Overdrachtsbelasting
Onroerendezaakrechtspersonen (art. 4 WBR)
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De onroerendezaakrechtspersoon (OZR) is een fictie in de overdrachtsbelasting: onder voorwaarden worden aandelen in een rechtspersoon gelijkgesteld met de onroerende zaken die deze rechtspersoon houdt, zodat een vastgoedportefeuille niet buiten de heffing blijft door aandelen in plaats van panden over te dragen. De toets kent twee lagen: eerst kwalificatie van de rechtspersoon (bezitseis en doeleis), pas daarna heffing bij een voldoende omvangrijk belang van de verkrijger.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer kwalificeert een rechtspersoon als onroerendezaakrechtspersoon?
- Welk belang moet een verkrijger bereiken voordat overdrachtsbelasting verschuldigd is?
- Wat betekent de WFKR-overgangsregeling voor cv's en fondsen voor gemene rekening?
- Wie is bij een fusie of splitsing de belastingplichtige verkrijger?
Fictie: aandelen als onroerende zaak
Art. 4 lid 1 onderdeel a WBR merkt aandelen aan als fictieve onroerende zaak wanneer de bezittingen van de rechtspersoon grotendeels bestaan uit onroerende zaken die dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren daarvan. Onderdeel b breidt dit uit naar lidmaatschapsrechten met exclusief gebruiksrecht op een Nederlands gebouw. Art. 4 lid 2 WBR trekt "onroerende zaken" breed: ook fictieve onroerende zaken, rechten daarop en economische eigendom daarvan tellen mee, zodat de fictie zich over meerdere schakels kan uitstrekken. Kwalificatie plus belangeis leidt tot heffing tegen het tarief van art. 14 WBR; via de doorkijkbenadering geldt de samenloopvrijstelling ook bij de verkrijging van de aandelen, wanneer een rechtstreekse verkrijging van het vastgoed vrijgesteld zou zijn geweest (ECLI:NL:HR:2011:BQ7580).
Bezitseis: grotendeels vastgoed, waarvan 30% in Nederland
De bezitseis toetst of de bezittingen van de rechtspersoon op het verkrijgingstijdstip, of op enig moment in het voorafgaande jaar, grotendeels (meer dan de helft) uit onroerende zaken bestaan, en tegelijk ten minste 30% van de bezittingen bestaat uit in Nederland gelegen onroerende zaken (art. 4 lid 1 onderdeel a WBR); beide onderdelen moeten gelijktijdig zijn vervuld. Een houdstervennootschap die als enige bezitting een belang kleiner dan een derde in een OZR houdt, kwalificeert volgens een kennisgroepstandpunt zelf ook als OZR (KG:052:2024:7).
Doeleis: dienstbaar aan verkrijgen, vervreemden of exploiteren
Naast de bezitseis moeten de onroerende zaken, als geheel genomen, geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren ervan (art. 4 lid 1 onderdeel a WBR); een feitelijke toets, gericht op de functie van de zaken, niet op de balanspositie. Aandelen in een opslagbedrijf voldoen aan de doeleis, omdat de terbeschikkingstelling van opslagruimte aan klanten niet ondergeschikt is aan de overige diensten (ECLI:NL:GHAMS:2022:1377).
Referentieperiode: peildatum en voorafgaand jaar
De bezitseis kijkt terug over het jaar voorafgaand aan de verkrijging: voldeed de rechtspersoon op enig moment binnen die periode, dan telt dat mee, ook als de bezittingen op de verkrijgingsdatum zelf zijn gewijzigd (art. 4 lid 1 onderdeel a WBR). Dat voorkomt dat de fictie wordt ontlopen door vlak voor een transactie de vastgoedpositie tijdelijk af te bouwen.
Belangeis: 1/3-drempel voor natuurlijke personen en rechtspersonen
Pas bij een voldoende omvangrijk belang van de verkrijger is overdrachtsbelasting verschuldigd (art. 4 lid 3 WBR). Een natuurlijk persoon moet, al dan niet met echtgenoot, familie of een verbonden lichaam, ten minste een derde gedeelte houden en daarnaast, al dan niet met echtgenoot, meer dan 7% (onderdeel a); voor een rechtspersoon geldt alleen de een-derde-drempel, al dan niet met een verbonden lichaam of persoon (onderdeel b). "Verbonden" is uitgewerkt in art. 4 leden 6-8 WBR, telkens met dezelfde drempel.
