Inkomstenbelasting

Giftenaftrek

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Giftenaftrek is de fiscale faciliteit die giften aan algemeen nut beogende instellingen (ANBI's) en steunstichtingen SBBI onder voorwaarden in aftrek toelaat, zowel bij natuurlijke personen in de inkomstenbelasting als bij lichamen in de vennootschapsbelasting. De regeling erkent dat een gift op zichzelf geen zakelijke uitgave is en dus in beginsel niet aftrekbaar zou zijn, maar maakt daarop een uitzondering.

Kern van het leerstuk is de afbakening van een echte gift ten opzichte van andere geldstromen: alleen bevoordelingen uit vrijgevigheid zonder op geld waardeerbare tegenprestatie tellen mee, niet betalingen die feitelijk een prijs voor een dienst of activiteit vormen.

Voor de praktijk is giftenaftrek een terugkerend aandachtspunt bij twee heel verschillende belastingplichtigen: particulieren die periodiek of incidenteel schenken aan goede doelen, en vennootschappen (vaak met een dga) die vanuit de bv geven aan een ANBI. Bij vennootschappen ligt de spanning met name bij de vraag of een gift een zakelijke uitgave dan wel een verkapte winstuitdeling is, bij particulieren bij de vraag of aan de voorwaarden van de gekozen giftvorm is voldaan.

Wanneer speelt dit

  • Een dga laat de bv in plaats van hemzelf een gift doen aan een ANBI of aan een stichting die de dga zelf heeft opgericht.
  • Een belastingplichtige sluit een periodieke schenkingsovereenkomst en er ontstaat discussie of de uitkeringen daadwerkelijk vast en gelijkmatig zijn, bijvoorbeeld omdat een termijn later is betaald dan afgesproken of is uitgedrukt in certificaten in plaats van een vast bedrag.
  • Er wordt een gift in natura gedaan (kunst, effecten, onroerend goed) en de waardering daarvan moet worden onderbouwd.
  • Een instelling is in het buitenland gevestigd en de vraag rijst of de giftenaftrek daarop toepasbaar is.
  • Er is sprake van een "vrijwillige" bijdrage (ouderbijdrage school, bewonersbijdrage verpleeghuis) en de vraag is of dit een gift is of een betaling met een tegenprestatie.
  • Er wordt afstand gedaan van inkomsten of van een vordering ten gunste van een instelling, en de vraag is of dit als gift kwalificeert.

Wettelijk kader

Voor de vennootschapsbelasting regelt art. 16 Wet VPB 1969 de giftenaftrek. Lid 1 bepaalt dat "aftrekbare giften zijn de in het jaar gedane en met schriftelijke bescheiden gestaafde giften aan algemeen nut beogende instellingen en steunstichtingen SBBI", waarbij "de aftrek [...] ten hoogste 50 percent van de winst [bedraagt] met een maximum van € 100.000". Een gift is dus alleen aftrekbaar als zij in het jaar zelf is gedaan én met schriftelijke bescheiden is gestaafd, en de omvang van de aftrek wordt begrensd door zowel een winstpercentage als een absoluut maximum.

Lid 2 definieert het giftbegrip: als giften worden aangemerkt "bevoordelingen uit vrijgevigheid en al dan niet verplichte bijdragen, voor zover daardoor geen op geld waardeerbare aanspraken ontstaan". Een betaling waar de gever iets waardeerbaars voor terugkrijgt, valt buiten het bereik van de aftrek. Lid 3 sluit contant geld expliciet uit: "onder een gift wordt niet verstaan een bevoordeling of bijdrage in contant geld." Lid 4 stelt aanvullende eisen aan giften in natura: voor zover de waarde in het economisch verkeer in totaal meer dan € 10.000 per kalenderjaar bedraagt, wordt die waarde alleen in aanmerking genomen "voor zover die waarde in het economische verkeer volgt uit een onafhankelijk taxatierapport dat of factuur die aan bij ministeriële regeling te stellen regels voldoet". Lid 5 rekt dit begrip op: kwijtschelding van een vordering die op vermogensbestanddelen in natura ziet, telt eveneens als gift in natura in de zin van lid 4. Lid 6 kent ten slotte een verhoogde aftrek toe voor giften aan een culturele instelling, ter grootte van "50 percent van het bedrag van de giften die zijn gedaan aan een culturele instelling, doch ten hoogste met € 2.500" (de multiplier).

