Inkomstenbelasting

Heffingskortingen

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Heffingskortingen verminderen de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen zelf, niet het belastbare inkomen waarover die wordt berekend: ze grijpen aan op de heffing, niet op de grondslag. De standaardheffingskorting (art. 8.2 Wet IB 2001) is de optelsom van alle deelkortingen waarop een belastingplichtige recht heeft; na de gebruikelijke splitsing tussen inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen heet dat bedrag de gecombineerde heffingskorting. De twee kortingen die in de praktijk het meest spelen zijn de algemene heffingskorting, die voor iedere belastingplichtige geldt (art. 8.10 Wet IB 2001), en de arbeidskorting, die is voorbehouden aan wie arbeidsinkomen geniet (art. 8.11 Wet IB 2001); beide zijn inkomensafhankelijk vormgegeven en worden vanaf een drempel afgebouwd. In de praktijk is het samenspel tussen wonen, werken en (gedeeltelijke) belastingplicht in Nederland een belangrijke bron van geschillen over heffingskortingen, naast de vraag welke inkomensbestanddelen als arbeidsinkomen gelden.

Dit thema beantwoordt:

  • Hoe werkt een heffingskorting als vermindering van de verschuldigde heffing, en waar zit de grens van art. 8.8?
  • Wie komt voor welke deelkorting in aanmerking en hoe worden de bedragen opgebouwd en afgebouwd?
  • Wat telt wel en niet als arbeidsinkomen voor de arbeidskorting?
  • Hoe werken heffingskortingen door bij een deel van het jaar binnenlandse belastingplicht, of bij vrijgesteld buitenlands inkomen?
  • Wat is de aanvullende regeling voor de minstverdienende partner van art. 8.9?

Werking: vermindering van de heffing, begrensd op wat verschuldigd is

Elke deelkorting werkt als een vermindering van de verschuldigde gecombineerde inkomensheffing, niet als aftrekpost op het inkomen. Art. 8.2 Wet IB 2001 somt op welke deelkortingen samen de standaardheffingskorting vormen: naast de algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn dat onder meer de inkomensafhankelijke combinatiekorting, de jonggehandicaptenkorting, de ouderenkorting en de alleenstaande-ouderenkorting. Art. 8.3 tot en met 8.6 Wet IB 2001 splitsen dat bedrag naar evenredigheid van het tarief eerste schijf en de premiepercentages AOW, Anw en Wlz, in een IB-deel en drie premiedelen. Art. 8.8 Wet IB 2001 begrenst de gecombineerde heffingskorting op het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing die daadwerkelijk verschuldigd is: een korting kan de verschuldigde belasting en premie tot nihil terugbrengen, maar niet tot een negatief bedrag leiden. Art. 8.7 Wet IB 2001 bevat daarnaast een bijzondere regel voor het aan de AOW toe te rekenen deel van de ouderenkorting, de alleenstaande-ouderenkorting en de korting voor groene beleggingen. Sinds de invoering van de Wet IB 2001 is de opzet van hoofdstuk 8 grotendeels hetzelfde gebleven, maar is de lijst van deelkortingen via achtereenvolgende Belastingplannen sterk uitgedund: kortingen zoals de werkbonus (art. 8.12), de combinatiekorting (art. 8.14) en verschillende ouderkorting-varianten (art. 8.14b, 8.15, 8.16, 8.18a) zijn tussen 2009 en 2018 vervallen, terwijl de resterende kortingen, algemene heffingskorting en arbeidskorting voorop, juist herhaaldelijk in hoogte en afbouwtraject zijn aangepast.

Wie komt voor welke korting in aanmerking

De algemene heffingskorting (art. 8.10 Wet IB 2001) geldt voor iedere belastingplichtige, ongeacht of arbeid wordt verricht; de arbeidskorting (art. 8.11 Wet IB 2001) geldt uitsluitend voor wie arbeidsinkomen geniet, zijnde winst uit onderneming, loon of resultaat uit overige werkzaamheden, genoten met tegenwoordige arbeid (art. 8.1 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001). Daarnaast kent de wet de inkomensafhankelijke combinatiekorting (art. 8.14a Wet IB 2001), die geldt bij een arbeidsinkomen boven een drempel, een kind jonger dan 12 jaar dat ten minste zes maanden tot het huishouden behoort, en het ontbreken van een partner met een hoger arbeidsinkomen; de jonggehandicaptenkorting (art. 8.16a Wet IB 2001), voor wie recht heeft op een Wajong-uitkering of -arbeidsondersteuning tenzij voor diezelfde belastingplichtige al de ouderenkorting geldt; de ouderenkorting (art. 8.17 Wet IB 2001), voor wie bij het einde van het kalenderjaar, of het einde van de belastingplicht, de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; en de alleenstaande-ouderenkorting (art. 8.18 Wet IB 2001), voor wie in aanmerking komt, of zonder de partnervoorwaarde in aanmerking zou komen, voor de AOW-alleenstaandenuitkering.

