Inkomstenbelasting
Heffingskortingen
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Heffingskortingen zijn kortingen op de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Ze grijpen niet aan op het belastbare inkomen zelf, maar op de uiteindelijk verschuldigde belasting, en werken daardoor anders door dan aftrekposten. De twee kernkortingen zijn de algemene heffingskorting, die voor iedere belastingplichtige geldt, en de arbeidskorting, die is voorbehouden aan wie arbeidsinkomen geniet.
Beide kortingen zijn inkomensafhankelijk vormgegeven: de algemene heffingskorting kent een vast bedrag toe dat vanaf een drempel wordt afgebouwd, terwijl de arbeidskorting gefaseerd opbouwt en vanaf een hogere drempel weer wordt afgebouwd. Voor de arbeidskorting geldt bovendien dat een deel al via de loonbelasting wordt verwerkt, met een aanvullende minimumregel die aansluit bij artikel 22a Wet LB 1964, zodat de definitieve IB-aanslag daarop aansluit of corrigeert.
In de praktijk is het samenspel tussen wonen, werken en (gedeeltelijke) belastingplicht in Nederland de belangrijkste bron van geschillen over heffingskortingen. Grensoverschrijdende situaties, deeljaarsituaties en de positie van niet-inwoners of gedeeltelijk premieplichtigen leiden tot vragen over welk inkomen meetelt en over welk deel van het jaar de korting wordt berekend.
Wanneer speelt dit
- Bij de aangifte IB/PVV van iedere particuliere belastingplichtige, waar de algemene heffingskorting en, bij arbeidsinkomen, de arbeidskorting worden berekend.
- Bij emigratie of immigratie gedurende het jaar, waardoor slechts een deel van het jaar sprake is van binnenlandse belastingplicht of premieplicht volksverzekeringen.
- Bij buitenlandse belastingplichtigen, waaronder gepensioneerden met EU-inkomen, waar de vraag speelt of en hoe kortingen zoals de ouderenkorting worden toegepast.
- Bij ambtenaren van internationale organisaties met een vrijgesteld salaris, waar de interactie tussen die vrijstelling en de afbouw van de algemene heffingskorting een rol speelt.
- Bij de minstverdienende partner binnen een fiscaal partnerschap, in verband met de afbouw van de algemene heffingskorting.
- Bij uitkeringen die de plaats van loon innemen (WGA, WAZO), waar de vraag opkomt of en hoe de arbeidskorting daarop van toepassing is.
- Bij boventalligheid of vrijstelling van arbeid, waarbij de vraag is of nog wel arbeidsinkomen in de zin van de wet wordt genoten.
Wettelijk kader
Art. 8.10 Wet IB 2001 regelt de algemene heffingskorting. Lid 1 bepaalt dat "de algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige", een korting die dus in beginsel voor elke belastingplichtige openstaat, ongeacht of arbeid wordt verricht. Lid 2 kent daaraan een vast bedrag toe dat wordt "verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,398% van het gedeelte van het verzamelinkomen dat meer bedraagt dan € 29.736". De korting bouwt dus af zodra het verzamelinkomen de drempel overschrijdt, met een ondergrens van nihil: zij kan niet negatief worden.
Art. 8.11 Wet IB 2001 regelt de arbeidskorting. Lid 1 bepaalt dat "de arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet", waarmee de korting nadrukkelijk is gekoppeld aan het genieten van arbeidsinkomen en niet aan belastingplicht in het algemeen. Lid 2 bouwt de korting gefaseerd op: een basisopbouw van "8,324% van het arbeidsinkomen met een maximum van € 996" (onderdeel a), vermeerderd met "31,009% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 11.965" tot een gezamenlijk maximum van € 5.300 (onderdeel b), verder vermeerderd met "1,950% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 25.845" tot een gezamenlijk maximum van € 5.685 (onderdeel c), en ten slotte "verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,51% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 45.592" (onderdeel d). Voor wie niet meer dan € 45.592 arbeidsinkomen geniet, geldt een aanvullende ondergrens: de arbeidskorting bedraagt dan ten minste de via de loonbelastingtabellen toegekende arbeidskorting (art. 22a Wet LB 1964, over het loon belast volgens de tabellen van art. 25 lid 2 Wet LB 1964), met als maximum het bedrag van onderdeel c.