Voor de inkomstenbelasting bepaalt art. 6.32 Wet IB 2001 op hoofdlijnenniveau dat "aftrekbare giften zijn: a. periodieke giften; b. andere giften." Dit artikel introduceert de tweedeling tussen periodieke en andere giften; de inhoudelijke voorwaarden waaronder een gift als periodiek respectievelijk als andere gift kwalificeert, staan in vervolgartikelen (waaronder art. 6.34 en 6.35 Wet IB 2001) die niet in dit dossier zijn opgenomen, maar waarnaar de rechtspraak hieronder verwijst. Periodieke giften vereisen daarbij een vaste en gelijkmatige uitkering van ten minste vijf jaar.

Belangrijkste rechtspraak

In ECLI:NL:HR:2013:BY8117 (Hoge Raad, 2013) oordeelde de Hoge Raad dat voor de vraag of sprake is van een vaste en gelijkmatige periodieke uitkering bepalend is welke verplichtingen uit de schenkingsovereenkomst voortvloeien, niet hoe de uitkeringen feitelijk zijn verlopen; een termijn die pas het volgende jaar werd voldaan, tastte de giftenaftrek daarom niet aan.

In het vrijwel gelijktijdig gewezen ECLI:NL:HR:2013:BY8147 (Hoge Raad, 2013) bevestigde de Hoge Raad dat ook uitkeringen die zijn uitgedrukt in een vast aantal certificaten van aandelen als vaste en gelijkmatige periodieke uitkering in de zin van art. 6.34 Wet IB 2001 kunnen kwalificeren, opnieuw met de contractuele verplichting als toetssteen in plaats van de feitelijke uitvoering.

In ECLI:NL:HR:2012:BQ0525 (Hoge Raad, 2012) oordeelde de Hoge Raad dat het hofoordeel over de aftrek van de aan een woningcorporatie gedane uitkering op grond van art. 9, lid 1, onderdeel i, Wet Vpb 1969, dan wel op grond van de giftenaftrek van art. 16 Wet Vpb, niet in stand kon blijven, en verwees de zaak voor verdere behandeling.

In ECLI:NL:GHAMS:2024:1296 (Gerechtshof Amsterdam, 2024) oordeelde het hof dat geen sprake was van een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal, nu de betrokken instellingen geen verzoek als bedoeld in art. 5b, lid 6, AWR hadden gedaan en niet voldeden aan de Nederlandse voorwaarden voor giftenaftrek; van schending van het evenredigheids- of doeltreffendheidsbeginsel was volgens het hof geen sprake.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij periodieke giften ligt de nadruk op de contractuele verplichting uit de schenkingsovereenkomst, niet op de feitelijke betaalpraktijk; een later voldane termijn hoeft de aftrek niet te schaden, zolang de verplichting zelf vast en gelijkmatig is en voor ten minste vijf jaar is aangegaan (ECLI:NL:HR:2013:BY8117, ECLI:NL:HR:2013:BY8147).
  • Een periodieke uitkering hoeft niet in een vast geldbedrag te zijn uitgedrukt om als vast en gelijkmatig te kwalificeren; ook een vast aantal certificaten kan volstaan.
  • Bij een gift van een bv aan een ANBI waarvan de aandeelhouder oprichter is, wordt getoetst of de gift uit aandeelhoudersmotieven wordt gedaan; giften die voortspruiten uit de persoonlijke charitatieve behoefte van de aandeelhouder kunnen niettemin als aftrekbare gift onder art. 16 Wet Vpb gelden, mits aan de ANBI-eisen is voldaan. ECLI:NL:HR:2012:BQ0525 laat zien dat de afbakening met andere aftrekgrondslagen (zoals art. 9, lid 1, onderdeel i, Wet Vpb) evenmin vanzelfsprekend is.
  • Contante giften zijn op grond van art. 16 lid 3 Wet Vpb nooit aftrekbaar; giften in natura boven € 10.000 vergen een onafhankelijk taxatierapport of factuur die aan de ministeriële eisen voldoet, ook bij kwijtschelding van een vordering op vermogensbestanddelen in natura.
  • Bij giften aan buitenlandse instellingen moet zijn voldaan aan de Nederlandse voorwaarden voor giftenaftrek en, waar relevant, aan het verzoekvereiste van art. 5b, lid 6, AWR; een enkel beroep op vrij verkeer van kapitaal is onvoldoende als aan die voorwaarden niet is voldaan.
  • Een bevoordeling of bijdrage kwalificeert alleen als gift voor zover daardoor geen op geld waardeerbare aanspraken ontstaan; zodra tegenover de betaling een tegenprestatie staat, is (volledige) giftenaftrek niet aan de orde.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 2 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.