Schenk- en erfbelasting

Waardering voor de schenk- en erfbelasting

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Voor de heffing van schenk- en erfbelasting moet elke verkrijging op een geldbedrag worden gesteld voordat het tarief en de vrijstellingen kunnen worden toegepast. Artikel 21 SW 1956 is het centrale waarderingsartikel dat deze omzetting regelt: het bepaalt naar welke maatstaf en op welk tijdstip verkregen goederen, vorderingen en lasten in aanmerking worden genomen.

Het artikel werkt met één hoofdregel en een reeks bijzondere waarderingsvoorschriften voor specifieke situaties: woningen, verhuurde of verpachte onroerende zaken, erfpacht, vruchtgebruik en periodieke uitkeringen, ondernemingen en aanmerkelijkbelangaandelen, en bepaalde geldvorderingen uit de verdeling van een nalatenschap. Deze bijzondere regels wijken op onderdelen af van de hoofdregel en zijn in de praktijk vaak bepalend voor de uitkomst van een aangifte.

Waardering is daarmee zelden een formaliteit: de vraag welk waarderingsvoorschrift van toepassing is en hoe dat voorschrift moet worden ingevuld, is in veel dossiers de kern van het geschil met de Belastingdienst.

Wanneer speelt dit

Waardering onder artikel 21 SW 1956 speelt onder meer bij: de schenking of vererving van een woning (eigen gebruik of verhuurd); de vererving van een woning waarop een vruchtgebruik, een ander beperkt recht of een periodieke uitkering rust; legaten waarvan de omvang afhankelijk is van de waarde van een woning; de verkrijging van effecten die genoteerd staan op een aangewezen prijscourant; de vererving of schenking van een onderneming of een aanmerkelijkbelangpakket in het kader van bedrijfsopvolging; en de waardering van geldvorderingen en schulden die voortvloeien uit de wettelijke verdeling van een nalatenschap.

Wettelijk kader

Art. 21 lid 1 SW 1956 formuleert de hoofdregel: "Het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend." Uitgangspunt is dus de waarde in het economische verkeer (WEV) op het verkrijgingsmoment, tenzij een van de bijzondere leden een afwijkende maatstaf voorschrijft.

Voor woningen geldt een uitzondering op dat WEV-uitgangspunt. Art. 21 lid 5 SW 1956 bepaalt dat woningen "in aanmerking genomen [worden] naar de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die onroerende zaken vastgestelde waarde voor het kalenderjaar waarin de verkrijging plaatsvindt dan wel, ingeval de verkrijger daarvoor kiest, voor het op dat kalenderjaar volgende kalenderjaar." De verkrijger heeft dus een keuzerecht tussen de WOZ-waarde van het verkrijgingsjaar en die van het daaropvolgende jaar. Lid 6 en 7 vullen dit aan voor situaties waarin nog geen WOZ-waarde is vastgesteld, of waarin zich in het kalenderjaar van de verkrijging, op of vóór het verkrijgingsmoment, een gebeurtenis heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Voor verhuurde woningen geldt een afslag op die WOZ-waarde: de leegwaarderatio. Art. 21 lid 8 SW 1956 bepaalt dat de waarde in dat geval wordt gesteld "op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen, van de huurprijs afhankelijk percentage van het waardegegeven, bedoeld in het vijfde of zesde lid", met dien verstande dat de woning niet lager gewaardeerd wordt dan die WOZ-waarde indien zij wordt verkregen door de huurder of pachter zelf of diens partner. Lid 16 sluit de leegwaarderatio bovendien uit bij een huurovereenkomst voor bepaalde tijd (art. 271 Boek 7 BW) en bij gelieerde partijen die een huur- of pachtprijs zijn overeengekomen die tussen onafhankelijke derden niet tot stand zou zijn gekomen. Lid 10 voorziet in een terugval op de WEV wanneer servicekosten voor niet-woninggerelateerde diensten de waarde in belangrijke mate doen afwijken van de WOZ-waarde.

Voor lasten van vruchtgebruik, een beperkt recht of een periodieke uitkering geldt weer een ander uitgangspunt. Art. 21 lid 11 SW 1956 bepaalt dat de waarde van hetgeen onder zo'n last wordt verkregen, wordt "gesteld op de waarde in onbezwaarde staat, verminderd met de waarde van die last", waarbij bij opeenvolgende vruchtgebruiken, beperkte rechten en periodieke uitkeringen direct met die opvolging rekening wordt gehouden. De rekenregels en het te hanteren percentage voor die waardering worden op grond van lid 14 bij algemene maatregel van bestuur nader ingevuld.

