Inkomstenbelasting

Box 3 (sparen en beleggen)

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Box 3 is de heffing over het voordeel uit sparen en beleggen in de inkomstenbelasting: niet het werkelijk behaalde rendement wordt belast, maar een forfaitair (verondersteld) rendement over de rendementsgrondslag boven het heffingvrije vermogen. Dat maakt de heffing eenvoudig uitvoerbaar, want een jaarlijkse waardering van elk dividend, elke rente-ontvangst of koerswinst is niet nodig, maar ook kwetsbaar zodra het forfait structureel hoger uitvalt dan wat spaarders en beleggers werkelijk behalen. Sinds 2019 heeft de Hoge Raad dat gebrek in drie fasen blootgelegd: eerst een stelselschending voor 2013 en 2014, vervolgens rechtsherstel via het werkelijk behaalde rendement voor 2017 en 2018 in het Kerstarrest, en ten slotte het oordeel dat ook de Wet rechtsherstel box 3 dat gebrek niet wegneemt zodra het forfait het werkelijke rendement overtreft. Dat laatste oordeel heeft geleid tot een wettelijke tegenbewijsregeling en, op termijn, tot een nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement.

Dit thema beantwoordt:

  • Wie is belastingplichtig voor box 3 en wat valt onder de rendementsgrondslag?
  • Hoe wordt het forfaitaire rendement berekend en welke bezittingen tellen als banktegoed?
  • Wat ging er mis met het forfaitaire stelsel volgens de Hoge Raad, en welk rechtsherstel geldt?
  • Hoe werkt de tegenbewijsregeling voor werkelijk rendement sinds medio 2025?
  • Welke kwalificatievragen spelen in de praktijk bij bijzondere bezittingen en schulden?

Rendementsgrondslag en heffingvrij vermogen

Belastingplichtig voor box 3 is ieder die op de peildatum, 1 januari, een rendementsgrondslag heeft die hoger is dan het heffingvrije vermogen (art. 5.2 lid 1 Wet IB 2001). De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden (art. 5.3 lid 1 Wet IB 2001). Bezittingen zijn onder meer onroerende zaken, rechten daarop, bepaalde roerende zaken die niet voor persoonlijk gebruik dienen of hoofdzakelijk als belegging worden aangehouden, geld en overige vermogensrechten; rijksbelastingschulden en -vorderingen tellen niet mee, met een terugzondering voor de erfbelasting (art. 5.3 lid 2 Wet IB 2001). Schulden tellen alleen mee voor zover zij uitkomen boven een drempel van € 3.800 (alleenstaanden) respectievelijk € 7.600 (fiscale partners gezamenlijk); verplichtingen die al als persoonsgebonden aftrekpost gelden, bepaalde niet-aangewezen periodieke uitkeringsverplichtingen en, op diezelfde terugzondering voor de erfbelasting na, rijksbelastingschulden vallen buiten het schuldbegrip (art. 5.3 lid 3 Wet IB 2001). Blijft de rendementsgrondslag onder het heffingvrije vermogen van art. 5.5 Wet IB 2001, dan is er geen box 3-inkomen en geen aangifteplicht op dit punt. Bij een fiscaal partnerschap gedurende het hele jaar wordt uitgegaan van de gezamenlijke rendementsgrondslag en het gezamenlijke heffingvrije vermogen, toegerekend volgens art. 2.17 (art. 5.2 lid 5 Wet IB 2001). Eindigt de binnenlandse belastingplicht in de loop van het jaar anders dan door overlijden, of begint zij pas na 1 januari, dan wordt het voordeel naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd; overlijden is van deze herleiding uitdrukkelijk uitgezonderd (art. 5.2 lid 6 Wet IB 2001). De rendementsgrondslag wordt dus steeds vastgesteld naar de peildatum aan het begin van het kalenderjaar; de heffing zelf loopt vervolgens mee in de reguliere aangifte inkomstenbelasting.

