Overdrachtsbelasting
Aandelen in onroerendezaakrechtspersonen (art. 4 WBR)
Bijgewerkt op 19 juli 2026
De onroerendezaakrechtspersoon (OZR) is een fictie in de overdrachtsbelasting: onder voorwaarden worden aandelen in een rechtspersoon voor de heffing gelijkgesteld met de onroerende zaken die deze rechtspersoon houdt. Zonder deze bepaling zou een onroerend-goedportefeuille zich buiten het bereik van de overdrachtsbelasting laten verkopen door niet de panden zelf, maar de aandelen in de vennootschap die ze houdt over te dragen. Artikel 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) trekt die transactie alsnog de heffing in.
De toets kent twee lagen: eerst moet de rechtspersoon kwalificeren als OZR (de bezits- en doeleis), en vervolgens moet de verkrijger een voldoende omvangrijk belang verwerven (de belangeis). Beide toetsen kennen een aanzienlijke hoeveelheid detailregels over toerekening, samentelling en verbonden partijen, wat de bepaling tot een van de technisch meest verfijnde ficties in de WBR maakt.
Voor de M&A-praktijk is dit een vast aandachtspunt: elke aandelentransactie waarbij de doelvennootschap vastgoed houdt of via een keten van deelnemingen vastgoedbelangen aanhoudt, vergt een OZR-toets voorafgaand aan de deal.
Wanneer speelt dit
Het thema komt op bij verkoop van aandelen in een vastgoedvennootschap of vastgoed-BV, bij overdracht van certificaten van aandelen (bijvoorbeeld bij schenking of bedrijfsopvolging), bij verkrijging van lidmaatschapsrechten in coöperaties of verenigingen die recht geven op exclusief gebruik van een gebouw, bij herstructureringen zoals splitsing en fusie waarbij vastgoedbelangen verschuiven, en bij exploitanten van vastgoedgerelateerde diensten (bijvoorbeeld verhuur van opslagruimte of zonnepanelen) waarbij de vraag speelt of de onderliggende onroerende zaken "dienstbaar" zijn in de zin van de wet.
Wettelijk kader
Art. 4 lid 1 onderdeel a WBR merkt als fictieve onroerende zaak aan aandelen in een rechtspersoon "waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken". Dit is de bezitseis: zowel de "grotendeels"-toets als de 30%-drempel voor in Nederland gelegen onroerende zaken moeten tegelijkertijd zijn vervuld, en de wet kent daarbij een terugkijkperiode van een jaar.
Aanvullend geldt de doeleis: de bepaling vereist "mits de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken". De onroerende zaken moeten dus functioneel gericht zijn op verkrijging, vervreemding of exploitatie ervan, niet slechts toevallig aanwezig zijn in de onderneming.
Art. 4 lid 1 onderdeel b WBR breidt de fictie uit naar lidmaatschapsrechten van verenigingen of coöperaties, "indien in die rechten is begrepen het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van een in Nederland gelegen gebouw of van een gedeelte daarvan dat blijkens zijn inrichting is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt".
Art. 4 lid 3 WBR stelt vervolgens de belangeis: er wordt alleen geheven wanneer de verkrijger, natuurlijk persoon zijnde, "al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad van de zijlinie of een verbonden lichaam, voor ten minste een derde gedeelte, en, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, voor meer dan zeven percent belang in de rechtspersoon heeft" (onderdeel a), of als rechtspersoon "al dan niet tezamen met een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon, voor ten minste een derde gedeelte belang in de rechtspersoon heeft" (onderdeel b). Natuurlijke personen kennen dus, naast de een-derde-drempel, een aanvullende 7%-eis; rechtspersonen kennen uitsluitend de een-derde-drempel.
Art. 4 lid 4 WBR bevat anti-misbruikbepalingen: bij een geconsolideerd belang van ten minste een derde in een ander lichaam vindt naar evenredigheid toerekening van diens bezittingen en schulden plaats (onderdeel a); vorderingen van de rechtspersoon op de verkrijger of verbonden partijen tellen in beginsel niet mee als bezitting tenzij normale bedrijfsuitoefening aannemelijk wordt gemaakt (onderdeel b); en overige bezittingen worden geacht te zijn gefinancierd door schulden aan de verkrijger of verbonden partijen, met dezelfde tegenbewijsregeling (onderdeel c). Art. 4 lid 2 WBR bepaalt daarnaast dat onder onroerende zaken mede worden verstaan fictieve onroerende zaken, rechten waaraan zij zijn onderworpen, en de economische eigendom daarvan.
