Formeel belastingrecht
Fiscale boeten (verzuim- en vergrijpboeten)
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Fiscale boeten zijn het sanctie-instrumentarium van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) waarmee de inspecteur reageert op het niet nakomen van de aangifte- of betalingsplicht. De verzuimboete straft het enkele feit dat een verplichting niet of niet tijdig is nagekomen, zonder dat opzet of schuld hoeft te worden vastgesteld. De vergrijpboete grijpt dieper: die kan alleen worden opgelegd als de inspecteur aantoont dat opzet, en bij een deel van de bepalingen ook grove schuld, van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige ten grondslag ligt aan het onjuist doen van aangifte of het te weinig betalen van belasting, en loopt op tot een percentage van de gemiste belasting in plaats van een vast bedrag. Omdat een bestuurlijke boete geldt als een criminal charge in de zin van art. 6 EVRM, gelden waarborgen als in het strafrecht, zoals de cautieplicht bij verhoor en het una via-beginsel (geen dubbele bestraffing via boete én strafvervolging voor hetzelfde feit); zo was in de rechtspraak aan de orde of de inspecteur voorafgaand aan een verhoor moet wijzen op het recht op rechtsbijstand (ECLI:NL:HR:2024:1135).
Dit thema beantwoordt:
- Welke boete hoort bij welk verzuim, en welk AWR-artikel is van toepassing?
- Wanneer is sprake van opzet of grove schuld, en wat betekent een pleitbaar standpunt?
- Wanneer is de vereiste aangifte niet gedaan?
- Hoe verloopt de procedure van boeteoplegging en welke termijnen gelden?
- Hoe kan een vergrijpboete via de inkeerregeling worden voorkomen of beperkt?
Welke boete hoort bij welk verzuim
De eerste vraag is welk type belasting en welk verzuim aan de orde is. Bij een aanslagbelasting zoals de inkomsten- of vennootschapsbelasting geldt: blijft de aangifte uit, dan volgt een aangifteverzuimboete van ten hoogste €6.709 zonder dat opzet is vereist (art. 67a AWR); is de aangifte opzettelijk niet, onjuist of onvolledig gedaan, dan volgt een vergrijpboete van ten hoogste 100 percent van de grondslag, oplopend tot 300 percent voor zover het gaat om belastbaar inkomen als bedoeld in art. 5.1 Wet IB 2001, dus box 3-inkomen (art. 67d AWR); blijkt de aanslag achteraf door opzet of grove schuld te laag, dan volgt bij navordering dezelfde vergrijpboete via art. 67e AWR. Bij een aangiftebelasting zoals omzetbelasting of loonheffing geldt: blijft de aangifte uit, dan geldt een verzuimboete van ten hoogste €165, voor de loonbelasting €1.675 (art. 67b AWR); is een verschuldigd bedrag niet, gedeeltelijk niet of te laat betaald zonder aantoonbare opzet of grove schuld, dan volgt een betaalverzuimboete van ten hoogste €6.709 (art. 67c AWR); gaat datzelfde betaalverzuim gepaard met opzet of grove schuld, dan volgt bij naheffing een vergrijpboete van ten hoogste 100 percent van het niet betaalde bedrag (art. 67f AWR). Beboetbaar zijn zowel de belastingplichtige als, bij aangiftebelastingen, de inhoudingsplichtige die de belasting op aangifte moet voldoen of afdragen.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Aangifteverzuimboete aanslagbelasting (max.) | €6.709 | art. 67a lid 1 AWR |
| Vergrijpboete aangifte aanslagbelasting (max.) | 100% van de grondslag (300% bij box 3-inkomen) | art. 67d lid 1 en 5 AWR |
| Vergrijpboete navordering (max.) | 100% van de grondslag (300% bij box 3-inkomen) | art. 67e lid 1 en 6 AWR |
| Aangifteverzuimboete aangiftebelasting, loonbelasting (max.) | €1.675 | art. 67b lid 2 AWR |
| Betaalverzuimboete aangiftebelasting (max.) | €6.709 | art. 67c lid 1 AWR |
| Vergrijpboete aangiftebelastingen (max.) | 100% van het niet tijdig betaalde bedrag | art. 67f lid 1 en 2 AWR |
(wettekst geldend per 2026)
Opzet, grove schuld en het pleitbare standpunt
