoet, is geen partner (KG:202:2025:8).
- 2025: het Gerechtshof Amsterdam beoordeelt na een echtscheidingsconvenant welk bedrag aan rente en kosten van eigenwoningschulden in aanmerking wordt genomen en of recht bestaat op aftrek wegens een onderhoudsverplichting (ECLI:NL:GHAMS:2025:1852).
- 2025: de Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU of Nederland als voormalige werkstaat op grond van art. 45 VWEU en de Schumacker-doctrine rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezeten belastingplichtige in Frankrijk (ECLI:NL:HR:2025:1158).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
- Art. 1.2 Wet IB 2001: Uitbreiding en beperking partnerregeling
- Art. 5a AWR
Belangrijkste rechtspraak
17 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2025:1852 (2025)
De zaak betreft welk bedrag aan rente en kosten van geldleningen voor de eigen woning in aanmerking moet worden genomen op grond van het echtscheidingsconvenant, en of belanghebbende recht heeft op aftrek wegens een onderhoudsverplichting, nadat de rechtbank het beroep ongegrond had verklaard.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:4084 (2021)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de partner niet kwalificeert als partner in de zin van artikel 1a, lid 1, onderdeel c, Successiewet omdat het samenlevingscontract geen wederzijdse zorgverplichting bevat, zodat geen verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning geldt.
-
ECLI:NL:HR:2025:1158 (2025)
De zaak betreft of Nederland als (voormalige) werkstaat op grond van art. 45 VWEU en de Schumacker-doctrine rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezeten belastingplichtige in Frankrijk; de Hoge Raad stelt hierover prejudiciële vragen.
-
ECLI:NL:HR:2022:1121 (2022)
De Hoge Raad stelt het Hof van Justitie EU prejudiciële vragen over de uitleg van het Lexel-arrest voor de toepassing van art. 10a lid 1 letter c Wet Vpb, met name of renteaftrek moet worden toegestaan wanneer de rente op de lening zelf at arm's length is.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:774 (2020)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat het hoger beroep tegen vaststelling van het belastbare inkomen uit eigen woning ongegrond is; een onbillijke uitkomst rechtvaardigt geen afwijking van de Wet IB 2001, want de hardheidsclausule is voorbehouden aan de Minister van Financiën.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:1090 (2024)
De zaak betreft de vraag of en in hoeverre fiscale partners de onderlinge verhouding van de belastbare inkomsten uit eigen woning nog konden wijzigen; het hof vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.408.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:723 (2023)
De zaak betreft of belanghebbende en een ander voor het jaar 2016 fiscale partners zijn, of een woning terecht als box 3-vermogen is aangemerkt, of het box 3-vermogen te hoog is vastgesteld en of belanghebbende aanspraak kan maken op heffingvrij vermogen.
-
ECLI:NL:RBGEL:2018:1697 (2018)
Bij een meerrelatie zonder notarieel samenlevingscontract is de verkrijger geen partner voor de erfbelasting; het beroep op het gelijkheidsbeginsel met de inkomstenbelasting faalt omdat een notarieel samenlevingscontract ontbreekt en de gevallen niet gelijk zijn.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:1311 (2021)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur op grond van een nieuw feit mocht navorderen en dat in de navorderingsaanslagen terecht 50 procent van de belastbare inkomsten uit eigen woning bij de belanghebbende in aanmerking is genomen.
-
ECLI:NL:GHARL:2022:5910 (2022)
Het hof vernietigt de aanslag erfbelasting en oordeelt dat belanghebbende, die na het overlijden van de echtgenoot van erflaatster met erflaatster is blijven samenwonen zonder notarieel samenlevingscontract, recht heeft op de partnervrijstelling.
Beleid en standpunten
54 bronnen in de kennisbank-
KG:202:2025:8 (2025)
Standpunt: A en C zijn fiscaal partners als beide ingeschreven op hetzelfde adres; B die op basis van schriftelijke zakelijke huurovereenkomst voldoet aan de uitzondering, vormt geen partnerschap.
-
KG:202:2024:36 (2024)
Standpunt: Voor fiscaal partnerschap artikel 1.2 lid f Wet IB 2001 is geen aaneengesloten periode op hetzelfde woonadres vereist.
-
KG:202:2024:13 (2024)
Standpunt: Een gezamenlijke woning waarvan twee personen mede-eigenaar zijn hoeft geen eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 te zijn om fiscaal partnerschap van artikel 1.2 Wet IB 2001 te vormen.
-
KG:202:2023:36 (2023)
Standpunt: Fiscale partners voor inkomstenbelasting zijn uitsluitend gehuwde personen of meerderjarige samenwonenden met notarieel samenlevingscontract op hetzelfde woonadres. Bij drie volwassenen op één adres zonder dergelijke akten zijn alleen twee personen (op hun onderlinge voorwaarden) fiscale partners.
-
KG:202:2023:43 (2023)
Standpunt: Een persoon kwalificeert als fiscale partner voor pensioenregelingen op grond van artikel 1.2 Wet IB 2001 indien deze op hetzelfde woonadres staat ingeschreven en voor pensioentoepassing als partner is aangemeld, ongeacht of die aanmelding bij de pensioenuitvoerder plaatsvindt.
-
KG:202:2024:16 (2024)
Standpunt: De partnerschapsfictie voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor personen die ten minste zes maanden samen wonen en gezamenlijke huishouding voeren, ook zonder inschrijving op hetzelfde adres in de BRP.
-
KG:202:2023:3 (2023)
Standpunt: Fiscaal partnerschap wordt onderbroken tijdens een echtscheidingsprocedure, maar herleeft als de beschikking niet binnen twee jaar na uitspraak in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.
-
KG:202:2023:2 (2023)
Standpunt: Bij niet-ontvankelijkverklaring van een echtscheidingsverzoek die onherroepelijk is geworden, ontstaat fiscaal partnerschap opnieuw, omdat het huwelijk nooit is opgeheven en de partners opnieuw als echtgenoten gelden.
-
KG:202:2023:1 (2023)
Standpunt: Fiscaal partnerschap bestaat tot indiening echtscheidingsverzoek en herleeft bij hersamenwoning vóór echtscheiding, ongeacht uitspraak van de rechter.
-
KG:202:2023:4 (2023)
Standpunt: Fiscaal partnerschap eindigt op het moment dat beide partners de beëindigingsovereenkomst voor hun geregistreerd partnerschap hebben ondertekend. Verdere administratieve stappen zijn niet vereist.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.