Toerekening van deelnemingen
Houdt de rechtspersoon, al dan niet met een concernvennootschap, voor ten minste een derde belang in een ander lichaam, dan worden diens bezittingen en schulden naar evenredigheid toegerekend (art. 4 lid 4 onderdeel a WBR). Het concernbegrip is dat van de reorganisatievrijstelling in de overdrachtsbelasting (art. 15 lid 1 onderdeel h WBR jo. art. 5b Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer); hetzelfde geldt voor het belang van een natuurlijk persoon die, al dan niet met partner of bloed- en aanverwanten, een (nagenoeg) geheel belang in de rechtspersoon heeft. Dit voorkomt dat vastgoed via een minderheidsdeelneming aan de bezitseis ontsnapt.
Eliminatie van verdachte vorderingen en schulden
Na toerekening tellen vorderingen op de verkrijger of verbonden partijen niet mee als bezitting, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat zij uit normale bedrijfsuitoefening voortvloeien (art. 4 lid 4 onderdeel b WBR). Overige bezittingen worden bij schulden aan de verkrijger of verbonden partijen geacht daarmee te zijn gefinancierd en tellen in zoverre niet mee, met hetzelfde tegenbewijs (onderdeel c). Beide bepalingen voorkomen dat onderlinge financiering de bezitseis kunstmatig beïnvloedt.
Gekochte goodwill telt mee, zelf opgebouwde goodwill niet
Voor de bezitseis telt alleen gekochte, op de fiscale balans geactiveerde goodwill mee; intern gegenereerde goodwill blijft buiten beschouwing (ECLI:NL:HR:2023:103). Een onderneming met veel zelf opgebouwde goodwill telt daardoor eerder als OZR dan een vergelijkbare onderneming die haar goodwill via een acquisitie activeerde.
Samenhangende verkrijgingen: tweejaarstermijn
Verkrijgingen binnen twee jaar door dezelfde verkrijger, diens familie of eigen lichaam, respectievelijk een concernvennootschap, gelden als samenhangend (art. 4 lid 5 onderdeel b WBR), zodat gefaseerde verkrijgingen onder de drempel toch worden samengeteld. Bij samenloop van middellijk met eigen belang, economische met juridische eigendom, of bloot eigendom met vruchtgebruik telt het belang maar eenmaal (onderdeel c).
Rechten uit bestaande aandelen en belangtoename zonder nieuwe verkrijging
Onder "belang" vallen ook rechten waaraan het belang is onderworpen, of de economische eigendom daarvan (art. 4 lid 5 onderdeel a WBR). Art. 4 lid 11 WBR trekt dit door: onder aandelen in lid 1 onderdeel a en lid 3 vallen mede rechten uit bestaande aandelen, zodat ook een wijziging van rechten op reeds gehouden aandelen, zonder nieuwe verkrijging, kan meetellen voor de belangdrempel.
Meldingsplicht bij de aangifte
Een OZR moet bij aangifte de gegevens verstrekken die van belang kunnen zijn voor de heffing (art. 4 lid 9 WBR); de geheimhoudingsbepaling van art. 53 lid 3 AWR blijft daarbij buiten toepassing.
WFKR-overgangsrecht bij cv's en fondsen voor gemene rekening
Sinds de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen (WFKR) speelt de OZR-toets ook bij de overgang van cv's en fondsen voor gemene rekening (FGR's) naar een andere rechtsvorm. Brengen commanditaire vennoten of FGR-deelnemers hun belang via een aandelenfusie geruisloos in een vennootschap die als OZR kwalificeert, dan geldt daarvoor een overgangsregeling (art. XV WFKR; KG:052:2024:3 en KG:052:2024:4), die uitsluitend de verkrijging van het commanditaire aandeel ingevolge die aandelenfusie vrijwaart. De latere, afzonderlijke overdracht van de juridische eigendom van de onroerende zaken door de beherend vennoot aan de gefuseerde vennootschap, voorafgaand aan ontbinding van de cv, valt daar niet onder en is gewoon aan overdrachtsbelasting onderworpen (KG:052:2024:9).
