Formeel belastingrecht

Inkeerregeling

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De inkeerregeling van art. 67n AWR biedt een belastingplichtige die eerder een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan de mogelijkheid dit uit eigen beweging te herstellen voordat de inspecteur de fout op het spoor is. Wie op tijd inkeert, ontloopt de vergrijpboete die anders bij herstel van de aangifte zou volgen; wie te laat is, kan nog matiging van die boete krijgen. Naast dit boete-effect heeft tijdige inkeer strafrechtelijke betekenis via de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 69 lid 3 AWR: zij kan vervolging voor de aangiftedelicten uitsluiten. Met ingang van 1 januari 2026 is aan art. 67n AWR een derde lid toegevoegd dat de boetevrije inkeer van lid 1 uitsluit voor zover de correctie ziet op inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) of op inkomen uit sparen en beleggen (box 3); voor die twee inkomenscategorieën resteert vanaf die datum alleen nog de matigingsgrond van lid 2, en dezelfde uitsluiting is doorgevoerd in art. 69 lid 3 AWR.

Dit thema beantwoordt:

  • Aan welke voorwaarden moet een geslaagd beroep op boetevrije inkeer voldoen?
  • Wanneer weet of vermoedt een belastingplichtige dat de inspecteur de onjuistheid al kent of zal ontdekken?
  • Wat verandert er sinds 1 januari 2026 voor box 2- en box 3-inkomen?
  • Welk gevolg heeft tijdige inkeer voor de vergrijpboete en voor strafrechtelijke vervolging?
  • Hoe werkt de procedure en wat valt buiten de reikwijdte van de regeling?

Typische situaties

De inkeerregeling komt typisch aan de orde wanneer een belastingplichtige achteraf ontdekt, of geattendeerd wordt, dat in het verleden inkomen of vermogen niet of onjuist is aangegeven. Veelvoorkomende situaties zijn niet-aangegeven buitenlandse bankrekeningen die alsnog worden gemeld nadat de bank de rekeninghouder heeft geïnformeerd over een informatieverzoek van de fiscus, verhulde winstuitdelingen aan een dga die via een buitenlandse rekening zijn weggesluisd, en gevallen waarin een belastingplichtige na eigen onderzoek of na signalen uit de media besluit een eerdere aangifte alsnog te corrigeren. Ook bij lopende navorderingstrajecten kan de vraag opkomen of een eerdere correctie nog als tijdige inkeer kwalificeert, met gevolgen voor zowel de vergrijpboete als een eventuele strafrechtelijke vervolging.

Voorwaarden voor boetevrije inkeer

Een geslaagd beroep op boetevrije inkeer onderstelt dat eerder een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, of dat een verplichte aangifte niet is gedaan, en dat de belastingplichtige dit alsnog uit eigen beweging herstelt: met een juiste en volledige aangifte, dan wel door juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken (art. 67n lid 1 AWR). Deze twee routes, een aangiftecorrectie of het uit eigen beweging verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, zijn in lid 1 gelijkwaardig en door "dan wel" met elkaar verbonden. Dit moet gebeuren uiterlijk twee jaar nadat de onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, of nadat de aangifte had moeten worden gedaan, én vóórdat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Deze tekst van lid 1 en lid 2 is sinds de aanscherping per 1 januari 2010 inhoudelijk ongewijzigd gebleven. Sinds 1 januari 2026 geldt daarnaast dat lid 1 niet van toepassing is voor zover de correctie ziet op inkomen uit aanmerkelijk belang als bedoeld in art. 4.12 Wet IB 2001 (box 2) of op inkomen uit sparen en beleggen als bedoeld in art. 5.1 Wet IB 2001 (box 3); voor het overige deel van een correctie, en voor alle andere inkomenscategorieën, blijft lid 1 onverkort van toepassing.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Termijn voor boetevrije inkeer2 jaar na de onjuiste of niet gedane aangifteart. 67n lid 1 AWR
Gevolg na afloop van die termijngeen boetevrijstelling meer, wel matigingsgrondart. 67n lid 2 AWR
Uitsluiting boetevrije inkeer voor zover box 2- of box 3-inkomen betreftvanaf 1 januari 2026 (matigingsgrond blijft van toepassing)art. 67n lid 3 AWR
Vervolgingsuitsluitingsgrond aangiftedelicten (strafrecht)vervalt bij tijdige inkeer; zelfde box 2/3-uitzondering sinds 1 januari 2026art. 69 lid 3 AWR

