Inkomstenbelasting

Persoonsgebonden aftrek

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Persoonsgebonden aftrek verzamelt uitgaven die niet voortvloeien uit een bron van inkomen, maar wel uit de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige: onderhoudsverplichtingen, uitgaven wegens ziekte of invaliditeit, weekenduitgaven voor een gehandicapt gezinslid en giften. Art. 6.1 lid 1 Wet IB 2001 telt deze posten op tot één gezamenlijk bedrag, dat het inkomen vermindert: eerst in box 1, dan in box 3, ten slotte in box 2. Onbenutte aftrek gaat niet verloren, maar schuift door naar latere jaren (lid 1 onderdeel b). Dit dossier werkt de zorgkostencomponent van afdeling 6.5 (art. 6.17) inhoudelijk uit, omdat die categorie zowel in de wetgeving als in de rechtspraak en het beleid over dit thema veruit het grootste gewicht heeft; de overige categorieën komen kort aan bod, met de aftrekbare giften als apart thema.

Dit thema beantwoordt:

  • Welke categorieën vallen onder de persoonsgebonden aftrek en in welke volgorde vermindert de aftrek het inkomen?
  • Wanneer kwalificeert een uitgave als specifieke zorgkosten en welke aanvullende toets geldt daarnaast?
  • Welke hulpmiddelen en kosten zijn uitdrukkelijk van aftrek uitgesloten?
  • Hoe werkt de inkomensafhankelijke drempel voor gezinshulp, ook bij partners?
  • Hoe wordt de bewijslast per aftrekpost in de praktijk beoordeeld?

Wettelijk kader: het gezamenlijke bedrag (art. 6.1)

Art. 6.1 lid 1 Wet IB 2001 definieert persoonsgebonden aftrek als het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar drukkende aftrekposten (onderdeel a) en het niet eerder benutte gedeelte van voorgaande jaren (onderdeel b); de aftrek is dus niet beperkt tot het lopende jaar. Lid 2 somt de resterende categorieën op: onderhoudsverplichtingen (afdeling 6.2), specifieke zorgkosten (afdeling 6.5), weekenduitgaven voor gehandicapten (afdeling 6.6) en aftrekbare giften (afdeling 6.9); de letters b, c, f en g zijn vervallen. Alleen voor de zorgkostencategorie (onderdeel d) geldt de aanvullende toets van lid 3: een uitgave komt slechts in aftrek voor zover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen ervan. Lid 4 laat toe dat bij algemene maatregel van bestuur vergoedingen of tegemoetkomingen buiten beschouwing blijven bij het bepalen van wat drukt, zodat een uitgave die elders al is vergoed niet nogmaals in aftrek komt.

Dit dossier werkt vanaf hier de zorgkosten van afdeling 6.5 uit; onderhoudsverplichtingen en weekenduitgaven voor gehandicapten komen niet verder inhoudelijk aan bod.

Specifieke zorgkosten: kwalificatie en de "redelijkerwijs gedrongen"-toets

Art. 6.17 lid 1 Wet IB 2001 somt limitatief op welke uitgaven wegens ziekte of invaliditeit als specifieke zorgkosten kwalificeren: genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen (onderdeel a); vervoer voor het verkrijgen van die hulp en van hulpmiddelen als bedoeld in de onderdelen a, d en e (onderdeel b); ander vervoer bij een loopbeperking tot 100 meter, mits met schriftelijke bescheiden aangetoond (onderdeel c); farmaceutische hulpmiddelen op doktersvoorschrift (onderdeel d); andere hulpmiddelen die hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt (onderdeel e); extra gezinshulp (onderdeel f); extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet (onderdeel g); extra kleding en beddengoed en daarmee samenhangende extra uitgaven (onderdeel h); en reizen voor het regelmatig bezoeken van een langer dan een maand wegens ziekte of invaliditeit verpleegd gezinslid, bij een reisafstand van meer dan 10 kilometer (onderdeel i). Voor elke categorie geldt daarnaast de "redelijkerwijs gedrongen"-toets van art. 6.1 lid 3: kwalificatie onder een van deze onderdelen en die toets zijn twee cumulatieve horden, geen alternatieven.

Lid 2 sluit een aantal posten uitdrukkelijk uit als "ander hulpmiddel" in de zin van onderdeel e, ook als zij feitelijk hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt: brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen, scootmobielen, rolstoelen, en aanpassingen aan, in of om een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan. Voor de overige hulpmiddelen geldt het hoofdzakelijkheidscriterium: een hulpmiddel voldoet daaraan wanneer het voor ten minste 70 procent door zieke of invalide personen wordt gebruikt. Genees- en heelkundige hulp in de zin van onderdeel a omvat naast behandeling door een arts ook een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus, of een behandeling door een bij ministeriële regeling aangewezen paramedicus met een verklaring die aan nadere voorwaarden voldoet (lid 10). Een wettelijke definitie van "paramedicus" ontbreekt; voor de route via een paramedicus op voorschrift van een arts geldt dat de behandeling ook onder begeleiding van die arts moet plaatsvinden.