Belangrijkste rechtspraak
De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2021:504 (2021) dat de verkrijging van uitsluitend de juridische eigendom van alle aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon al een "belang" in de zin van art. 4 lid 3 onderdeel b WBR oplevert, zodat overdrachtsbelasting verschuldigd is ook zonder verkrijging van het economische belang.
In ECLI:NL:HR:2023:103 (2023) oordeelde de Hoge Raad dat voor de bezitseis van art. 4 lid 1 onderdeel a WBR alleen gekochte goodwill die op de fiscale balans is opgenomen als bezitting meetelt; intern gegenereerde goodwill van de onderneming blijft buiten beschouwing bij de vaststelling of de bezittingen grotendeels uit onroerende zaken bestaan.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2022:1377 (2022) dat verworven aandelen in een opslagbedrijf als fictieve onroerende zaak kwalificeren, omdat de onroerende zaken dienstbaar zijn in de zin van art. 4 lid 1 onderdeel a WBR: de terbeschikkingstelling van opslagruimten aan klanten is, bezien vanuit het perspectief van die klanten, niet ondergeschikt aan de overige geleverde diensten.
In ECLI:NL:HR:2011:BQ7580 (2011) oordeelde de Hoge Raad dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij aandelenverkrijging in een onroerendezaaklichaam ook geldt voor nieuwe, ongebruikte onroerende zaken in de bouw- en handelsfase, bouwterreinen inbegrepen, en kwam daarmee terug van eerdere rechtspraak.
Aandachtspunten voor de praktijk
Bij de bezitseis telt alleen gekochte goodwill die daadwerkelijk op de fiscale balans staat mee als niet-onroerende bezitting; zelf opgebouwde goodwill blijft bij die vaststelling buiten beschouwing. Bij verhuur- of exploitatieconstructies (opslagruimte, zonnepanelen en vergelijkbare vastgoedgerelateerde diensten) is het dienstbaarheidscriterium een feitelijke toets vanuit het perspectief van de afnemer, niet een formele kwalificatie van de activiteit. Bij overdracht van uitsluitend de juridische eigendom van aandelen ontstaat, blijkens de rechtspraak, al een belastbaar belang; een gesplitste juridische/economische eigendomsoverdracht biedt dus geen ontsnappingsroute aan de belangeis. De anti-misbruikbepalingen van art. 4 lid 4 WBR rond toerekening van bezittingen van deelnemingen en de behandeling van vorderingen en schulden tussen verbonden partijen vergen een zorgvuldige inventarisatie van de gehele groepsstructuur, niet alleen van de direct te verkrijgen vennootschap. Bij herstructureringen zoals splitsing en fusie is een aparte toets nodig wie na de transactie als belastingplichtige verkrijger heeft te gelden.
Recente ontwikkelingen
Bij het Gerechtshof Amsterdam speelde in ECLI:NL:GHAMS:2024:3301 (2024) de vraag wie na een zuivere splitsing en juridische fusie als belastingplichtige verkrijger in de zin van art. 4 lid 1 onderdeel a WBR heeft te gelden; de naheffingsaanslag werd vernietigd omdat belanghebbende die hoedanigheid niet bleek te hebben. In ECLI:NL:HR:2026:568 (2026) speelde bij de Hoge Raad de vraag of de zogenoemde doorkijkarresten meebrengen dat bij een overdracht tussen een BV van de vader en BV's van zijn zonen door de BV heen mag worden gekeken naar de achterliggende personen voor de vrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel b Wet BRV.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
24 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2021:504 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat de verkrijging van uitsluitend de juridische eigendom van alle aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon wel degelijk een 'belang' in de zin van artikel 4, lid 3, letter b, WBR oplevert, zodat overdrachtsbelasting verschuldigd is, ook zonder verkrijging van het economische belang.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:2132 (2025)
De zaak betreft of een vennootschap kwalificeert als onroerendezaakrechtspersoon voor de overdrachtsbelasting, waarbij de doeleis in geschil is bij een verkrijging van aandelen door schenking. Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:2858 (2024)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep tegen de heffing van overdrachtsbelasting over de schenking van certificaten van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon ongegrond is, waarbij de bedrijfsopvolgingsregeling geen toepassing vindt.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:2859 (2024)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, in een zaak over overdrachtsbelasting bij schenking van certificaten van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon en de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1377 (2022)
Het Hof oordeelt dat de verworven aandelen in een opslagbedrijf moeten worden aangemerkt als een fictieve onroerende zaak, omdat de onroerende zaken 'dienstbaar' zijn in de zin van artikel 4, lid 1, onderdeel a, WBR: de terbeschikkingstelling van opslagruimten aan klanten is, bezien vanuit het perspectief van die klanten, niet ondergeschikt aan de overige geleverde diensten.
