Inkomstenbelasting

Giftenaftrek

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Giftenaftrek maakt een uitzondering op de hoofdregel dat een gift geen aftrekbare uitgave is: giften aan algemeen nut beogende instellingen (ANBI's) en steunstichtingen SBBI zijn onder voorwaarden aftrekbaar, zowel bij natuurlijke personen in de inkomstenbelasting als bij lichamen in de vennootschapsbelasting. De inkomstenbelasting kent twee giftvormen naast elkaar, de periodieke gift en de andere gift, elk met een eigen stelsel van drempels en plafonds; de vennootschapsbelasting kent één regime met een eigen plafond. Kern van het leerstuk is de afbakening van een echte gift, een bevoordeling uit vrijgevigheid zonder op geld waardeerbare tegenprestatie, ten opzichte van betalingen die feitelijk een prijs voor een dienst of activiteit vormen.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer is een bevoordeling een gift in de zin van art. 6.33 Wet IB 2001 en art. 16 Wet Vpb 1969, en wanneer niet?
  • Hoe verschillen de periodieke gift en de andere gift in de inkomstenbelasting, en welke voorwaarden gelden voor elk?
  • Onder welke voorwaarden komt een gift van een vennootschap in aftrek, en wanneer dreigt een winstuitdeling?
  • Welke eisen gelden voor giften in natura en voor het afzien van een vrijwilligersvergoeding?
  • Welke "vrijwillige" bijdragen vallen buiten het giftbegrip?

Giftbegrip: vrijgevigheid zonder tegenprestatie

Een gift is in de zin van art. 6.33, onderdeel a, Wet IB 2001 een bevoordeling uit vrijgevigheid of een al dan niet verplichte bijdrage waar geen op geld waardeerbare tegenprestatie tegenover staat; art. 16 lid 2 Wet Vpb 1969 hanteert een nagenoeg gelijkluidende omschrijving. Zodra de gever iets waardeerbaars terugkrijgt, vervalt de vrijgevigheid en daarmee het giftkarakter. Contante giften zijn expliciet uitgesloten (art. 6.37 Wet IB 2001 en art. 16 lid 3 Wet Vpb 1969); voor de inkomstenbelasting telt bovendien een bevoordeling die pas bij of na overlijden wordt betaald, verrekend of ter beschikking gesteld niet als gift (art. 6.37, onderdeel b, Wet IB 2001). Het giftbegrip reikt wel verder dan een rechtstreekse betaling aan de instelling zelf: de Hoge Raad merkte schenkingsrecht dat erfgenamen ten gunste van de instelling betaalden aan als "andere gift" in de zin van art. 6.35 Wet IB 2001 (ECLI:NL:HR:2013:BY8161).

Twee giftvormen in de inkomstenbelasting

De inkomstenbelasting kent twee giftvormen naast elkaar (art. 6.32 Wet IB 2001). De periodieke gift (art. 6.34) is een vaste en gelijkmatige uitkering die uiterlijk bij overlijden eindigt, zonder drempel of percentagemaximum, met een gezamenlijk plafond van € 1.500.000 per kalenderjaar (art. 6.38 lid 4 Wet IB 2001); de andere gift (art. 6.35) kent geen eis van een meerjarige verplichting, met een drempel van € 60 en 1% van het verzamelinkomen en een plafond van 10% van het verzamelinkomen (art. 6.39 lid 1 Wet IB 2001). Voor de periodieke gift geldt een formele eis: de verplichting om ten minste vijf jaar, ten minste jaarlijks, uit te keren moet zijn vastgelegd in een notariële of onderhandse akte van schenking (art. 6.38 lid 1 en 8 Wet IB 2001); eindigt de gift eerder door verlies van de ANBI/SBBI-status, faillissement van de instelling of arbeidsongeschiktheid of werkloosheid van de schenker zonder diens invloed, dan geldt de vijfjaarseis toch als vervuld (lid 6 en 7). Bepalend is de contractuele verplichting uit de schenkingsovereenkomst, niet de feitelijke uitvoering: een termijn die pas het volgende jaar werd voldaan of een uitkering in een vast aantal certificaten van aandelen tast de aftrek niet aan (ECLI:NL:HR:2013:BY8117; ECLI:NL:HR:2013:BY8147; ECLI:NL:HR:2013:BY8105). Ook een afgezien vrijwilligersvergoeding telt onder voorwaarden als gift (art. 6.36), inclusief een kilometervergoeding van € 0,23 voor afgezien kostenvergoeding. Voor giften aan een culturele instelling verhoogt de multiplier van art. 6.39a Wet IB 2001 de aftrek met 25%, tot ten hoogste € 1.250 gezamenlijk voor partners.

