Formeel belastingrecht
Naheffing
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Naheffing is het correctiemiddel waarmee de inspecteur alsnog belasting int die bij een aangiftebelasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, of die via een ten onrechte gehonoreerd verzoek om vrijstelling, vermindering van inhouding of teruggaaf is misgelopen. Aangiftebelastingen zoals de loonheffingen en de omzetbelasting werken op basis van eigen aangifte en betaling; pas achteraf, doorgaans naar aanleiding van een boekenonderzoek of een controle van de aangiftegegevens, toetst de Belastingdienst of het afgedragen bedrag klopte. Anders dan bij navordering is voor naheffing geen nieuw feit vereist: de inspecteur kan ook corrigeren als de te weinig geheven belasting al eerder uit de beschikbare gegevens had kunnen blijken. Het leerstuk is formeel van aard: art. 20 AWR regelt niet welke belasting verschuldigd is, maar wie, binnen welke termijn en op welke wijze die belasting alsnog kan worden ingevorderd, en geldt uitsluitend voor aangiftebelastingen.
Dit thema beantwoordt:
- In welke twee situaties kan de inspecteur een naheffingsaanslag opleggen?
- Aan wie wordt de naheffingsaanslag opgelegd, en wanneer werkt de derde-toerekening van art. 20 lid 2 AWR?
- Welke vervaltermijn geldt voor de naheffingsbevoegdheid, en wanneer geldt de verlengde termijn van twaalf jaar?
- Welke belastingrente en boetes lopen mee met een naheffingsaanslag, en staan die los van de naheffing zelf?
- Wat is de reikwijdte van naheffing ten opzichte van navordering, en welke formaliteiten raken de geldigheid van de aanslag niet?
Wanneer kan worden nageheven
Naheffing onderstelt steeds een aangiftebelasting: een belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, zoals loonbelasting of omzetbelasting. Art. 20 lid 1 AWR stelt twee situaties wettelijk gelijk. De eerste is de gewone: de verschuldigde belasting is geheel of gedeeltelijk niet betaald. De tweede ziet op een eerder gehonoreerd verzoek: naar aanleiding daarvan is ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting verleend. Door beide situaties gelijk te stellen, voorkomt de wet dat een onterecht toegekend voordeel buiten het bereik van naheffing valt enkel omdat er geen feitelijke onderbetaling was.
Wie krijgt de aanslag
Art. 20 lid 2 AWR wijst de naheffingsaanslag in de eerste volzin toe aan degene die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie het voordeel ten onrechte is verleend. De tweede volzin voegt een toerekeningsregel toe: heeft een ander dan de belasting- of inhoudingsplichtige, door het niet naleven van bepalingen van de belastingwet, veroorzaakt dat te weinig belasting is geheven, dan wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd. De Hoge Raad paste deze toerekening in 2022 toe op een geval waarin de koper van een onroerende zaak niet voldeed aan de voorwaarde van belast gebruik: de daardoor, als gevolg van de herziene aftrek, onbetaald gebleven omzetbelasting kon op grond van art. 20 AWR worden nageheven bij de verkoper (ECLI:NL:HR:2022:301). De toerekening werkt dus niet alleen bij wie de belasting feitelijk "hangt", maar ook bij wie de wettelijke voorwaarde schond, en alleen voor zover het verzuim aantoonbaar bij die ander ligt en niet (mede) bij de belasting- of inhoudingsplichtige zelf.