(wettekst geldend per 2026)

Het beoordelingsmoment: wat weet of vermoedt de belastingplichtige

Het beoordelingsmoment onder de tweede voorwaarde is subjectief-feitelijk: bepalend is niet wat de inspecteur daadwerkelijk al wist, maar wat de belastingplichtige zelf wist of redelijkerwijs moest vermoeden. In ECLI:NL:HR:2021:103 oordeelde de Hoge Raad dat objectief gezien geen vermoeden gerechtvaardigd was dat de inspecteur bekend was of zou worden met een UBS-rekening, omdat deze rekening niet onder het groepsverzoek viel en mediapublicaties daarvoor niet volstonden; er was dus sprake van vrijwillige verbetering. Een brief van de buitenlandse bank over een informatieverzoek van de Belastingdienst kan dit vermoeden wel al vestigen: in ECLI:NL:GHAMS:2022:2764 kwam het Hof tot de tegenovergestelde uitkomst, omdat aannemelijk was dat de belanghebbende vóór de inkeermelding al een brief van de Zwitserse bank had ontvangen over een op haar betrekking hebbend informatieverzoek. Dezelfde vraag stond centraal in de conclusie ECLI:NL:PHR:2024:735, bij een inkeer in 2015 over UBS-rekeningen, waar het Hof een niet-ontzenuwd vermoeden had aangenomen dat de belanghebbende een brief van UBS over het groepsverzoek had ontvangen. In een samenhangende conclusie, ECLI:NL:PHR:2024:739, is bepleit dat de bestuursrechtelijke inkeer van art. 67n AWR op dezelfde wijze wordt beoordeeld als de strafrechtelijke vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 69 lid 3 AWR.

Deze temporele gevoeligheid keert terug bij wetswijzigingen: in ECLI:NL:HR:2018:2041 oordeelde de Hoge Raad dat toepassing van de per 1 januari 2010 aangescherpte, voor de belanghebbende nadeligere tekst van art. 67n AWR op vóór die datum gedane aangiften niet leidde tot een met art. 7 EVRM strijdige onvoorzienbaar zwaardere bestraffing, omdat de wetgever met overgangsrecht in voorzienbaarheid had voorzien. Dat uitgangspunt is ook relevant voor de aanscherping per 1 januari 2026.

Gevolgen: boete, matiging en strafrechtelijke vervolging

Bij een geslaagd beroep op lid 1 wordt geen vergrijpboete opgelegd; de verschuldigde belasting en eventuele belastingrente blijven onverkort verschuldigd. Is de tweejaarstermijn verstreken, of ziet de correctie op box 2- of box 3-inkomen, dan levert tijdige inkeer geen vrijstelling meer op, maar telt zij mee als omstandigheid die aanleiding geeft tot matiging van de vergrijpboete (art. 67n lid 2 AWR); de wetgever koos hier voor een aflopende prikkel, hoe eerder wordt ingekeerd, hoe groter het voordeel, maar ook late inkeer wordt niet volledig genegeerd bij de boetetoemeting. Daarnaast vervalt bij tijdige inkeer het recht tot strafvervolging voor de aangiftedelicten van art. 69 AWR (art. 69 lid 3 AWR), met sinds 1 januari 2026 dezelfde box 2/box 3-uitzondering als bij lid 1. Art. 67n AWR en art. 69 lid 3 AWR zijn zelfstandige bepalingen met een eigen toepassingsbereik en niet gelijkluidend geformuleerd; de gelijktijdige invoering van de box 2/3-uitsluiting in beide bepalingen per 1 januari 2026 bevestigt niettemin dat de wetgever ze inhoudelijk gelijk wil laten oplopen.