Voor een periodieke gift kan de ontvanger ook een vereniging zijn: art. 6.33, onderdeel c, Wet IB 2001 eist dan volledige rechtsbevoegdheid, geen vennootschapsbelastingplicht, ten minste 25 leden en vestiging in een EU-lidstaat, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de BES-eilanden of een aangewezen mogendheid. Art. 16 Wet Vpb 1969 kent deze categorie niet: voor de vennootschapsbelasting komen alleen instellingen en steunstichtingen SBBI in aanmerking, zonder aparte regeling voor periodieke giften.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
IB: andere giftendrempel € 60 en 1% van het verzamelinkomen; plafond 10% van het verzamelinkomenart. 6.39 lid 1 Wet IB 2001
IB: giften in natura (periodiek en andere)boven € 10.000 (€ 20.000 met fiscale partner) per kalenderjaar alleen aftrekbaar met taxatierapport of factuurart. 6.38 lid 2 en 5 en art. 6.39 lid 2 en 4 Wet IB 2001
IB: periodieke giftengeen drempel of percentagemaximum; plafond € 1.500.000 per kalenderjaarart. 6.38 lid 4 Wet IB 2001
IB: multiplier giften aan culturele instellingverhoging met 25%, ten hoogste € 1.250 gezamenlijk voor partnersart. 6.39a Wet IB 2001
Vpb: giftenaftrekten hoogste 50% van de winst, met een maximum van € 100.000art. 16 lid 1 Wet Vpb 1969
Vpb: giften in naturadrempel € 10.000 per kalenderjaar; boven de drempel alleen aftrekbaar met taxatierapport of factuurart. 16 lid 4 Wet Vpb 1969
Vpb: multiplier giften aan culturele instellingverhoging met 50% van het giftbedrag, ten hoogste € 2.500art. 16 lid 6 Wet Vpb 1969

(wettekst geldend per 2026)

Giftenaftrek in de vennootschapsbelasting: plafond en aandeelhoudersmotieven

Bij lichamen verlaagt een gift de fiscale winst tot het plafond van art. 16 lid 1 Wet Vpb 1969: ten hoogste 50% van de winst, met een maximum van € 100.000. Boven dat plafond blijft het meerdere een gewone, niet-aftrekbare uitgave, en loopt een gift aan een gelieerde instelling het risico als winstuitdeling te worden aangemerkt; een tijdelijke regeling die dit risico voor 2024 wegnam ("geven uit de vennootschap") is per 1 januari 2025 vervallen. Een uitkering aan een kwalificerende instelling valt bovendien niet automatisch onder de giftenaftrek: de Hoge Raad oordeelde dat eerst moet worden vastgesteld of een uitkering aan een woningcorporatie onder de aftrek van art. 9, lid 1, onderdeel i, Wet Vpb 1969, dan wel onder de giftenaftrek van art. 16 Wet Vpb 1969 valt (ECLI:NL:HR:2012:BQ0525). Bij een gift van een bv aan een door de aandeelhouder zelf opgerichte ANBI wordt getoetst op aandeelhoudersmotieven; een gift die voortspruit uit de persoonlijke charitatieve behoefte van de aandeelhouder kan niettemin aftrekbaar zijn onder art. 16 Wet Vpb 1969, mits aan de ANBI-eisen is voldaan, en bij een vereniging als enig aandeelhouder geldt dezelfde toets via het renpaardenarrest. Financiert de vennootschap de eigen ANBI-stichting vanuit maatschappelijk-verantwoord-ondernemenbeleid, dan kan de gift als zakelijke bedrijfsuitgave gelden in plaats van als beperkt aftrekbare gift. Voor giften aan een culturele instelling verhoogt art. 16 lid 6 Wet Vpb 1969 de aftrek met 50% van het giftbedrag, tot ten hoogste € 2.500.

Giften in natura en waardering

Giften in natura, zoals kunst, effecten of onroerend goed, zijn boven € 10.000 per kalenderjaar (€ 20.000 met een fiscale partner, voor de inkomstenbelasting) alleen aftrekbaar voor zover de waarde in het economische verkeer volgt uit een onafhankelijk taxatierapport of een factuur die aan ministeriële eisen voldoet (art. 6.38 lid 2 en 5 en art. 6.39 lid 2 en 4 Wet IB 2001; art. 16 lid 4 Wet Vpb 1969 kent dezelfde drempel, zonder partnerregeling). Onder giften in natura valt ook de kwijtschelding van een vordering op een vermogensbestanddeel in natura (art. 16 lid 5 Wet Vpb 1969). Voor de aftrek zelf is geen aparte aanvraag nodig: de gift wordt opgevoerd in de aangifte van het jaar van betaling, gestaafd met schriftelijke bescheiden; voor de periodieke gift is de akte van schenking een dwingende formaliteit, en voor natura boven de drempel het taxatierapport of de factuur.