Termijnen, belastingrente en boetes
De bevoegdheid tot naheffen vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend (art. 20 lid 3 AWR). Voor de verkrijging van economische eigendom van onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen als bedoeld in art. 2 lid 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer geldt in plaats daarvan een termijn van twaalf jaar (art. 20 lid 4 AWR); die verlenging hangt samen met het gegeven dat dit soort verkrijgingen vaak pas geruime tijd na het ontstaan van de belastingschuld aan het licht komt. Bij wijze van prejudiciële beslissing oordeelde de Hoge Raad in 2019 dat het berekeningsvoorschrift van art. 34 lid 2 Wet MRB niet in strijd is met art. 18 VWEU, voor zover de naheffing niet eerder aanvangt dan het vijfde kalenderjaar vóór de constatering (ECLI:NL:HR:2019:483); de vervaltermijnsystematiek van naheffing kan dus ook aan het Unierechtelijke gelijkheidsbeginsel worden getoetst, zonder dat dit in die zaak tot een andere uitkomst leidde.
Wordt de naheffingsaanslag vastgesteld na afloop van het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft, dan brengt de inspecteur belastingrente in rekening: enkelvoudig berekend vanaf de dag na dat tijdvak tot de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar wordt (art. 30h AWR). Het toepasselijke rentepercentage staat niet in de AWR maar wordt periodiek vastgesteld; dat komt aan bod in het dossier belastingrente. Naast de rente kan de inspecteur, gelijktijdig met de naheffingsaanslag, een boete opleggen: bij betaalverzuim, zonder dat opzet of schuld hoeft te worden aangetoond, een verzuimboete van ten hoogste €6.709 (art. 67c AWR), of bij opzet of grove schuld een vergrijpboete van ten hoogste 100% van het niet of niet tijdig betaalde bedrag (art. 67f AWR). Beide boetebevoegdheden vervallen, net als de naheffingsbevoegdheid zelf, na vijf jaar (art. 67c lid 3 respectievelijk art. 67f lid 4 AWR). Naheffen en beboeten zijn evenwel juridisch gescheiden vragen: in 2024 oordeelde de Hoge Raad dat ten onrechte op verzoek verleende teruggaven van bpm weliswaar via art. 20 AWR kunnen worden nageheven, maar geen beboetbaar feit opleveren in de zin van art. 67f AWR, en vernietigde de boetebeschikkingen (ECLI:NL:HR:2024:1422). Meer over de boetesystematiek zelf staat in het dossier fiscale boetes.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Vervaltermijn naheffing (hoofdregel) | 5 jaar na einde kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond of de teruggaaf werd verleend | art. 20 lid 3 AWR |
| Vervaltermijn bij verkrijging economische eigendom onroerende zaken | 12 jaar na einde kalenderjaar waarin de belastingschuld ontstond | art. 20 lid 4 AWR jo. art. 2 lid 2 Wet op belastingen van rechtsverkeer |
| Betaalverzuimboete bij naheffing (maximum, geen opzet of schuld vereist) | €6.709 | art. 67c AWR |
| Vergrijpboete bij naheffing (maximum, bij opzet of grove schuld) | 100% van het niet of niet tijdig betaalde bedrag | art. 67f AWR |
(wettekst geldend per 2026)
Reikwijdte en formaliteiten
Naheffing ziet uitsluitend op aangiftebelastingen; bij aanslagbelastingen zoals de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting is navordering het spiegelbeeldige correctiemiddel, waarvoor wél een nieuw feit is vereist (zie navordering). Formaliteiten van bekendmoment en -wijze tasten de geldigheid van de aanslag niet zonder meer aan: de Hoge Raad oordeelde in 2013 dat een naheffingsaanslag bpm al vóór de registratie van de personenauto kan worden opgelegd, en dat bekendmaking van de aanslag door de inspecteur in plaats van door de ontvanger geen afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de aanslag (ECLI:NL:HR:2013:64). De onderliggende heffingsgrondslag moet wel standhouden: in 2026 verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep in een zaak over parkeerbelasting van de gemeente Diemen gegrond en vernietigde de naheffingsaanslag, in een geschil over de eerste twee niet in rekening gebrachte parkeeruren (ECLI:NL:HR:2026:715). Tegen de naheffingsaanslag en een eventueel gelijktijdig opgelegde boete staat bezwaar en beroep open volgens de gewone regels.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Naheffing en navordering worden in de praktijk vaak door elkaar gehaald; onderscheidend is het type belasting, niet de ernst van de correctie: aangiftebelastingen lopen via naheffing (geen nieuw feit vereist), aanslagbelastingen via navordering (nieuw feit wél vereist).