Forfaitair rendement: banktegoeden, overige bezittingen en schulden

Het forfaitaire rendement is de som van een forfait over banktegoeden en een forfait over overige bezittingen, verminderd met een forfait over schulden, met een bodem op nihil bij een negatieve uitkomst (art. 5.2 lid 2 Wet IB 2001). De percentages worden jaarlijks vastgesteld: het forfait voor overige bezittingen staat al bij aanvang van het jaar vast, terwijl de forfaits voor banktegoeden en schulden pas na afloop van het jaar definitief worden, omdat zij zijn afgeleid van werkelijk gerealiseerde marktrentes. Onder banktegoeden vallen uitsluitend deposito's en daarmee vergelijkbare buitenlandse deposito's, een vruchtgebruik daarop, contant geld, een lidmaatschapsrecht in een vereniging van eigenaars en een vordering uit de bijzondere rekening van de notaris of de gerechtsdeurwaarder (art. 5.2 lid 3 Wet IB 2001). Die opsomming is limitatief bedoeld: alles wat er niet onder valt, geldt automatisch als overige bezitting tegen het hogere forfait, ook als het economisch op een banktegoed lijkt. Over het aldus berekende voordeel is het tarief van art. 2.13 Wet IB 2001 verschuldigd. Voor 2026 is het heffingvrije vermogen € 59.357 (art. 5.5 Wet IB 2001), staat het forfait overige bezittingen op 6,00% en zijn de forfaits banktegoeden (1,28%) en schulden (2,70%) voorlopig, in afwachting van de definitieve vaststelling begin 2027; het tarief bedraagt 36% (art. 2.13 Wet IB 2001).

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Heffingvrij vermogen€ 59.357 (2026, jaarlijks vastgesteld)art. 5.5 Wet IB 2001
Forfait banktegoeden1,28% (2026, voorlopig; definitief begin 2027)art. 5.2 lid 2 Wet IB 2001
Forfait overige bezittingen6,00% (2026, bij aanvang van het jaar vastgesteld)art. 5.2 lid 2 Wet IB 2001
Forfait schulden2,70% (2026, voorlopig; definitief begin 2027)art. 5.2 lid 2 Wet IB 2001
Schuldendrempel€ 3.800 (alleenstaanden) / € 7.600 (fiscale partners gezamenlijk)art. 5.3 lid 3 onderdeel f Wet IB 2001
Tarief box 336%art. 2.13 Wet IB 2001

(wettekst geldend per 2026)

Van stelselschending naar tegenbewijsregeling

In HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, oordeelde de Hoge Raad dat de heffing voor 2013 en 2014 op stelselniveau in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM indien het nominale, zonder veel risico haalbare rendement lager is dan 1,2 procent, maar dat de rechter daarin niet zelf mag voorzien behalve bij een individuele en buitensporige last. Het gelijktijdige arrest ECLI:NL:HR:2019:817 bevestigt dat het door de wetgever voor die jaren verondersteld rendement van 4% op stelselniveau niet meer haalbaar was zonder veel risico te nemen, maar verklaart de cassatieberoepen van beide partijen ongegrond. In het Kerstarrest oordeelde de Hoge Raad vervolgens dat de heffing over 2017 en 2018 in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM in samenhang met art. 14 EVRM, en bood de Hoge Raad zelf rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963). In HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, oordeelde de Hoge Raad dat ook de inmiddels ingevoerde Wet rechtsherstel box 3 dat gebrek niet wegneemt, met rechtsherstel tot gevolg; het gelijktijdige arrest ECLI:NL:HR:2024:1083 bevestigt dit oordeel, maar verklaart de cassatieberoepen van zowel de belanghebbende als de staatssecretaris ongegrond. De eveneens gelijktijdige zaak ECLI:NL:HR:2024:705 bevestigt het rechtsherstel voor zover het forfaitaire rendement het werkelijk behaalde rendement overtreft. Naar aanleiding hiervan is medio 2025 de Wet tegenbewijsregeling box 3 in werking getreden: wie aannemelijk maakt dat zijn werkelijke rendement, inclusief ongerealiseerde waardeontwikkelingen, lager is dan het forfaitaire, kan dat doen via het formulier Opgaaf werkelijk rendement, waarna de heffing op dat lagere bedrag wordt gebaseerd. Voor jaren van vóór de tegenbewijsregeling loopt een lagere-heffing-claim via bezwaar of een verzoek om ambtshalve vermindering. Voor de structurele toekomst ligt de Wet werkelijk rendement box 3 voor: het wetsvoorstel is in februari 2026 door de Tweede Kamer aangenomen en beoogt per 2028 een heffing over het werkelijke rendement in te voeren, met onder meer een vermogensaanwasbenadering voor de meeste beleggingen.