Belastingplichtige verkrijger bij reorganisaties
Bij fusies en splitsingen met verschuivende vastgoedbelangen is, naast de OZR-toets zelf, een aparte vraag wie belastingplichtige verkrijger is (art. 4 lid 1 onderdeel a WBR). Het Gerechtshof Amsterdam vernietigde in twee gespiegelde zaken de naheffingsaanslag na een zuivere splitsing en juridische fusie, omdat de belanghebbende die hoedanigheid niet bleek te hebben (ECLI:NL:GHAMS:2024:3301 en :3300, beide 28 november 2024). Bij schenking van certificaten van aandelen in een OZR vindt de bedrijfsopvolgingsregeling geen toepassing op de verschuldigde overdrachtsbelasting (ECLI:NL:GHARL:2024:2858 en :2859).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Bezitseis: totaal vastgoed | grotendeels | art. 4 lid 1 onderdeel a WBR |
| Bezitseis: Nederlands vastgoed | ten minste 30% | art. 4 lid 1 onderdeel a WBR |
| Terugkijkperiode bezitseis | 1 jaar | art. 4 lid 1 onderdeel a WBR |
| Belangeis natuurlijk persoon | 1/3, met verbonden personen, plus meer dan 7% zelf | art. 4 lid 3 onderdeel a WBR |
| Belangeis rechtspersoon | ten minste 1/3 | art. 4 lid 3 onderdeel b WBR |
| Toerekeningsdrempel deelneming | ten minste 1/3 | art. 4 lid 4 onderdeel a WBR |
| Samentelperiode verkrijgingen | 2 jaar | art. 4 lid 5 onderdeel b WBR |
| Drempel verbonden lichaam | ten minste 1/3 belang | art. 4 leden 6-8 WBR |
(wettekst geldend per 2026)
Aandachtspunten voor de praktijk
- Indirecte belangen van ten minste een derde tellen naar evenredigheid mee: de toets bestrijkt de gehele groepsstructuur.
- Het belangbegrip van art. 4 lid 3 WBR staat los van het 5%-aanmerkelijkbelangbegrip; een verkrijging kan voor de aanmerkelijkbelangregeling relevant zijn zonder de OZR-drempel te raken, en omgekeerd.
- Bij herstructureringen met de reorganisatievrijstelling WBR of bij juridische fusie en juridische splitsing in beeld blijft een aparte toets nodig wie belastingplichtige verkrijger is.
- Bij de WFKR-overgangsregeling raakt vervreemding door één deelnemer alleen diens eigen overgangsrecht.
Recente ontwikkelingen
- 2024: kennisgroepstandpunten over de WFKR-overgangsregeling (KG:052:2024:3 en :4), gevolgd door KG:052:2024:9: overdracht van juridische eigendom door de beherend vennoot valt daar niet onder.
- 2024: Gerechtshof Amsterdam over de belastingplichtige verkrijger na splitsing en fusie (ECLI:NL:GHAMS:2024:3301 en :3300).
- 2025: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verklaart het hoger beroep in een doeleis-geschil bij schenking ongegrond (ECLI:NL:GHARL:2025:2132).
- 2026: de Hoge Raad oordeelt over de vraag of de doorkijkarresten meebrengen dat voor de vrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel b WBR bij een overdracht tussen de BV van vader en de BV's van zijn zonen door de vennootschappen heen naar de achterliggende personen mag worden gekeken (ECLI:NL:HR:2026:568).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
25 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2021:504 (2021)
De Hoge Raad oordeelt dat de verkrijging van uitsluitend de juridische eigendom van alle aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon wel degelijk een 'belang' in de zin van artikel 4, lid 3, letter b, WBR oplevert, zodat overdrachtsbelasting verschuldigd is, ook zonder verkrijging van het economische belang.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:2132 (2025)
De zaak betreft of een vennootschap kwalificeert als onroerendezaakrechtspersoon voor de overdrachtsbelasting, waarbij de doeleis in geschil is bij een verkrijging van aandelen door schenking. Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:2858 (2024)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep tegen de heffing van overdrachtsbelasting over de schenking van certificaten van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon ongegrond is, waarbij de bedrijfsopvolgingsregeling geen toepassing vindt.