- Een naheffingsaanslag en een eventuele boete zijn afzonderlijke vragen: uit ECLI:NL:HR:2024:1422 volgt dat een ten onrechte verleende bpm-teruggaaf geen beboetbaar feit in de zin van art. 67f AWR oplevert, terwijl de naheffing zelf wel standhoudt.
- Bij de derde-toerekening van art. 20 lid 2 AWR speelt in de praktijk vaak discussie of het verzuim werkelijk aan de "ander" is te wijten en niet (mede) aan de belasting- of inhoudingsplichtige zelf.
- Bekendmaking van de aanslag door de inspecteur in plaats van door de ontvanger doet, blijkens ECLI:NL:HR:2013:64, geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid; een formeel verweer op dat punt heeft doorgaans weinig kans van slagen.
- Bij samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid loopt invordering van omzetbelasting niet rechtstreeks bij het samenwerkingsverband, maar via aansprakelijkstelling van de bestuurders op grond van art. 33 lid 1 onderdeel a Invorderingswet 1990.
Recente ontwikkelingen
- 2024: de Hoge Raad oordeelt dat de belastingrechter bij een naheffingsaanslag parkeerbelasting met kostenverhaal niet kan beoordelen of de niet-betaling verwijtbaar is of het kostenverhaal passend en geboden is, behoudens de in het arrest genoemde uitzonderingssituaties (ECLI:NL:HR:2024:1535).
- 2025: de kennisgroep omzetbelasting neemt het standpunt in dat de belastingschuld van een feitelijk samenwerkingsverband voor de omzetbelasting niet rechtstreeks bij dat samenwerkingsverband kan worden ingevorderd, omdat het samenwerkingsverband zelf niet als belastingschuldige kwalificeert (KG:207:2025:3).
- 2026: de Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond in een zaak waarin het nultarief voor intracommunautaire leveringen was geweigerd wegens deelname aan btw-fraude in een andere lidstaat, in geschil over de vraag of opzet of grove schuld gericht was op het niet betalen van omzetbelasting in Nederland, en vernietigt de boetebeschikkingen (ECLI:NL:HR:2026:279).
- 2026: de Hoge Raad verklaart het cassatieberoep in een zaak over parkeerbelasting van de gemeente Diemen gegrond en vernietigt de naheffingsaanslag, in een geschil over de eerste twee niet in rekening gebrachte parkeeruren (ECLI:NL:HR:2026:715).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
115 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2019:483 (2019)
De Hoge Raad oordeelt bij wijze van prejudiciële beslissing dat het berekeningsvoorschrift van artikel 34, lid 2, Wet MRB niet in strijd is met artikel 18 VWEU voor zover de naheffing niet eerder aanvangt dan het vijfde kalenderjaar vóór de constatering.
-
ECLI:NL:HR:2024:1422 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat ten onrechte op verzoek verleende teruggaven van bpm geen beboetbaar feit opleveren in de zin van artikel 67f AWR, en vernietigt de boetebeschikkingen.
-
ECLI:NL:HR:2022:301 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat wanneer de koper van een onroerende zaak niet voldoet aan de voorwaarde van belast gebruik, de inspecteur de als gevolg van de herziene aftrek onbetaald gebleven omzetbelasting op grond van art. 20 AWR kan naheffen bij de verkoper.
-
ECLI:NL:HR:2026:715 (2026)
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Diemen en de onderliggende uitspraken; het geschil betreft parkeren waarvan de eerste twee uur niet in rekening werden gebracht (art. 20, lid 1, AWR).