Kwalificatievragen: banktegoed of overige bezitting, schuld of niet

Doordat banktegoeden een lager forfait kennen dan overige bezittingen, is de kwalificatievraag in de praktijk vaak bepalender dan het stelsel zelf. Bepalend is niet de economische gelijkenis met sparen, maar de limitatieve opsomming van art. 5.2 lid 3 Wet IB 2001: een aandeel in het reservefonds van een vereniging van eigenaars behoort sinds 1 januari 2023 tot de banktegoeden (KG:202:2023:31), terwijl de Hoge Raad voor het jaar 2018 nog oordeelde dat dit destijds geen banktegoed was (ECLI:NL:HR:2024:705). Ter belegging gehouden gouden munten (KG:202:2025:22) en niet-toegankelijke cryptovaluta (KG:202:2026:5) blijven overige bezittingen, ook al lijken de munten fysiek op contant geld; bij niet-toegankelijke cryptovaluta moet bij herverkrijging van toegang de dan actuele waarde in box 3 worden opgenomen. Aan de schuldkant valt een schuld ter financiering van uitgaven die zelf als persoonsgebonden aftrekpost gelden niet onder de uitsluiting van art. 5.3 lid 3 onderdeel a Wet IB 2001 (KG:202:2022:7): die uitsluiting geldt alleen voor de verplichting zelf, niet voor de financiering ervan, zodat de schuld wél in box 3 meetelt. Een vermogenssanctie of ontnemingsmaatregel telt pas als schuld mee zodra deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden (ECLI:NL:HR:2022:1707). Een nog niet geformaliseerde erfbelastingschuld kan al vanaf de eerste peildatum na overlijden als schuld meetellen wanneer navordering waarschijnlijk is (KG:202:2025:3). Bij overlijden geldt geen tijdsgelange herleiding: voor het werkelijke rendement telt voor de erflater alleen de periode tot de overlijdensdatum en voor de erfgenamen de periode daarna tot het einde van het jaar (KG:202:2025:11); bij een minderjarig kind met eigen vermogen wordt het werkelijke rendement alleen aan de ouder(s) toegerekend voor de periode tot de meerderjarigheid (KG:202:2025:9).

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Het heffingvrije vermogen (art. 5.5) en de forfaitpercentages (art. 5.2 lid 2) worden jaarlijks los van elkaar vastgesteld en in de praktijk vaak door elkaar gehaald.
  • De kwalificatie als banktegoed volgt de limitatieve opsomming van art. 5.2 lid 3, niet de economische gelijkenis met sparen.
  • Een schuld ter financiering van een persoonsgebonden aftrekpost telt zelf wél mee als schuld in box 3; alleen de aftrekpost-verplichting zelf is uitgesloten.
  • Bij overlijden en bij een minderjarig kind met eigen vermogen gelden eigen toerekeningsregels voor het werkelijke rendement.
  • Wie voor jaren vóór de tegenbewijsregeling een beroep op een lager werkelijk rendement wil doen, moet dat via bezwaar of een verzoek om ambtshalve vermindering doen, niet via het formulier Opgaaf werkelijk rendement.

Recente ontwikkelingen

  • 6 juni 2024: de Hoge Raad bevestigt dat de vermogensrendementsheffing ook onder de Wet rechtsherstel box 3 in strijd blijft met art. 1 Eerste Protocol EVRM jo. art. 14 EVRM (ECLI:NL:HR:2024:704; ECLI:NL:HR:2024:705).
  • 25 juni 2024: Gerechtshof Amsterdam over de berekening van het werkelijke rendement bij rechtsherstel voor een aanslag IB/PVV 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2287).
  • 10 juli 2024: kennisgroepstandpunt over private leaseovereenkomsten in box 3 (KG:202:2024:24).
  • 2 augustus 2024: de Hoge Raad bevestigt het EVRM-oordeel opnieuw (ECLI:NL:HR:2024:1083).
  • 5 november 2024: Gerechtshof Amsterdam over de waardering van cryptovaluta binnen de rendementsgrondslag voor 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3254).
  • 21 maart 2025: kennisgroepstandpunt over de nagevorderde erfbelastingschuld in box 3 (KG:202:2025:3).
  • Medio 2025: de Wet tegenbewijsregeling box 3 treedt in werking, met het formulier Opgaaf werkelijk rendement.
  • 18 juli 2025: de Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU over de Schumacker-doctrine bij een niet-ingezeten belastingplichtige; de zaak raakt de rendementsgrondslag van een buitenlandse belastingplichtige, niet het box 3-stelsel als zodanig (ECLI:NL:HR:2025:1161).
  • 21 juli 2025: kennisgroepstandpunt over het minderjarig kind en werkelijk rendement (KG:202:2025:9).
  • 4 augustus 2025: kennisgroepstandpunt over werkelijk rendement en overlijden (KG:202:2025:11).
  • 7 november 2025: kennisgroepstandpunt over gouden munten in box 3 (KG:202:2025:22).
  • Februari 2026: de Tweede Kamer neemt het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan, met beoogde inwerkingtreding per 2028.
  • 8 mei 2026: kennisgroepstandpunt over niet-toegankelijke cryptovaluta in box 3 (KG:202:2026:5).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 123 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.