Bepalend is het onderscheid tussen art. 67d AWR, dat uitsluitend opzet vereist, en art. 67e en 67f AWR, waar ook grove schuld volstaat; het zijn geen uitwisselbare grondslagen. Voor (voorwaardelijk) opzet als bestanddeel van de vergrijpboete van art. 67e AWR moet vaststaan dat de belastingplichtige wetenschap had van de aanmerkelijke kans op te weinig belastingheffing en die kans bewust heeft aanvaard; alleen vaststellen wat hij had behoren te weten volstaat niet (ECLI:NL:HR:2022:526). Voor de vergrijpboete van art. 67d lid 1 AWR geldt dat voorwaardelijk opzet alleen mag worden aangenomen als dit overtuigend is aangetoond (ECLI:NL:HR:2023:1336). Een achteraf onjuist gebleken standpunt levert geen opzet of grove schuld op zolang het op het moment van innemen redelijkerwijs verdedigbaar was, een pleitbaar standpunt; dat sluit de vergrijpboete uit, ook al blijkt het standpunt later onjuist (ECLI:NL:HR:2023:1049). Voor de vergrijpboete van art. 67d en 67e AWR is voorts van het niet doen van de vereiste aangifte pas sprake wanneer drie eisen cumulatief zijn vervuld: de belastingplichtige is uitgenodigd tot het doen van aangifte, hij heeft de aangiftetermijn ongebruikt laten verstrijken, en hij heeft evenmin gebruikgemaakt van de gelegenheid om alsnog aangifte te doen binnen de bij aanmaning gestelde termijn (ECLI:NL:HR:2025:1500); die drempel werkt door naar de vraag of de bewijslast mag worden omgekeerd.
Afbakening van het beboetbare feit
Niet elk financieel nadeel voor de schatkist is een beboetbaar feit in de zin van het toepasselijke artikel. Een ten onrechte verleende teruggaaf op verzoek, bijvoorbeeld van bpm, is geen niet betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan en valt daarom buiten art. 67f AWR (ECLI:NL:HR:2024:1422). Bij grensoverschrijdende btw-fraude speelt daarnaast de vraag of het opzet of de grove schuld specifiek gericht moet zijn op het niet betalen van omzetbelasting in Nederland, en niet slechts op fraude in een andere lidstaat in algemene zin; de Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep op dat punt gegrond en vernietigde de boetebeschikkingen (ECLI:NL:HR:2026:279).
Procedure, termijnen en gevolgen
De inspecteur legt de boete op bij een voor bezwaar vatbare beschikking en moet de belastingplichtige of inhoudingsplichtige uiterlijk daarbij informeren over de gegevens waarop de boete berust (art. 67g AWR); tegen de boetebeschikking staat dezelfde bezwaar- en beroepsroute open als tegen de aanslag. Bij de meeste vergrijpboeten valt de oplegging samen met de (navorderings- of naheffings)aanslag; alleen bij navordering kent art. 67e lid 3 AWR een uitzondering, waarbij de inspecteur, mits hij dat gelijktijdig met de navorderingsaanslag aankondigt, alsnog tot zes maanden later een boete kan opleggen wanneer aanwijzingen voor opzet of grove schuld pas laat in de navorderingstermijn aan het licht komen. De bevoegdheid tot boeteoplegging bij aangiftebelastingen vervalt na één jaar bij een niet of te laat gedane aangifte en na vijf jaar bij een onjuiste of onvolledige aangifte (art. 67b lid 3 AWR), en vervalt eveneens na vijf jaar voor de betaalverzuimboete en de vergrijpboete wegens niet tijdig betalen (art. 67c lid 3 respectievelijk art. 67f lid 4 AWR). Wordt de onderliggende aanslag of naheffingsaanslag verminderd, teruggegeven of kwijtgescholden, dan verlaagt de inspecteur een boete die op het belastingbedrag is gebaseerd naar evenredigheid mee (art. 67h AWR). Wie vóór ontdekking door de inspecteur alsnog uit eigen beweging een juiste en volledige aangifte doet of gegevens verstrekt, ontloopt via de inkeerregeling een vergrijpboete geheel als dat binnen twee jaar na de onjuiste of onvolledige aangifte gebeurt (art. 67n lid 1 AWR); ook na die termijn kan vrijwillige verbetering nog boeteverlagend werken.