De algemene heffingskorting bedraagt een vast bedrag van € 3.115, dat vanaf een verzamelinkomen van € 29.736 met 6,398% wordt afgebouwd tot nihil (art. 8.10 lid 2 Wet IB 2001). De arbeidskorting bouwt in drie schijven op tot een maximum van € 5.685 en wordt vanaf een arbeidsinkomen van € 45.592 met 6,51% afgebouwd tot nihil (art. 8.11 lid 2 Wet IB 2001); voor wie niet meer dan dat bedrag aan arbeidsinkomen geniet, geldt bovendien een ondergrens die aansluit bij de arbeidskorting die al via de loonbelastingtabellen van art. 25 lid 2 Wet LB 1964 is toegekend op grond van art. 22a Wet LB 1964. De inkomensafhankelijke combinatiekorting bouwt op met 11,45% van het arbeidsinkomen boven € 6.239 tot een maximum van € 3.032, zonder verdere afbouw (art. 8.14a lid 1-2 Wet IB 2001); de ouderenkorting van € 2.067 wordt afgebouwd met 15% van het verzamelinkomen boven € 46.002 tot nihil (art. 8.17 lid 2 Wet IB 2001). De jonggehandicaptenkorting bedraagt een vast bedrag van € 923 zonder afbouw (art. 8.16a lid 2 Wet IB 2001); de alleenstaande-ouderenkorting € 540, eveneens zonder afbouw (art. 8.18 lid 2 Wet IB 2001).

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Algemene heffingskorting€ 3.115, afgebouwd met 6,398% van het verzamelinkomen boven € 29.736 tot nihilart. 8.10 lid 2 Wet IB 2001
Arbeidskorting (maximum)€ 5.685 na drie opbouwschijven, afgebouwd met 6,51% van het arbeidsinkomen boven € 45.592 tot nihilart. 8.11 lid 2 Wet IB 2001
Inkomensafhankelijke combinatiekorting (maximum)€ 3.032, opgebouwd met 11,45% van het arbeidsinkomen boven € 6.239, geen verdere afbouwart. 8.14a lid 1-2 Wet IB 2001
Ouderenkorting€ 2.067, afgebouwd met 15% van het verzamelinkomen boven € 46.002 tot nihilart. 8.17 lid 2 Wet IB 2001
Jonggehandicaptenkorting€ 923, geen afbouwart. 8.16a lid 2 Wet IB 2001
Alleenstaande-ouderenkorting€ 540, geen afbouwart. 8.18 lid 2 Wet IB 2001

(wettekst geldend per 2026)

Arbeidsinkomen: reikwijdte en grensgevallen

Naast winst, loon en resultaat uit overige werkzaamheden rekent art. 8.1 lid 2 Wet IB 2001 onder meer tot het arbeidsinkomen: loon bij tijdelijke inactiviteit (art. 7:628 BW, voor maximaal 104 weken), garantieloon (art. 7:628a lid 1, 3 en 8 BW), loon bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid (art. 7:629 BW) met bijbehorende Ziektewet-uitkeringen vóór het einde van de dienstbetrekking, en uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) met de aanvullingen daarop door de werkgever. Buiten deze opsomming ligt het lastiger. De Hoge Raad oordeelde dat een boventallige, van arbeid vrijgestelde werknemer geen recht heeft op de arbeidskorting, en dat interne compensatie van de vermindering van inkomstenbelasting met het premiedeel van die arbeidskorting niet mogelijk is (ECLI:NL:HR:2014:165). Ook oordeelde de Hoge Raad dat het begrip arbeidsinkomen in art. 8.1 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001 niet zo moet worden uitgelegd dat daaronder buitenlands inkomen valt dat een niet-inwoner na emigratie heeft genoten en dat niet in Nederland belastbaar is (ECLI:NL:HR:2021:1893).

Grensoverschrijdende situaties: wonen, werken en tijdsevenredigheid

Bij een deel van het jaar binnenlandse belastingplicht of premieplicht, zoals bij emigratie, immigratie of overlijden, wordt met name het premiedeel van de heffingskortingen tijdsevenredig herrekend naar de periode van daadwerkelijke premieplicht; zie ook fiscale woonplaats. Voor een buitenlandse belastingplichtige die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is, wordt de ouderenkorting binnen de heffingskorting voor de volksverzekeringen vastgesteld op basis van het binnenlandse inkomen uit werk en woning, en tijdsevenredig verminderd naar de periode van premieplicht in het jaar (ECLI:NL:HR:2024:470). Voor wie slechts een deel van het jaar in Nederland belastingplichtig is, beschrijft de Hoge Raad in een prejudiciële beslissing hoe het IB-deel en het premiedeel van zowel de arbeidskorting als de inkomensafhankelijke combinatiekorting in dat geval worden berekend (ECLI:NL:HR:2024:1660). Ook bij zuiver binnenlandse belastingplicht kan een grensoverschrijdend element spelen: het verminderen van de algemene heffingskorting op grond van art. 8.10 lid 2 Wet IB 2001 met inachtneming van het vrijgestelde EU-salaris van een ambtenaar komt feitelijk neer op een indirecte heffing over dat salaris, en is daarom in strijd met artikel 12 van het EU-immuniteitenprotocol (ECLI:NL:HR:2019:1221); dezelfde vraag over de ouderenkorting bij EU-inkomen speelde in feitelijke aanleg bij het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:2288).