Belangrijkste rechtspraak
De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2019:1221 (2019) dat het verminderen van de algemene heffingskorting op grond van art. 8.10 lid 2 Wet IB 2001 met inachtneming van het vrijgestelde EU-salaris van een ambtenaar feitelijk neerkomt op een indirecte heffing over dat salaris, en daarom in strijd is met artikel 12 van het EU-immuniteitenprotocol.
In ECLI:NL:HR:2024:470 (2024) oordeelde de Hoge Raad dat voor een buitenlandse belastingplichtige die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is, de ouderenkorting binnen de heffingskorting voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op basis van het binnenlandse inkomen uit werk en woning, en tijdsevenredig wordt verminderd naar de periode van premieplicht in het jaar.
De prejudiciële beslissing in ECLI:NL:HR:2024:1660 (2024) betreft de wijze waarop, voor iemand die slechts een deel van het jaar in Nederland belastingplichtig is, het IB-deel en het premiedeel van zowel de arbeidskorting als de inkomensafhankelijke combinatiekorting worden berekend.
De Hoge Raad besliste in ECLI:NL:HR:2018:429 (2018) dat de destijds in artikel 8.9 lid 2 Wet IB 2001 geregelde afbouw van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner niet van elke redelijke grond is ontbloot en niet in strijd is met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol EVRM.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij een deel van het jaar binnenlandse belastingplicht of premieplicht moet zorgvuldig worden nagegaan hoe het IB-deel en het premiedeel van heffingskortingen afzonderlijk worden bepaald en tijdsevenredig worden herrekend; zie de tijdsevenredige benadering die de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2024:470 voor de ouderenkorting toepast, en de bredere deeljaarsproblematiek uit ECLI:NL:HR:2024:1660.
- Bij vrijgesteld internationaal salaris (bijvoorbeeld van EU-ambtenaren) moet worden beoordeeld of de afbouw van de algemene heffingskorting op basis van dat vrijgestelde inkomen feitelijk een indirecte heffing oplevert; ECLI:NL:HR:2019:1221 laat zien dat dit onder omstandigheden in strijd kan komen met immuniteitsbepalingen.
- Bij de arbeidskorting is van belang of daadwerkelijk sprake is van arbeidsinkomen in de zin van art. 8.11 lid 1 Wet IB 2001; wie geen arbeid verricht, komt mogelijk niet voor een arbeidskorting in aanmerking. Bij boventalligheid of vrijstelling van arbeid oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2014:165 dat een boventallige, van arbeid vrijgestelde werknemer geen recht heeft op de arbeidskorting, en dat interne compensatie van de vermindering van inkomstenbelasting met het premiedeel van die arbeidskorting niet mogelijk is.
- De afbouwsystematiek van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner is door de Hoge Raad toetsbaar geacht aan discriminatie- en eigendomsbepalingen, maar in de beoordeelde situatie houdbaar bevonden (ECLI:NL:HR:2018:429); een enkel beroep op ongelijke uitkomsten tussen partners is dus niet zonder meer kansrijk.
- Bij toepassing van art. 8.11 lid 2 Wet IB 2001 zijn de gefaseerde opbouw en afbouw (onderdelen a tot en met d) van belang, evenals de aanvullende minimumregel die verwijst naar art. 22a Wet LB 1964; verwarring tussen de loonbelastingtabel-uitkomst en de definitieve IB-berekening is een bekende bron van correcties.
Recente ontwikkelingen
Op 7 juli 2026 publiceerde de kennisgroep van de Belastingdienst het standpunt KG:204:2026:9 over de verloning (aanvulling) van de WAZO-uitkering.
In ECLI:NL:HR:2024:1657 (2024) oordeelde de Hoge Raad dat de ongelijke behandeling in de arbeidskorting tussen een door het UWV en een door de werkgever uitbetaalde WGA-uitkering in strijd is met het discriminatieverbod, maar dat dit rechtstekort niet tot vermindering van de aanslag leidt omdat het aan de wetgever is om dit op te lossen.
Kernartikelen
- Art. 8.10 Wet IB 2001 — Art. 8.10 Wet IB 2001: Algemene heffingskorting
- Art. 8.11 Wet IB 2001 — Art. 8.11 Wet IB 2001: Arbeidskorting
Belangrijkste rechtspraak
16 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2024:470 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat voor een buitenlandse belastingplichtige die geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is, de ouderenkorting binnen de heffingskorting voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op basis van het binnenlandse inkomen uit werk en woning, en tijdsevenredig wordt verminderd naar de periode van premieplicht in het jaar.
