Inkomstenbelasting
Fiscaal partnerschap
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Fiscaal partnerschap bepaalt wie voor de inkomstenbelasting als elkaars partner geldt en welke fiscale gevolgen daaraan zijn verbonden. De kwalificatie volgt uit huwelijk, een notarieel samenlevingscontract, of een reeks aanvullende criteria zoals een gezamenlijk kind, een gezamenlijke eigen woning of een pensioenaanmelding als partner; bij een deel van die criteria is een verzoek of aanmelding van de belastingplichtige zelf onderdeel van de kwalificatie. De kwalificatie werkt door in de vrije toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen.
Het basisbegrip staat in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en wordt voor de inkomstenbelasting uitgebreid met extra categorieën die niet op een notariële akte zijn gebaseerd, maar op feitelijke omstandigheden zoals inschrijving op hetzelfde woonadres in combinatie met een kind, een woning of een pensioenaanmelding. Die uitbreiding brengt mee dat partnerschap soms ontstaat zonder dat partijen daar zelf voor hebben gekozen, terwijl er tegelijk uitzonderingen en tegenbewijsregelingen bestaan om bepaalde gevallen (bijvoorbeeld kamerverhuur) buiten het partnerbegrip te houden.
Omdat de kwalificatie in de tijd kan wijzigen (aanvang, beëindiging, heractivering na echtscheidingsprocedures) en meerdere regelingen aan het partnerbegrip raken, is de vaststelling ervan vaak een geschilpunt op zichzelf, los van de onderliggende inkomens- of vermogensvraag.
Wanneer speelt dit
De vraag of iemand fiscaal partner is, komt onder meer op bij: samenwonenden die overwegen een notarieel samenlevingscontract te sluiten of juist niet; ouders die op hetzelfde woonadres staan ingeschreven en een gezamenlijk kind hebben of voor elkaar een kind hebben erkend; huisgenoten bij wie op hetzelfde adres een minderjarig kind van een van beiden staat ingeschreven; mede-eigenaars van een woning die gezamenlijk als hoofdverblijf dient; deelnemers aan een pensioenregeling die een partner hebben aangemeld; en (ex-)echtgenoten tijdens of na een echtscheidingsprocedure. Ook bij toerekening van inkomsten uit eigen woning tussen partners, en bij de vraag of een samenlevingscontract aan de voorwaarden voldoet voor aanpalende regelingen, is de kwalificatie van fiscaal partnerschap een startpunt.
Wettelijk kader
Het basisbegrip staat in art. 5a AWR. Lid 1 merkt als partner aan "de echtgenoot" (onderdeel a) of "de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland" (onderdeel b). Partnerschap vereist voor ongehuwden dus zowel een notarieel samenlevingscontract als inschrijving op hetzelfde woonadres. Lid 5 bepaalt dat iemand op enig moment slechts één partner kan hebben; bij meerdere huwelijken telt de oudste verbintenis, bij meerdere samenlevingscontracten het oudste contract. Lid 4 regelt dat partnerschap eindigt zodra een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend én de persoon niet meer op hetzelfde adres staat ingeschreven; lid 7 bepaalt dat partnerschap op grond van een samenlevingscontract blijft bestaan als de gezamenlijke inschrijving wegvalt door opname in een verpleeg- of verzorgingshuis om medische of ouderdomsredenen, tenzij een van beiden dit schriftelijk beëindigt.
Art. 1.2 Wet IB 2001 breidt dit begrip voor de inkomstenbelasting uit met een reeks aanvullende categorieën voor wie op hetzelfde woonadres staat ingeschreven, waaronder: een gezamenlijk kind of erkenning van een kind (onderdelen a en b), aanmelding als partner bij een pensioenregeling (onderdeel c), een gezamenlijke woning die anders dan tijdelijk als hoofdverblijf dient op grond van eigendom of coöperatief lidmaatschap (onderdeel d), inschrijving van een minderjarig kind van een van beiden op hetzelfde adres (onderdeel e, met een tegenbewijsregeling via een schriftelijke zakelijke huurovereenkomst), en partnerschap in het voorafgaande kalenderjaar (onderdeel f). Lid 4 sluit uitdrukkelijk uit: bloed- of aanverwanten in de eerste graad tenzij beiden bij aanvang van het jaar 27 jaar of ouder zijn, niet-inwoners die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zijn, en personen jonger dan 27 jaar voor wie de belastingplichtige pleegvergoeding of kinderbijslag heeft ontvangen, mits een gezamenlijk verzoek is ingediend om niet als partners te worden aangemerkt. Lid 3 kent, net als art. 5a AWR, een enkelvoudigheidsregel voor het geval iemand op grond van lid 1 meerdere partners zou hebben.