Gezinshulp-drempel, vervoerforfait en bewijs

Gezinshulp (onderdeel f) is pas aftrekbaar voor zover de uitgaven een inkomensafhankelijke drempel overschrijden: 0 procent van het verzamelinkomen tot en met € 39.701, oplopend via 1 en 2 procent tot 3 procent van het verzamelinkomen vanaf € 79.387 (lid 3). Heeft de belastingplichtige het hele kalenderjaar een partner, dan worden de uitgaven voor gezinshulp én de verzamelinkomens van beide partners samengevoegd voor de toepassing van die drempel (lid 4); dat sluit aan bij de bredere regels van het fiscaal partnerschap. De uitgaven voor gezinshulp worden alleen in aanmerking genomen voor zover zij blijken uit gedagtekende facturen met naam en adres van de gezinshulp (lid 5).

Voor vervoer ter verkrijging van hulp of hulpmiddelen (onderdeel b) en voor ziekenbezoek (onderdeel i) geldt bij reizen per eigen auto een vergoeding van € 0,23 per kilometer, vermeerderd met parkeer-, veer- en tolgelden; bij vervoer op andere wijze tellen de werkelijke kosten (lid 6). Het andersoortige vervoer bij een loopbeperking tot 100 meter (onderdeel c) wordt forfaitair in aanmerking genomen voor € 925 per jaar (lid 7). Voor het dieetonderdeel (g) worden de forfaits bij ministeriële regeling vastgesteld, waarbij een voorschrift van een diëtist gelijkstaat aan een medisch voorschrift (lid 8 en 9).

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Forfait vervoer bij loopbeperking tot 100 meter (onderdeel c)€ 925 per jaarart. 6.17 lid 7 Wet IB 2001
Kilometervergoeding eigen auto (vervoer zorg en ziekenbezoek)€ 0,23 per kilometer, plus parkeer-, veer- en tolgeldenart. 6.17 lid 6 onderdeel a Wet IB 2001
Gezinshulp-drempel, hoogste schijf (verzamelinkomen vanaf € 79.387)3% van het verzamelinkomenart. 6.17 lid 3 Wet IB 2001
Minimumreisafstand voor aftrek ziekenbezoekreizen (onderdeel i)meer dan 10 kilometerart. 6.17 lid 1 onderdeel i Wet IB 2001

(wettekst geldend per 2026)

Bewijslast in de praktijk: beoordeling per post

De gepubliceerde rechtspraak over specifieke zorgkosten gaat vrijwel steeds over dezelfde kernvraag: is een concrete uitgave voldoende onderbouwd en valt zij onder de juiste letter van art. 6.17 lid 1? Een lijn van zaken van het Gerechtshof Amsterdam laat zien dat die beoordeling per post plaatsvindt, niet als één geheel over de gehele aftrekpost. In ECLI:NL:GHAMS:2022:3791 (2022) faalden de gronden voor aftrek van kleding en beddengoed en van vervoerskosten, omdat de in hoger beroep overgelegde stukken deze uitgaven niet onderbouwden, terwijl partijen het over de aftrek van tandartskosten wél eens werden. In ECLI:NL:GHAMS:2021:2794 (2021) achtte het Hof de kosten voor extra kleding en beddengoed van de echtgenote van belanghebbende niet aannemelijk, omdat niet vaststond dat zij in het betreffende jaar aan incontinentie leed. In ECLI:NL:GHAMS:2021:1127 (2021) en ECLI:NL:GHAMS:2023:1696 (2023) stond de aftrek van respectievelijk specifieke zorgkosten in het algemeen en van genees- en heelkundige hulp specifiek centraal, telkens over een ander aanslagjaar (2017 en 2018).

Deze lijn onderstreept dat een post die goed is onderbouwd (bijvoorbeeld tandartskosten) naast een post kan staan die dat niet is (kleding en beddengoed, vervoer) binnen dezelfde procedure, en dat het ontbreken van onderbouwing bij de ene post niet automatisch doorwerkt naar de andere.