De inkeerregeling raakt niet aan de bewijspositie van de inspecteur voor de vergrijpboete zelf, en zij regelt evenmin de duur van de navorderingstermijn. Dat de inkeervraag en de vergrijpboete los van elkaar staande geschilpunten zijn, blijkt uit ECLI:NL:GHAMS:2022:1791, waarin het Hof oordeelde dat bij navorderingsaanslagen Vpb geen geslaagd beroep op de inkeerregeling toekwam en dat de inspecteur het bewijs voor de vergrijpboeten bovendien volledig had geleverd met wilsonafhankelijke documenten. In de samenhangende zaak ECLI:NL:GHAMS:2022:1790, over middellijk genoten winstuitdelingen aan een dga via een buitenlandse rekening, oordeelde het Hof dat deze winstuitdelingen een aanknopingspunt met het buitenland hadden en onder de verlengde navorderingstermijn van art. 16 lid 4 AWR vielen, dat geen geslaagd beroep op de inkeerregeling toekwam, en dat ook hier de vergrijpboetes volledig waren bewezen met wilsonafhankelijk bewijsmateriaal. In de bijbehorende conclusie ECLI:NL:PHR:2023:303 kwam de vraag aan de orde of dergelijke, via een Zwitserse coderekening verhulde winstuitkeringen in het buitenland zijn "opgekomen" zodat in plaats van de reguliere navorderingstermijn de verlengde termijn van twaalf jaar geldt, en of volledige medewerking recht geeft op boetematiging.

Procedure en reikwijdte

De inkeerregeling kent geen aparte aanvraagprocedure of formulier bij de inspecteur: zij werkt door het alsnog indienen van een juiste en volledige aangifte of het uit eigen beweging verstrekken van juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, in de praktijk vaak een schriftelijke correctie of een suppletie (zie de btw-suppletie voor het btw-spiegelbeeld van dezelfde gedachte). Terugwerkende kracht is inherent aan de figuur: de correctie ziet op een eerder tijdvak of eerdere aangifte, en de tweejaarstermijn wordt teruggerekend vanaf het moment van die eerdere, onjuiste aangifte. Bepalend is steeds het moment van de correctie ten opzichte van het moment waarop het vermoeden van ontdekking bij de belastingplichtige is ontstaan of had moeten ontstaan, niet het moment waarop de inspecteur de aanslag oplegt.

De regeling ziet uitsluitend op de vergrijpboete en, via art. 69 lid 3 AWR, op het recht tot strafvervolging voor de aangiftedelicten; zij regelt niet de verschuldigdheid van de belasting of de belastingrente zelf. Inkeer na het moment van (vermoedelijke) ontdekking door de inspecteur heeft voor geen enkele inkomenscategorie nog effect, ook niet als matigingsgrond.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Het beoordelingsmoment blijft het scharnierpunt: niet de daadwerkelijke wetenschap van de inspecteur, maar of de belastingplichtige zelf weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid bekend is of bekend zal worden, bepaalt of nog tijdig kan worden ingekeerd.
  • Signalen van de bank of het buitenland, zoals een brief over een informatieverzoek, kunnen dit vermoeden al vestigen voordat de inspecteur formeel iets weet; enkele mediaberichtgeving over een onderzoek naar een categorie rekeninghouders is op zichzelf onvoldoende.
  • Sinds 1 januari 2026 is van belang of, en voor welk deel, een correctie ziet op aanmerkelijkbelang- of spaar- en beleggingsinkomen dan wel op ander inkomen: voor de eerste twee categorieën resteert bij inkeer nog alleen de matigingsgrond van lid 2, voor overig inkomen blijft de volledige boetevrijstelling van lid 1 intact.
  • Voor correcties die vóór 1 januari 2026 zijn gedaan, blijft de oude, ruimere boetevrije inkeer van toepassing; voor lopende of nieuwe dossiers is het moment van de correctie bepalend voor welk regime geldt.

Recente ontwikkelingen

  • 18 juli 2025: de Hoge Raad verklaart in twee samenhangende zaken het cassatieberoep tegen de opgelegde vergrijpboeten ongegrond, maar vermindert de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure, tot € 43.571 (ECLI:NL:HR:2025:1062) respectievelijk tot € 56.598 (ECLI:NL:HR:2025:1167).
  • 1 januari 2026: art. 67n AWR wordt uitgebreid met een derde lid dat de boetevrije inkeer van lid 1 uitsluit voor zover de correctie ziet op inkomen uit aanmerkelijk belang of op inkomen uit sparen en beleggen; dezelfde uitzondering wordt op dezelfde datum doorgevoerd in de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 69 lid 3 AWR.

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 4 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.