Schenk- en erfbelasting

Fictieve verkrijgingen in de Successiewet

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De Successiewet 1956 kent fictiebepalingen die vermogensverschuivingen zonder erfrechtelijke vorm toch als erfrechtelijke verkrijging behandelen: niet de vorm van de rechtshandeling telt, maar de economische werkelijkheid. Twee bepalingen vormen de kern. Art. 10 SW 1956 ziet op vermogen waarover de erflater tot zijn overlijden het genot behield, ongeacht de rechtsvorm (verkoop tegen lijfrente, schenking onder voorbehoud van vruchtgebruik, schuldig gebleven koopsom of huur). Art. 13 SW 1956 ziet op uitkeringen uit levensverzekering en derdenbedingen voor zover deze aan het vermogen van de erflater zijn onttrokken. Beide werken met een cumulatief voorwaardenstelsel en uitzonderingen, waardoor de kwalificatievraag, valt de constructie onder de fictie of onder een uitzondering, in de praktijk het zwaartepunt van het advies vormt.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer wordt vermogen waarover de erflater tot zijn overlijden het genot behield, fictief tot de nalatenschap gerekend (art. 10 SW 1956)?
  • Wat houdt de genotstoets van art. 10 lid 3 SW 1956 in en welk percentage geldt?
  • Welke uitzonderingen gelden op art. 10 SW 1956, en wanneer geldt in plaats daarvan de zelfstandige fictie van lid 9?
  • Wanneer worden uitkeringen uit levensverzekering of een derdenbeding als erfrechtelijke verkrijging aangemerkt (art. 13 SW 1956)?
  • Hoe werkt de verrekening van eerder opgeofferde bedragen via art. 7 SW 1956, en voor welke ficties geldt die niet?

Art. 10 SW 1956: genot tot overlijden

Art. 10 lid 1 SW 1956 merkt als fictieve erfrechtelijke verkrijging aan al wat iemand ten koste van het vermogen van de erflater heeft verkregen bij een rechtshandeling waarbij de erflater of diens echtgenoot partij was, en elk goed waarop de erflater ten laste van zijn vermogen een vruchtgebruik heeft verworven. De fictie werkt alleen als twee voorwaarden tegelijk zijn vervuld: de erflater heeft tot aan zijn overlijden het genot gehad van een vruchtgebruik of een periodieke uitkering (onderdeel a), en dat vruchtgebruik of die uitkering is ten laste gekomen van de verkrijger (onderdeel b). Of van "genot" sprake is, wordt getoetst aan een percentage van de waarde van het overgedragen goed: de erflater wordt geacht genot te hebben gehad als hij niet jaarlijks ten minste dat percentage van de waarde in onbezwaarde staat aan de verkrijger betaalt (art. 10 lid 3 SW 1956). Dat percentage staat niet in de wet zelf; art. 21 lid 14 SW 1956 draagt dit op aan een algemene maatregel van bestuur, die het op 6% stelt.

Toepassing van de fictie betrekt het overgedragen vermogen alsnog volledig in de erfrechtelijke verkrijging, ook al is de eigendom civielrechtelijk al jaren eerder overgedragen. Wat de verkrijger destijds heeft betaald of aan de erflater heeft afgestaan, komt op grond van art. 7 lid 1 SW 1956 in mindering op die waarde, tot nihil, vermeerderd met enkelvoudige rente naar hetzelfde percentage van art. 21 lid 14 SW 1956 (art. 7 lid 3 SW 1956). Deze verrekening geldt uitdrukkelijk alleen voor de ficties van art. 8, 10, 11 en 13 lid 2 SW 1956, niet voor de algemene verzekeringsfictie van art. 13 lid 1 SW 1956.

De Hoge Raad past de wettekst strikt toe, ook bij overigens zakelijke vormgeving. Overdracht van een woning door een ouder aan een kind met voorbehoud van een huurrecht onder de genotsdrempel leidt naar de letterlijke tekst van art. 10 SW 1956 tot een fictief legaat (ECLI:NL:HR:2016:583). Een later kwijtgescholden koopsom komt niet meer in mindering op de waarde van de bij fictie verkregen woning, en schuldig gebleven huur kwalificeert eveneens als fictieve verkrijging (ECLI:NL:HR:2014:2921). Het partijbegrip wordt feitelijk getoetst: een huwelijk in gemeenschap van goederen maakt de andere echtgenoot niet automatisch partij bij een rechtshandeling die de erflater met een derde aanging (ECLI:NL:HR:2012:BU5651).

Uitzonderingen en de zelfstandige fictie van lid 9

Art. 10 SW 1956 kent een aantal uitzonderingen. De fictie blijft buiten toepassing bij overdracht aan personen buiten de kring van partner of bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad, of hun partners, ook als aan de genotstoets is voldaan (lid 4 onderdeel a), en wanneer het genot meer dan 180 dagen vóór het overlijden is geëindigd (lid 4 onderdeel b); beide gronden werken zelfstandig. Ook blijft zij buiten toepassing bij een onderbedelingsvordering uit verdeling van de volle eigendom, voor zover het nominale bedrag van de overbedelingsschuld de overbedelingswaarde niet te boven gaat (lid 5), bij een vruchtgebruik van een geldsom uit schuldig gebleven inbreng bij een legaat (lid 6), en bij overdracht van blote eigendom of een schuldigerkenning uit een wilsrecht van Boek 4 BW (lid 7).