Procedure en toerekeningsjaar

Er is geen aparte aanvraag of keuzeformulier: de aftrek wordt geclaimd in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar waarin de uitgave drukt. Het juiste toerekeningsjaar wordt bepaald door afdeling 6.10 (art. 6.40) Wet IB 2001; de hiervoor besproken rechtspraak gaat telkens over een specifiek aanslagjaar, wat onderstreept dat een uitgave eerst aan het juiste kalenderjaar moet worden toegerekend voordat de kwalificatievraag zelf aan de orde komt. Ontbreekt de wettelijk vereiste onderbouwing (gedagtekende facturen bij gezinshulp, schriftelijke bescheiden bij het 100-meter-vervoer), dan wordt de aftrek bij een correctie door de inspecteur in bezwaar of beroep doorgaans niet gehonoreerd. Bij een verschil van inzicht over de kwalificatie of de omvang van de aftrek loopt de vervolgroute via bezwaar en beroep.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Elke zorgkostenpost wordt afzonderlijk getoetst aan de letter van art. 6.17 lid 1 waaronder zij wordt geclaimd; een goed onderbouwde post kan naast een onvoldoende onderbouwde post in dezelfde procedure staan.
  • Sluitende schriftelijke onderbouwing is bepalend waar de wet dat expliciet eist: gedagtekende facturen met naam en adres bij gezinshulp (lid 5), schriftelijke bescheiden over de loopbeperking bij het 100-meter-vervoer (onderdeel c).
  • De "redelijkerwijs gedrongen"-toets van art. 6.1 lid 3 staat los van de kwalificatievraag: kwalificatie onder art. 6.17 lid 1 is niet automatisch voldoende voor aftrek.
  • De uitsluiting van art. 6.17 lid 2 is categorisch: brillen, contactlenzen, scootmobielen, rolstoelen en woningaanpassingen kwalificeren nooit als "ander hulpmiddel", ongeacht het hoofdzakelijkheidscriterium dat voor overige hulpmiddelen geldt.
  • Uitgaven kunnen onder meerdere categorieën van art. 6.17 tegelijk vallen zonder dat daartussen een rangorde bestaat, maar dubbeltelling van dezelfde uitgave onder twee categorieën is niet toegestaan.
  • Onbenutte aftrek gaat niet verloren: art. 6.1 lid 1 onderdeel b laat haar doorschuiven naar latere jaren.

Recente ontwikkelingen

  • 1 december 2023: de kennisgroep neemt het standpunt in dat een hulpmiddel aan het hoofdzakelijkheidscriterium van art. 6.17 lid 1 onderdeel e voldoet bij gebruik van ten minste 70 procent door zieke of invalide personen (KG:202:2023:41).
  • 28 mei 2024: de kennisgroep oordeelt dat een vrijwillige storting van een ouder in het persoonsgebonden budget van een kind doorgaans niet als specifieke zorgkosten kwalificeert, tenzij geen verhaalsmogelijkheid bestaat en aan verdere voorwaarden is voldaan (KG:202:2024:18).
  • 1 januari 2025: art. 6.17 Wet IB 2001 wordt gewijzigd, waardoor het kennisgroepstandpunt over vervoerskosten bij de aanschaf van een hulpmiddel onder de oude wettekst vervalt (KG:202:2024:11).
  • 25 augustus 2025: de kennisgroep bepaalt dat een ouder het forfaitaire vervoersbedrag voor een meerderjarig kind met een loopbeperking in aanmerking kan nemen, maar het kind zelf niet, omdat de kosten dan niet op het kind drukken (KG:202:2025:12).
  • 9 oktober 2025: de kennisgroep neemt het standpunt in dat energiekosten voor het gebruik van een hulpmiddel als bedoeld in art. 6.17 lid 1 onderdeel e zelf ook als specifieke zorgkosten kwalificeren (KG:202:2025:20).
  • 7 november 2025: de kennisgroep verduidelijkt dat een aankoppelbare handbike als hulpmiddel in de zin van art. 6.17 kwalificeert, met volledige aftrek van de aanschafkosten (KG:202:2025:23).
  • 12 januari 2026: de kennisgroep neemt het standpunt in dat een wettelijke definitie van "paramedicus" ontbreekt, maar dat voor onderdeel a vereist is dat de behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts plaatsvindt (KG:202:2026:1).
  • 15 januari 2026: de kennisgroep verduidelijkt dat het werkadres van een bezoeker niet kwalificeert als verblijfplaats in de zin van art. 6.17 lid 1 onderdeel i; alleen het woonadres of de feitelijke verblijfplaats telt (KG:202:2026:2).
  • 3 juni 2026: de kennisgroep bevestigt dat uitgaven voor kleding en beddengoed onder meerdere categorieën van art. 6.17 kunnen vallen zonder rangorde, met dien verstande dat dubbeltelling van dezelfde uitgave niet is toegestaan (KG:202:2026:8).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 110 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.