-
ECLI:NL:HR:2019:1221 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat het verminderen van de algemene heffingskorting op grond van artikel 8.10, lid 2, Wet IB 2001 met inachtneming van het vrijgestelde EU-salaris van een ambtenaar neerkomt op een indirecte heffing over dat salaris en daarom in strijd is met artikel 12 van het EU-immuniteitenprotocol.
-
ECLI:NL:HR:2024:1660 (2024)
De prejudiciële beslissing betreft hoe voor iemand die slechts een deel van het jaar in Nederland belastingplichtig is, het IB-deel en het premiedeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting worden berekend.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:2288 (2024)
De zaak betreft, in hoger beroep van de inspecteur en belanghebbende, of de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 na rechtsherstel box 3 moeten worden vastgesteld met inachtneming van een ouderenkorting in verband met EU-inkomen.
-
ECLI:NL:HR:2021:1893 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat het begrip arbeidsinkomen in art. 8.1 lid 1 letter e Wet IB 2001 niet zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook buitenlands inkomen valt dat een niet-inwoner na emigratie heeft genoten en dat niet in Nederland belastbaar is.
-
ECLI:NL:HR:2024:1657 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat de ongelijke behandeling in de arbeidskorting tussen een door het UWV en een door de werkgever uitbetaalde WGA-uitkering in strijd is met het discriminatieverbod, maar dat dit rechtstekort niet tot vermindering van de aanslag leidt omdat het aan de wetgever is dit op te lossen.
-
ECLI:NL:HR:2024:1881 (2024)
De zaak betreft onder meer of een wettelijke grondslag bestaat voor het in rekening brengen van belastingrente bij een wijziging van de onderlinge verhouding van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen tussen partners.
-
ECLI:NL:HR:2018:429 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat de afbouw van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner van artikel 8.9, lid 2, Wet IB 2001 niet van elke redelijke grond is ontbloot en niet in strijd is met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol EVRM.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:2883 (2022)
Het Hof oordeelt dat de grieven van belanghebbende over onder meer de arbeidskorting, de heffing over een nabetaling van DRV-Bund en het hoorgesprek falen, bevestigt de uitspraak van de rechtbank, en verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding.
-
ECLI:NL:HR:2014:165 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat een boventallige, van arbeid vrijgestelde werknemer geen recht heeft op de arbeidskorting, en dat interne compensatie van de vermindering van inkomstenbelasting met het premiedeel van die arbeidskorting niet mogelijk is.
Beleid en standpunten
15 bronnen in de kennisbank-
Kamerstuk 28607 nr. 3
De memorie behandelt Belastingplan 2003 Deel I: arbeidskorting verhogen, afdrachtsverminderingen, werk-levenbalans en milieumaatregelen.
-
Kamerstuk 35026 nr. 3
De vergoeding van vakverenigingsbijdragen door werkgevers wordt tot belastbaar loon gerekend in plaats van als vrije vergoeding.
-
Kamerstuk 34552 nr. 3
Memorie van toelichting Belastingplan 2017, met onderdelen inkomensbeleid, constructiebestrijding, innovatiebox en jurisprudentiegevolgen.
-
Kamerstuk 29210 nr. 38
De arbeidskorting voor arbeidsgehandicapten wordt verhoogd met 20% van het normale bedrag, onder voorwaarde van voldoende laag verzamelinkomen en een geldige verklaring arbeidsgehandicapte.
- KG:204:2026:9 (2026)
-
Kamerstuk 33003 nr. 7
De overgangsbepaling levensloopregelingen wordt gewijzigd; de leeftijdsgrens voor bepaalde voordelen wordt van 61 naar 60 jaar verlaagd; diverse technische aanpassingen inzake referentiebedragen volgen.
-
Kamerstuk 35302 nr. 14
De nota wijzigt bepalingen over deposito's en de berekening van leverage- en eigenvermogenratio's voor toepassing van artikel 15b-15bg Wet vennootschapsbelasting.
-
Besluit BWBR0050562
Goedkeuring/beleid inzake heffingskortingen. Dit besluit bevat goedkeuringen voor toepassing van heffingskortingen in inkomstenbelasting, loonbelasting en volksverzekeringspremies.
-
Kamerstuk 29210 nr. 3
Memorie van toelichting Belastingplan 2004: onderwerpen arbeidsmarkt, kenniseconomie, mobiliteit, eigen woning.
-
Kamerstuk 35572 nr. 6
De memorie licht toe dat het Belastingplan 2019 onder meer een tweeschijvenstelsel invoert en arbeidskorting aanpassingen bevat.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.