Matiging en proportionaliteit
De omstandigheid dat de afnemer ten onrechte niet-aangegeven omzetbelasting niet in aftrek heeft gebracht, zodat de schatkist per saldo geen nadeel heeft ondervonden, kan meewegen bij de vraag of een vergrijpboete passend en geboden is, maar dwingt niet automatisch tot matiging (ECLI:NL:HR:2020:973). Overschrijding van de redelijke termijn in de procedure is een zelfstandige matigingsgrond die los staat van de inhoudelijke beoordeling: bij vergrijpboeten op grond van art. 67d AWR verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep tegen de boeten zelf ongegrond, maar verminderde hij de boeten met 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure (ECLI:NL:HR:2025:1063). De boetehoogtes en matigingsgronden binnen de wettelijke maxima zijn genormeerd in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Ga bij een vergrijpboete eerst na of een aanmaning is verzonden en of de aanmaningstermijn ongebruikt is verstreken (ECLI:NL:HR:2025:1500), en of het gestelde feit wel een beboetbaar feit in de zin van het toepasselijke artikel oplevert (ECLI:NL:HR:2024:1422).
- Houd het onderscheid tussen aanslagbelastingen (art. 67a/67d/67e AWR) en aangiftebelastingen (art. 67b/67c/67f AWR) scherp: de bedragen en vervaltermijnen lopen sterk uiteen.
- Bij lange procedures kan overschrijding van de redelijke termijn worden aangevoerd als zelfstandige matigingsgrond, los van de inhoudelijke beoordeling.
- Vrijwillige verbetering via de inkeerregeling sluit een vergrijpboete geheel uit binnen twee jaar na de onjuiste aangifte en kan ook daarna nog boeteverlagend werken.
Recente ontwikkelingen
- 2024: ECLI:NL:HR:2024:1422 (11 oktober 2024) - teruggaven van bpm zijn geen beboetbaar feit in de zin van art. 67f AWR.
- 2025: KG:206:2025:2 (4 april 2025) - de redelijke termijn voor de aangifteverzuimboete van art. 67a AWR vangt aan op de dagtekening van de boetebeschikking, niet bij uitnodiging of aanmaning.
- 2025: ECLI:NL:HR:2025:1063 (18 juli 2025) - vergrijpboeten op grond van art. 67d AWR met 5% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
- 2025: ECLI:NL:HR:2025:1500 (10 oktober 2025) - van het niet doen van de vereiste aangifte is pas sprake als naast de aangiftetermijn ook de aanmaningstermijn ongebruikt is verstreken.
- 2026: ECLI:NL:HR:2026:279 (20 februari 2026) - cassatieberoep gegrond, boetebeschikkingen vernietigd in een zaak over de vraag of opzet of grove schuld specifiek gericht moest zijn op het niet betalen van omzetbelasting in Nederland.
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
189 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2022:526 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat voor voorwaardelijk opzet als bestanddeel van een beboetbaar feit (art. 67e AWR) moet vaststaan dat de aangifteplichtige wetenschap had van de aanmerkelijke kans op te weinig belastingheffing en die kans bewust heeft aanvaard; enkel vaststellen wat hij had behoren te weten volstaat niet. De boetebeschikking wordt vernietigd en de zaak verwezen.
-
ECLI:NL:HR:2022:1341 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat een vergrijpboete wegens opzettelijk niet doen van aangifte op grond van artikel 67d, lid 1, AWR alleen kan worden opgelegd indien de inspecteur de belastingplichtige eerst op de voorgeschreven wijze heeft aangemaand, en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
-
ECLI:NL:HR:2023:1336 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat de zaak moet worden verwezen voor hernieuwde beoordeling van het voor de vergrijpboete van artikel 67d, lid 1, AWR vereiste (voorwaardelijk) opzet, dat alleen kan worden aangenomen als dit overtuigend is aangetoond.