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:2513 (2020)
Het Gerechtshof oordeelt dat artikel 20, lid 2, tweede volzin, van de AWR niet in de weg staat aan het opleggen van een naheffingsaanslag in de accijns aan belanghebbende.
-
ECLI:NL:HR:2013:64 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat een naheffingsaanslag BPM al vóór de registratie van de personenauto kan worden opgelegd, en dat bekendmaking van de aanslag door de inspecteur in plaats van door de ontvanger geen afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de aanslag.
-
ECLI:NL:HR:2010:BL6551 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat een op artikel 76 Wet Mrb gebaseerde naheffingsaanslag geen melding van aangiftetijdvakken behoeft, maar dat het Hof wel het juiste nageheven bedrag had moeten berekenen uitgaande van de geconstateerde datum; verwijzing volgt.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:1992 (2023)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
-
ECLI:NL:HR:2024:1535 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat de belastingrechter bij een naheffingsaanslag parkeerbelasting met kostenverhaal niet kan beoordelen of de niet-betaling verwijtbaar is of het kostenverhaal passend en geboden is, behoudens de in het arrest genoemde uitzonderingssituaties.
-
ECLI:NL:HR:2026:279 (2026)
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en vernietigt de boetebeschikkingen, in een zaak waarin het nultarief voor intracommunautaire leveringen was geweigerd wegens deelname aan btw-fraude in een andere lidstaat en in geschil was of opzet of grove schuld gericht was op het niet betalen van omzetbelasting in Nederland.
Beleid en standpunten
25 bronnen in de kennisbank-
Kamerstuk 36369 nr. C (EK)
Nota naar aanleiding verslag op implementatie minimumbelasting-richtlijn (EU) 2022/2523 voor multinationale groepen en omvangrijke binnenlandse groepen.
-
Besluit BWBR0047673
Geactualiseerd beleid inzake zekerheid bij fiscale vertegenwoordigers in btw: vereenvoudigde berekening op basis van gemiddelde maandelijkse verschuldigde btw voor zowel algemeen als beperkt fiscaal vertegenwoordigers.
-
KG:207:2025:3 (2025)
Standpunt: Belastingschuld van feitelijk samenwerkingsverband OB kan niet direct bij het samenwerkingsverband maar bij de natuurlijke personen worden ingevorderd.
-
Kamerstuk 29767 nr. 9
Nota wijziging breidt toepassing motorrijtuigenbelasting en eigenwoningforfait uit tot bestelauto's; artikel 11g tarief verlaagd van €0,51 naar €0,285 per kubieke meter leidingwater.
-
Besluit BWBR0035390
Goedkeuring inzake margeregeling omzetbelasting: nadere beschrijving van margeregeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen en antiquiteiten, met toelichting van individuele en globale methode voor bepaling winstmarge.
-
Kamerstuk 36369 nr. 3
De memorie implementeert de EU mondiaal minimumbelasting (Pillar 2) voor multinationale groepen, minimaal effectief tarief 15%.
-
Kamerstuk 34552 nr. 38
Procedureel stuk: schriftelijke antwoorden op vragen en oordeel regering over amendementen Belastingplan 2017.
-
KG:013:2023:3 (2023)
Standpunt: De belastingverschuldigdheid BPM ontstaat op het moment van aangifte, niet bij betaling; verzoek om ambtshalve teruggaaf moet binnen vijf jaar na aangifte worden ingediend.
-
Besluit BWBR0040766
Goedkeuring/beleid inzake dividendbelasting: het besluit bevat regelingen voor vermindering, (gedeeltelijke) vrijstelling en teruggaaf met een bijzondere mogelijkheid voor gemachtigden om meerdere verzoeken gebundeld in te dienen.
-
Besluit BWBR0024096
Leidraad met beleidsregels voor toepassing van de Invorderingswet 1990, vervangende de Leidraad Invordering 1990. De leidraad bevat alleen nog beleidsregels, niet verwerkt in wetgeving.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.