Voor ondernemingsvermogen en aanmerkelijkbelangaandelen geldt een eigen waarderingsmaatstaf. Art. 21 lid 13 SW 1956 bepaalt dat "de waarde van een onderneming wordt bepaald alsof de onderneming wordt voortgezet (waarde going concern), maar ten minste op de liquidatiewaarde", en dat dit voorschrift van overeenkomstige toepassing is op vermogensbestanddelen die tot een aanmerkelijk belang behoren. De waardering is dus altijd het hoogste van going-concernwaarde en liquidatiewaarde.

Daarnaast bevat het artikel bijzondere regels voor genoteerde effecten (lid 3, slotnotering voorafgaand aan de verkrijgingsdag), voor erfpacht op een woning (lid 9), voor eenheden die in het economisch verkeer als zodanig gelden (lid 12) en voor renteloze geldvorderingen en schulden die voortvloeien uit de wettelijke verdeling van een nalatenschap (lid 15).

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad heeft de leegwaarderatio van artikel 21 lid 8 SW 1956 herhaaldelijk getoetst. In HR 23-09-2016 (ECLI:NL:HR:2016:2135) oordeelde de Hoge Raad dat de leegwaarderatio van artikel 10a Uitvoeringsbesluit Successiewet onverbindend is voor zover de uitkomst ervan in betekenende mate afwijkt van de werkelijke waarde van de verhuurde woning op de WOZ-waardepeildatum. In het recentere arrest van 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:507) verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond en verwees de zaak, omdat het verwijzingshof alsnog moet onderzoeken of en in hoeverre de verhuurde staat van de woningen een waardedrukkend effect heeft op de waarde in het economische verkeer bij de waardering van geschonken certificaten van aandelen.

Over de WOZ-waarde als peildatum overwoog de Hoge Raad op 21 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:339) dat de wetgever zijn ruime beoordelingsvrijheid niet overschrijdt door voor de erfbelasting de WOZ-waarde naar een peildatum vóór het overlijden te hanteren, ook al ligt die waarde door een waardedaling hoger dan de waarde op de sterfdatum zelf.

Over de waardering van ondernemingsvermogen oordeelde de Hoge Raad op 29 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:115) dat het maatschapsaandeel van de langstlevende echtgenote na ontbinding van de maatschap door overlijden van de erflater moet worden gewaardeerd op de liquidatiewaarde, omdat op haar niet langer de verplichting rustte de onderneming tegen de overnamewaarde te laten overnemen.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij verhuurde woningen is de leegwaarderatio niet automatisch toepasbaar: van belang is of de huurovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan of tussen gelieerde partijen tot stand kwam, gelet op de uitsluiting in lid 16, en of de uitkomst van de ratio in betekenende mate afwijkt van de werkelijke waarde (ECLI:NL:HR:2016:2135).
  • Bij (indirecte) verkrijgingen van verhuurd vastgoed, zoals certificaten van aandelen in een vastgoedvennootschap, is nog niet uitgekristalliseerd hoe de verhuurde staat doorwerkt in de waarde in het economische verkeer; dit vergt een feitelijke beoordeling per geval (ECLI:NL:HR:2025:507).
  • Het keuzerecht tussen de WOZ-waarde van het verkrijgingsjaar en het daaropvolgende jaar (lid 5) kan bij dalende woningmarkten in het voordeel van de verkrijger uitpakken, maar de wetgever heeft doelbewust een peildatum vóór het overlijden geaccepteerd, zodat een lagere waarde op de sterfdatum zelf niet automatisch tot een lagere heffingsgrondslag leidt (ECLI:NL:HR:2014:339).
  • Bij vererving van ondernemingsvermogen of een aanmerkelijkbelangpakket moet steeds worden getoetst of de going-concernwaarde dan wel de liquidatiewaarde de hoogste, en dus de bepalende, waarde oplevert; bij ontbinding van een samenwerkingsverband kan de overnameverplichting zijn komen te vervallen, waardoor liquidatiewaarde de juiste maatstaf wordt (ECLI:NL:HR:2016:115).
  • Voor lasten van vruchtgebruik, beperkte rechten of periodieke uitkeringen moet de waarde in onbezwaarde staat eerst worden vastgesteld en pas daarna worden verminderd met de waarde van de last zelf; bij opeenvolgende rechten moet die opvolging direct in de berekening worden verwerkt.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Alle bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.