Belangrijkste rechtspraak
In ECLI:NL:GHAMS:2021:4084 (2021) oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat geen sprake was van partnerschap in de zin van art. 1a lid 1 onderdeel c Successiewet omdat het samenlevingscontract geen wederzijdse zorgverplichting bevatte, waardoor de verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning niet gold. De inhoud van het contract, niet alleen het bestaan ervan, was dus bepalend.
De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2010:BL7267 (2010) dat een ander kwalificatiecriterium voor fiscaal partnerschap bij ongehuwden dan bij gehuwden, waarbij een gemeenschappelijke huishouding geen onderscheidend criterium is voor gehuwden, niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en geen inbreuk vormt op de vrijheid van godsdienst.
In ECLI:NL:GHAMS:2023:723 (2023) stond onder meer de vraag centraal of belanghebbende en een ander voor het betreffende jaar fiscale partners waren, naast de kwalificatie van een woning als box 3-vermogen en de omvang van het heffingvrij vermogen; de partnerkwalificatie speelde hier dus als zelfstandig geschilpunt naast de vermogensvragen.
In ECLI:NL:GHARL:2024:1090 (2024) ging het om de vraag of en in hoeverre fiscale partners de onderlinge verhouding van de belastbare inkomsten uit eigen woning nog konden wijzigen; het hof verminderde de navorderingsaanslag IB/PVV 2018.
Aandachtspunten voor de praktijk
Bij ongehuwd samenwonenden zijn voor partnerschap op grond van art. 5a lid 1 onderdeel b AWR beide elementen van belang: zowel het notarieel samenlevingscontract als de gelijktijdige inschrijving op hetzelfde woonadres zijn vereist; het ontbreken van één van beide sluit partnerschap op die grondslag uit. Bij een bestaand samenlevingscontract is van belang of de inhoud (zoals een wederzijdse zorgverplichting) aansluit bij de voorwaarden van aanpalende regelingen waarvoor partnerschap een deelvoorwaarde is; het enkele bestaan van een contract voldoet niet vanzelfsprekend aan die voorwaarden. Bij inschrijving van een minderjarig kind van een van beide huisgenoten op hetzelfde adres (art. 1.2 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001) geldt de tegenbewijsmogelijkheid alleen na een verzoek van de belastingplichtige, onderbouwd met een schriftelijke huurovereenkomst waaruit blijkt dat op zakelijke gronden een gedeelte van de woning wordt gehuurd; de inspecteur beslist op dat verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Bij samengestelde huishoudens met meerdere volwassenen op één adres speelt de enkelvoudigheidsregel: iemand kan op enig moment maar één fiscaal partner hebben. Bij echtscheidingstrajecten zijn het moment van indiening van het verzoek en het moment van uitschrijving van hetzelfde adres afzonderlijk van belang, omdat beide voorwaarden van art. 5a lid 4 AWR gelijktijdig vervuld moeten zijn voordat het partnerschap eindigt.
Recente ontwikkelingen
De Belastingdienst-kennisgroep publiceerde in mei 2025 (KG:202:2025:8) een standpunt over meerdere belastingplichtigen op één woonadres in combinatie met een minderjarig kind en een zakelijke huurovereenkomst: wie op hetzelfde adres staat ingeschreven kan fiscaal partner zijn, terwijl een huisgenoot die aan de zakelijke-huur-uitzondering voldoet, dat niet is. Dit sluit aan bij eerdere kennisgroepstandpunten over grensgevallen van het partnerbegrip bij meerdere bewoners op één adres, en laat zien dat de tegenbewijsregeling van art. 1.2 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001 actief wordt toegepast.
Kernartikelen
- Art. 1.2 Wet IB 2001 — Art. 1.2 Wet IB 2001: Uitbreiding en beperking partnerregeling
- Art. 5a AWR
Belangrijkste rechtspraak
14 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHAMS:2025:1852 (2025)
De zaak betreft welk bedrag aan rente en kosten van geldleningen voor de eigen woning in aanmerking moet worden genomen op grond van het echtscheidingsconvenant, en of belanghebbende recht heeft op aftrek wegens een onderhoudsverplichting, nadat de rechtbank het beroep ongegrond had verklaard.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:4084 (2021)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de partner niet kwalificeert als partner in de zin van artikel 1a, lid 1, onderdeel c, Successiewet omdat het samenlevingscontract geen wederzijdse zorgverplichting bevat, zodat geen verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning geldt.
-
ECLI:NL:HR:2025:1158 (2025)
De zaak betreft of Nederland als (voormalige) werkstaat op grond van art. 45 VWEU en de Schumacker-doctrine rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een niet-ingezeten belastingplichtige in Frankrijk; de Hoge Raad stelt hierover prejudiciële vragen.