Verhoging voor de minstverdienende partner (art. 8.9)

Voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1 januari 1963 en die in het kalenderjaar meer dan zes maanden dezelfde partner hebben, kent art. 8.9 Wet IB 2001 binnen het fiscaal partnerschap een aanvullende verhoging: komt de eigen gecombineerde heffingskorting door de begrenzing van art. 8.8 onder het toetsniveau van de eigen algemene heffingskorting uit, dan wordt deze verhoogd tot dat niveau, met als maximum de gecombineerde inkomensheffing van de partner verminderd met diens eigen gecombineerde heffingskorting. Deze afbouw voor de minstverdienende partner is niet van elke redelijke grond ontbloot en niet in strijd met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol EVRM (ECLI:NL:HR:2018:429). Art. 8.9a Wet IB 2001 bevat daarnaast een aanvullende verhoging van het IB-deel voor niet-premieplichtigen die de verhoging van art. 8.9 niet volledig zouden kunnen verzilveren, gemaximeerd op wat de partner aan belasting en premie verschuldigd zou zijn na aftrek van diens eigen gecombineerde heffingskorting. Voor jongere partners is deze aflopende regeling al niet meer aan de orde.

Procedure

Heffingskortingen worden niet afzonderlijk aangevraagd; ze worden verwerkt bij de aangifte IB/PVV en, voor de arbeidskorting, deels al gedurende het jaar ingehouden via de loonbelastingtabellen bij de werkgever of uitkeringsinstantie. Een werknemer met meerdere inkomstenbronnen kan de loonheffingskorting maar bij één inhoudingsplichtige tegelijk laten toepassen; bij de aangifte wordt de definitieve, jaarlijkse korting berekend en verrekend met wat al via de loonheffing is verwerkt.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij een deel van het jaar binnenlandse belastingplicht of premieplicht is afzonderlijke, tijdsevenredige herrekening van het IB-deel en het premiedeel van elke heffingskorting het uitgangspunt (ECLI:NL:HR:2024:470, ECLI:NL:HR:2024:1660).
  • Bij vrijgesteld internationaal salaris kan de afbouw van de algemene heffingskorting op basis van dat vrijgestelde inkomen feitelijk een indirecte heffing opleveren die in strijd komt met immuniteitsbepalingen (ECLI:NL:HR:2019:1221).
  • Bij de arbeidskorting blijft een UWV-WGA-uitkering, ondanks de door de Hoge Raad geconstateerde discriminatie, vooralsnog fiscaal anders behandeld dan een door de werkgever betaalde WGA-aanvulling (ECLI:NL:HR:2024:1657).
  • De partnerverhoging van art. 8.9 speelt uitsluitend bij belastingplichtigen geboren vóór 1 januari 1963.
  • Verwarring tussen de loonbelastingtabel-uitkomst van de arbeidskorting gedurende het jaar en de definitieve berekening bij de aangifte is een bekende bron van correcties, vooral bij wisselende inkomens of meerdere inhoudingsplichtigen binnen hetzelfde jaar.
  • Bij samenloop van meerdere deelkortingen blijft de gecombineerde heffingskorting begrensd op het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing (art. 8.8), behoudens de verhoging van art. 8.9.

Recente ontwikkelingen

  • 22 maart 2024: de Hoge Raad oordeelt dat voor een buitenlandse belastingplichtige die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is, de ouderenkorting binnen de heffingskorting voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op basis van het binnenlandse inkomen uit werk en woning en tijdsevenredig wordt verminderd naar de periode van premieplicht (ECLI:NL:HR:2024:470).
  • 15 november 2024: de Hoge Raad oordeelt dat de ongelijke behandeling in de arbeidskorting tussen een door het UWV en een door de werkgever uitbetaalde WGA-uitkering in strijd is met het discriminatieverbod, maar dat dit rechtstekort niet tot vermindering van de aanslag leidt omdat het aan de wetgever is dit op te lossen (ECLI:NL:HR:2024:1657).
  • 15 november 2024: in een prejudiciële beslissing verduidelijkt de Hoge Raad hoe voor wie slechts een deel van het jaar in Nederland belastingplichtig is, het IB-deel en het premiedeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting worden berekend (ECLI:NL:HR:2024:1660).
  • 20 december 2024: de Hoge Raad beslist over de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van belastingrente bij een wijziging van de onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen tussen partners (ECLI:NL:HR:2024:1881).
  • 7 juli 2026: de kennisgroep van de Belastingdienst publiceert het standpunt KG:204:2026:9 over de verloning (aanvulling) van de WAZO-uitkering, een onderwerp dat raakt aan de vraag welke aanvullingen op WAZO-uitkeringen als arbeidsinkomen voor de arbeidskorting tellen (art. 8.1 lid 2 onderdeel d Wet IB 2001).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 35 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.