Naast lid 1 bevat lid 9 een zelfstandige fictie voor schulden uit een uiterste wil, voor zover de nominale waarde daarvan de waarde te boven gaat van hetgeen de erflater krachtens erfrecht van de opsteller van die uiterste wil heeft verkregen; deze grondslag komt in beeld als niet aan lid 1 is voldaan. Ontbreekt de vaststelling dat de verkrijger een rechtshandeling verrichtte ter aanvaarding van de nalatenschap, dan wordt de verkrijging van legatarissen bestreken door lid 9 in plaats van lid 1 (ECLI:NL:HR:2019:1838). Omgekeerd is lid 1 wel van toepassing op een vordering die kinderen na overlijden van hun vader kregen uit een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden, dat alleen bij leven van beide echtgenoten kon worden ingeroepen (ECLI:NL:HR:2021:263). Lid 1 en lid 9 sluiten elkaar dus niet uit, maar vullen elkaar aan.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Genotstoets art. 10 lid 3 SW 19566% van de waarde in onbezwaarde staatart. 21 lid 14 SW 1956 jo. art. 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956
Verrekeningsrente art. 7 lid 3 SW 1956enkelvoudige rente, gelijk aan het percentage van de genotstoets (6%)art. 7 lid 3 jo. art. 21 lid 14 SW 1956
Terugkijktermijn geëindigd genotde fictie van art. 10 SW 1956 vervalt als het genot meer dan 180 dagen vóór overlijden is geëindigdart. 10 lid 4 onderdeel b SW 1956
Kring gerechtigden art. 10 SW 1956partner of bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad, of hun partnerart. 10 lid 4 onderdeel a SW 1956
Werkgeversuitkering na overlijden werknemeronbelast tot één maandsalaris; het meerdere valt onder de fictieart. 13 lid 1 SW 1956

(wettekst geldend per 2026)

Art. 13 SW 1956: levensverzekering en derdenbeding

Art. 13 lid 1 SW 1956 merkt als fictieve erfrechtelijke verkrijging aan al wat ten gevolge van of na het overlijden van een erflater wordt verkregen krachtens een overeenkomst van levensverzekering, ongevallenverzekering daaronder begrepen, of krachtens een derdenbeding, voor zover die verkrijging kan worden toegerekend aan een onttrekking aan het vermogen van de erflater. Een uitzondering geldt voor zover de daaraan ontleende rechten bij de verkrijger al vóór het overlijden aan schenk- of erfbelasting waren onderworpen. Zo wordt de uitkering belast, ook al loopt zij civielrechtelijk rechtstreeks naar de begunstigde, buiten de nalatenschap om.

Voor de onttrekkingsvraag bevat lid 2 een bewijsvermoeden: is de erflater zelf verzekerde, en is de erflater, diens partner of een bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad, of hun partner, als verzekeraar opgetreden, dan wordt de uitkering geacht volledig aan het vermogen van de erflater te zijn onttrokken. Dit treft met name premiesplitsing binnen de familie; als verzekeringnemer telt de feitelijke verzekeringnemer, niet altijd degene op de polis, en de premieplicht kan niet zonder medeweten van de verzekeraar naar een derde worden verlegd.

Ook een werkgeversuitkering aan nabestaanden na overlijden van een werknemer kan onder art. 13 SW 1956 vallen: voor zover die uitkering, voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst, boven één maandsalaris uitkomt, is over het meerdere erfbelasting verschuldigd.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij overdrachten onder voorbehoud van vruchtgebruik of huurrecht telt de feitelijk betaalde vergoeding tegenover de 6%-genotsdrempel; zakelijke vormgeving of latere kwijtschelding van de koopsom verandert niets aan een eenmaal vastgestelde fictieve verkrijging.
  • Bij verrekenbedingen in huwelijkse voorwaarden is bepalend of het beding ook na overlijden van een echtgenoot kan worden ingeroepen; kan dat niet, dan ligt kwalificatie onder art. 10 lid 1 SW 1956 voor de hand, en bij gemeenschap van goederen is het partijbegrip van dat lid een aparte feitelijke vraag.
  • Bij legaten tegen inbreng is van belang of de verkrijger daadwerkelijk een rechtshandeling heeft verricht die aan lid 1 voldoet; ontbreekt die vaststelling, dan is lid 9 de relevante grondslag.
  • Bij samenloop van een fictieve verkrijging op grond van art. 10 of art. 13 lid 2 SW 1956 met eerder geheven schenk- of overdrachtsbelasting is verrekening via art. 7 SW 1956 aan de orde; voor de algemene verzekeringsfictie van art. 13 lid 1 SW 1956 geldt die verrekening niet.

Recente ontwikkelingen

  • 19 februari 2021: de Hoge Raad merkt een vordering uit een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden, alleen in te roepen bij leven van beide echtgenoten, aan als fictieve verkrijging op grond van art. 10 lid 1 SW 1956 (ECLI:NL:HR:2021:263).
  • 3 oktober 2023: KG:063:2023:37 over het verzekeringnemersbegrip bij premiesplitsing, en KG:063:2023:38 over verrekening van schenkbelasting via art. 7 SW 1956 bij een schenking vrij van recht.
  • 9 november 2023: KG:063:2023:39 over de werking van art. 7 SW 1956: opgeofferde bedragen worden met 6% rente per jaar verrekend.
  • 3 mei 2024: KG:063:2024:3 stelt de één-maandsalaris-grens vast voor onbelaste werkgeversuitkeringen na overlijden onder art. 13 SW 1956.
  • 13 februari 2025: KG:063:2025:01 beperkt de aftrek voor derving van genot bij vruchtgebruik van de erflater onder art. 10 lid 2 SW 1956; de ingetrokken Leidraad stond nog een ruimere aftrek toe.

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 2 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.