-
ECLI:NL:HR:2023:103 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de bezitseis van artikel 4, lid 1, letter a, Wet op belastingen van rechtsverkeer alleen gekochte goodwill die op de fiscale balans is opgenomen als bezitting meetelt, en dat intern gegenereerde goodwill van de onderneming daarbij buiten beschouwing blijft.
- ECLI:NL:HR:2023:650 (2023)
-
ECLI:NL:HR:2011:BQ7580 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij aandelenverkrijging in een onroerendezaaklichaam ook geldt voor nieuwe, ongebruikte onroerende zaken in de bouw- en handelsfase, bouwterreinen inbegrepen, en komt terug van BNB 1982/74.
-
ECLI:NL:HR:2026:568 (2026)
De zaak betreft of de doorkijkarresten meebrengen dat voor de vrijstelling van art. 15 lid 1 letter b Wet BRV bij een overdracht tussen een BV van de vader en BV's van zijn zonen door de BV heen mag worden gekeken naar de achterliggende personen.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:3301 (2024)
Het Gerechtshof vernietigt de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting omdat belanghebbende, na zuivere splitsing en juridische fusie, niet de belastingplichtige verkrijger is (artikel 4, lid 1, onderdeel a, WBR).
Beleid en standpunten
23 bronnen in de kennisbank-
KG:052:2024:7 (2024)
Standpunt: Een rechtspersoon die als enige bezitting een belang kleiner dan 1/3 in een onroerendezaakrechtspersoon houdt, kwalificeert zelf als OZR en voldoet aan de doeleis van artikel 4 WBR.
-
KG:052:2022:2 (2022)
Standpunt: Zonnepanelen op een pand zijn hetzij bestanddeel hetzij onroerende zaken wegens natuurlijke vereniging met de grond. De BV die deze panelen verhuurt exploiteert onroerende zaken in de zin van artikel 4 WBR, ook wanneer aanvullende diensten worden verricht.
-
Kamerstuk 32504 nr. 6
Procedureel stuk: nota naar aanleiding verslag Belastingplan 2011 (constructies, woningmarkt, accijnzen, administratieve lasten).
-
KG:052:2022:6 (2022)
Standpunt: Lidmaatschapsrecht dat het recht geeft op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van onzelfstandige woonruimte is overdrachtsbelastingplichtig onder artikel 4, eerste lid, onderdeel b, WBR.
-
Kamerstuk 35026 nr. 11
Overdrachtsbelasting: 0% eerstkoper natuurlijke persoon, 10% meerder eigenaar, 2% overige gevallen.
-
KG:052:2022:3 (2022)
Standpunt: Coöperatie met geldsinbreng door oprichters kan aandelen in beleggingsmaatschappijen houden en winsten verdelen ondanks nominaal kapitaalmodel.
-
Kamerstuk 32504 nr. D (EK)
Memorie van antwoord op Belastingplan 2011, Overige fiscale maatregelen 2011 en Fiscale verzamelwet 2010.
-
KG:052:2024:3 (2024)
Standpunt: Commanditaire vennoten kunnen hun belang met toepassing van overgangsregeling (Wet fiscaal kwalificatiebeleid) via aandelenfusie geruisloos in een onroerendezaakrechtspersoon inbrengen.
-
KG:052:2024:4 (2024)
Standpunt: Bij vervreemding van belang in FGR binnen drie jaar na inbreng in vennootschap kunnen belanghebbenden nog van overgangsrecht gebruikmaken, mits zij hun belang niet vervreemden. Vervreemding door één partij stuit het recht.
-
KG:052:2024:9 (2024)
Standpunt: Overdracht van juridische eigendom onroerende zaken door beherend vennoot na aandelenfusie onder de WFKR kan onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld zijn van overdrachtsbelasting via overgangsrecht.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.