-
ECLI:NL:HR:2022:1121 (2022)
De Hoge Raad stelt het Hof van Justitie EU prejudiciële vragen over de uitleg van het Lexel-arrest voor de toepassing van art. 10a lid 1 letter c Wet Vpb, met name of renteaftrek moet worden toegestaan wanneer de rente op de lening zelf at arm's length is.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:774 (2020)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat het hoger beroep tegen vaststelling van het belastbare inkomen uit eigen woning ongegrond is; een onbillijke uitkomst rechtvaardigt geen afwijking van de Wet IB 2001, want de hardheidsclausule is voorbehouden aan de Minister van Financiën.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:1090 (2024)
De zaak betreft de vraag of en in hoeverre fiscale partners de onderlinge verhouding van de belastbare inkomsten uit eigen woning nog konden wijzigen; het hof vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.408.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:723 (2023)
De zaak betreft of belanghebbende en een ander voor het jaar 2016 fiscale partners zijn, of een woning terecht als box 3-vermogen is aangemerkt, of het box 3-vermogen te hoog is vastgesteld en of belanghebbende aanspraak kan maken op heffingvrij vermogen.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:1311 (2021)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur op grond van een nieuw feit mocht navorderen en dat in de navorderingsaanslagen terecht 50 procent van de belastbare inkomsten uit eigen woning bij de belanghebbende in aanmerking is genomen.
-
ECLI:NL:HR:2010:BL7267 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat het hanteren van een ander criterium voor fiscaal partnerschap bij ongehuwden dan bij echtgenoten, waarbij het voeren van een gemeenschappelijke huishouding niet als onderscheidend criterium geldt voor gehuwden, niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en geen inbreuk vormt op de vrijheid van godsdienst.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:584 (2022)
Het Hof oordeelt dat de door de inspecteur bij informatiebeschikking gevraagde gegevens van belang zijn voor de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017, dat de inspecteur dit aannemelijk heeft gemaakt, en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Beleid en standpunten
45 bronnen in de kennisbank-
KG:202:2025:8 (2025)
Standpunt: A en C zijn fiscaal partners als beide ingeschreven op hetzelfde adres; B die op basis van schriftelijke zakelijke huurovereenkomst voldoet aan de uitzondering, vormt geen partnerschap.
-
KG:202:2024:36 (2024)
Standpunt: Voor fiscaal partnerschap artikel 1.2 lid f Wet IB 2001 is geen aaneengesloten periode op hetzelfde woonadres vereist.
-
KG:202:2024:13 (2024)
Standpunt: Een gezamenlijke woning waarvan twee personen mede-eigenaar zijn hoeft geen eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 te zijn om fiscaal partnerschap van artikel 1.2 Wet IB 2001 te vormen.
-
KG:202:2023:36 (2023)
Standpunt: Fiscale partners voor inkomstenbelasting zijn uitsluitend gehuwde personen of meerderjarige samenwonenden met notarieel samenlevingscontract op hetzelfde woonadres. Bij drie volwassenen op één adres zonder dergelijke akten zijn alleen twee personen (op hun onderlinge voorwaarden) fiscale partners.
-
KG:202:2023:43 (2023)
Standpunt: Een persoon kwalificeert als fiscale partner voor pensioenregelingen op grond van artikel 1.2 Wet IB 2001 indien deze op hetzelfde woonadres staat ingeschreven en voor pensioentoepassing als partner is aangemeld, ongeacht of die aanmelding bij de pensioenuitvoerder plaatsvindt.
-
KG:202:2024:16 (2024)
Standpunt: De partnerschapsfictie voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor personen die ten minste zes maanden samen wonen en gezamenlijke huishouding voeren, ook zonder inschrijving op hetzelfde adres in de BRP.
-
KG:202:2023:3 (2023)
Standpunt: Fiscaal partnerschap wordt onderbroken tijdens een echtscheidingsprocedure, maar herleeft als de beschikking niet binnen twee jaar na uitspraak in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.
-
KG:202:2023:2 (2023)
Standpunt: Bij niet-ontvankelijkverklaring van een echtscheidingsverzoek die onherroepelijk is geworden, ontstaat fiscaal partnerschap opnieuw, omdat het huwelijk nooit is opgeheven en de partners opnieuw als echtgenoten gelden.
-
KG:202:2023:1 (2023)
Standpunt: Fiscaal partnerschap bestaat tot indiening echtscheidingsverzoek en herleeft bij hersamenwoning vóór echtscheiding, ongeacht uitspraak van de rechter.
-
KG:202:2023:4 (2023)
Standpunt: Fiscaal partnerschap eindigt op het moment dat beide partners de beëindigingsovereenkomst voor hun geregistreerd partnerschap hebben ondertekend. Verdere administratieve stappen zijn niet vereist.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.