Wat niet kwalificeert: tegenprestatie en "vrijwillige" bijdragen

Een "vrijwillige" bijdrage is niet automatisch een gift. Een vrijwillige ouderbijdrage aan een school en een vrijwillige bewonersbijdrage aan een verpleeghuis kwalificeren doorgaans niet als aftrekbare gift: zij vormen vaak een verplichting uit moraal en fatsoen, staan tegenover georganiseerde activiteiten die als tegenprestatie gelden, en zijn niet splitsbaar in een wel en niet aftrekbaar deel. Afstand van inkomsten kan daarentegen wél als gift kwalificeren: bij afstand ten gunste van een kloostergemeenschap geldt het verschil tussen de inkomsten en de door de gemeenschap betaalde kosten als aftrekbare gift, zij het niet als periodieke gift. Bij buitenlandse instellingen is een enkel beroep op het vrije verkeer van kapitaal onvoldoende: het Gerechtshof Amsterdam achtte geen belemmering aanwezig omdat de instellingen geen verzoek als bedoeld in art. 5b, lid 6, AWR hadden gedaan en niet aan de Nederlandse voorwaarden voldeden (ECLI:NL:GHAMS:2024:1296).

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De multiplier van art. 16 lid 6 Wet Vpb 1969 blijft toepasbaar bij een negatieve winst, omdat de verhoging aansluit bij het giftbedrag en niet bij de winst zelf.
  • Bedragen die als drempel of maximum in art. 16 Wet Vpb 1969 zijn opgenomen, worden bij een aangifte in functionele valuta rekenkundig afgerond op hele bedragen, niet ten gunste van de belastingplichtige.
  • Bij een gift vanuit een bv aan een zelf opgerichte ANBI-stichting is het onderscheid tussen aandeelhoudersmotieven (giftenaftrek, beperkt) en maatschappelijk-verantwoord-ondernemenbeleid (zakelijke bedrijfsuitgave, onbeperkt) bepalend voor de aftrekroute.
  • Giftenaftrek is voor de inkomstenbelasting een vorm van persoonsgebonden aftrek; de status van de ontvangende instelling wordt afzonderlijk getoetst aan het ANBI-kader.
  • Bij een periodieke gift telt de contractuele verplichting uit de akte, niet de feitelijke uitvoering; een vertraagde termijnbetaling is op zichzelf niet fataal voor de aftrek.

Recente ontwikkelingen

  • 2021: het Gerechtshof Amsterdam beoordeelt de omvang van giftenaftrek voor giften aan een stichting; mede in geschil is of het controlerapport over die stichting geheim mag blijven (ECLI:NL:GHAMS:2021:1104).
  • 2022: kennisgroepstandpunten bevestigen dat de multiplier van art. 16 lid 6 Wet Vpb 1969 ook bij negatieve winst geldt (KG:011:2022:5), dat een vrijwillige ouder- of bewonersbijdrage doorgaans geen gift is (KG:202:2022:9 en KG:202:2022:10), dat een bv die de eigen ANBI-stichting financiert vanuit MVO-beleid dit als zakelijke bedrijfsuitgave mag aftrekken (KG:011:2022:12), en dat eurobedragen bij aangifte in functionele valuta worden afgerond (KG:011:2022:7).
  • 2023: de kennisgroep bevestigt voor een bv met een vereniging als enig aandeelhouder de renpaardenarrest-toets op aandeelhoudersmotieven (KG:011:2023:13).
  • 2024: het Gerechtshof Amsterdam wijst een beroep op vrij verkeer van kapitaal af omdat de buitenlandse instelling geen verzoek als bedoeld in art. 5b, lid 6, AWR had gedaan (ECLI:NL:GHAMS:2024:1296); de kennisgroep bevestigt dat afstand van inkomsten aan een kloostergemeenschap als gift kwalificeert (KG:202:2024:23).
  • 2025: op 11 november publiceert de kennisgroep een standpunt over de periodieke gift waarbij van de beoogde looptijd van vijf jaar slechts één termijn daadwerkelijk is uitgevoerd.
  • 2026: het Gerechtshof Amsterdam behandelt giftenaftrek als een van de aftrekposten, naast onder meer alimentatie en scholingsuitgaven, over de jaren 2010 tot en met 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2026:186).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 6 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.