-
ECLI:NL:HR:2025:1500 (2025)
De Hoge Raad oordeelt dat voor een vergrijpboete wegens het niet, onjuist of onvolledig doen van aangifte is vereist dat de betrokkene is uitgenodigd tot het doen van aangifte, maar niet dat hij daartoe ook is aangemaand; van niet-doen van de vereiste aangifte is pas sprake als ook de aanmaningstermijn ongebruikt is verstreken.
-
ECLI:NL:HR:2026:279 (2026)
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en vernietigt de boetebeschikkingen, in een zaak waarin het nultarief voor intracommunautaire leveringen was geweigerd wegens deelname aan btw-fraude in een andere lidstaat en in geschil was of opzet of grove schuld gericht was op het niet betalen van omzetbelasting in Nederland.
-
ECLI:NL:HR:2025:1063 (2025)
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie tegen de vergrijpboeten op grond van artikel 67d AWR ongegrond, maar vermindert de boeten met 5% tot € 9.500 per jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.
-
ECLI:NL:PHR:2021:1102 (2021)
De advocaat-generaal concludeert dat een aanmaning tot het doen van aangifte weliswaar een rol speelt bij de beoordeling of sprake is van opzet in de zin van artikel 67d, lid 1, AWR, maar hiervoor geen vereiste vormt.
-
ECLI:NL:HR:2024:1422 (2024)
De Hoge Raad oordeelt dat ten onrechte op verzoek verleende teruggaven van bpm geen beboetbaar feit opleveren in de zin van artikel 67f AWR, en vernietigt de boetebeschikkingen.
-
ECLI:NL:HR:2023:1049 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende een pleitbaar standpunt innam over aftrek van omzetbelasting bij intracommunautaire leveringen aan missing traders, omdat destijds redelijkerwijs twijfel mogelijk was gezien de prejudiciële vraag die tot het Italmoda-arrest leidde; de boete wordt vernietigd.
-
ECLI:NL:HR:2020:973 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat de omstandigheid dat de afnemer ten onrechte niet aangegeven omzetbelasting niet in aftrek heeft gebracht, zodat de schatkist geen nadeel heeft ondervonden, kan meewegen bij de vraag of een vergrijpboete passend en geboden is, maar het Hof kon deze omstandigheid onvoldoende gewicht toekennen om de boete te verlagen.
Beleid en standpunten
11 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0038145
Beleid inzake bestuurlijke boeten voor overtredingen bij heffing van rijksbelastingen.
-
Kamerstuk 29767 nr. 9
Nota wijziging breidt toepassing motorrijtuigenbelasting en eigenwoningforfait uit tot bestelauto's; artikel 11g tarief verlaagd van €0,51 naar €0,285 per kubieke meter leidingwater.
- Kamerstuk 26728 nr. 8
-
KG:206:2025:2 (2025)
Standpunt: De redelijke termijn bij een aangifteverzuimboete (artikel 67a AWR) vangt aan op de dagtekening van de boetebeschikking, niet al bij de uitnodiging tot het doen van aangifte.
- Kamerstuk 34002 nr. 3
-
Kamerstuk 32128 nr. 19-h1
Artikel IV vervalt; artikel 67c wijzigt: bedrag van €4537 naar €4920; artikel 52a voegt voorwaarden voor premievrijstelling kleine banen in met leeftijdsgebonden bedragen.
- Kamerstuk 33402 nr. 20
- Kamerstuk 32128 nr. 3
-
Kamerstuk 36369 nr. 3
De memorie implementeert de EU mondiaal minimumbelasting (Pillar 2) voor multinationale groepen, minimaal effectief tarief 15%.
-
KG:206:2022:6 (2022)
Standpunt: Een conserverende navorderingsaanslag kan niet via navordering (artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR) worden vastgesteld omdat kenbaarheidsvereiste niet wordt vervuld. Belastingplichtige ontvangt geen beschikking waaraan hij zou moeten zien dat deze niet juist was.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.