-
ECLI:NL:GHARL:2024:2859 (2024)
Het Hof oordeelt dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, in een zaak over overdrachtsbelasting bij schenking van certificaten van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon en de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1377 (2022)
Het Hof oordeelt dat de verworven aandelen in een opslagbedrijf moeten worden aangemerkt als een fictieve onroerende zaak, omdat de onroerende zaken 'dienstbaar' zijn in de zin van artikel 4, lid 1, onderdeel a, WBR: de terbeschikkingstelling van opslagruimten aan klanten is, bezien vanuit het perspectief van die klanten, niet ondergeschikt aan de overige geleverde diensten.
-
ECLI:NL:HR:2023:103 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de bezitseis van artikel 4, lid 1, letter a, Wet op belastingen van rechtsverkeer alleen gekochte goodwill die op de fiscale balans is opgenomen als bezitting meetelt, en dat intern gegenereerde goodwill van de onderneming daarbij buiten beschouwing blijft.
-
ECLI:NL:HR:2023:650 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 9, lid 5, WBR er slechts toe strekt dat bij de heffingsmaatstaf voor de overdrachtsbelasting geen rekening wordt gehouden met de invloed van een verkoopregulerend beding op de transactieprijs, en niet ertoe dat bij zo'n beding voorbij mag worden gegaan aan de waardering volgens artikel 10 WBR.
-
ECLI:NL:HR:2011:BQ7580 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij aandelenverkrijging in een onroerendezaaklichaam ook geldt voor nieuwe, ongebruikte onroerende zaken in de bouw- en handelsfase, bouwterreinen inbegrepen, en komt terug van BNB 1982/74.
-
ECLI:NL:HR:2026:568 (2026)
De zaak betreft of de doorkijkarresten meebrengen dat voor de vrijstelling van art. 15 lid 1 letter b Wet BRV bij een overdracht tussen een BV van de vader en BV's van zijn zonen door de BV heen mag worden gekeken naar de achterliggende personen.
-
ECLI:NL:GHAMS:2024:3300 (2024)
Het Hof oordeelt dat belanghebbende, ontstaan na een zuivere splitsing van de verkrijger van aandelen in een onroerendgoedlichaam gevolgd door fusie, niet de belastingplichtige verkrijger is (art. 4, lid 1, onderdeel a, WRB), en vernietigt de naheffingsaanslag.
Beleid en standpunten
33 bronnen in de kennisbank-
KG:052:2024:7 (2024)
Standpunt: Een rechtspersoon die als enige bezitting een belang kleiner dan 1/3 in een onroerendezaakrechtspersoon houdt, kwalificeert zelf als OZR en voldoet aan de doeleis van artikel 4 WBR.
-
KG:052:2022:2 (2022)
Standpunt: Zonnepanelen op een pand zijn hetzij bestanddeel hetzij onroerende zaken wegens natuurlijke vereniging met de grond. De BV die deze panelen verhuurt exploiteert onroerende zaken in de zin van artikel 4 WBR, ook wanneer aanvullende diensten worden verricht.
-
Kamerstuk 32504 nr. 6
Procedureel stuk: nota naar aanleiding verslag Belastingplan 2011 (constructies, woningmarkt, accijnzen, administratieve lasten).
- Kamerstuk 35302 nr. 16
- Kamerstuk 35302 nr. 12
-
KG:052:2022:6 (2022)
Standpunt: Lidmaatschapsrecht dat het recht geeft op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van onzelfstandige woonruimte is overdrachtsbelastingplichtig onder artikel 4, eerste lid, onderdeel b, WBR.
- Kamerstuk 35026 nr. 17
-
Kamerstuk 35026 nr. 11
Overdrachtsbelasting: 0% eerstkoper natuurlijke persoon, 10% meerder eigenaar, 2% overige gevallen.
- Kamerstuk 35026 nr. 40
-
KG:052:2022:3 (2022)
Standpunt: Coöperatie met geldsinbreng door oprichters kan aandelen in beleggingsmaatschappijen houden en winsten verdelen ondanks nominaal kapitaalmodel.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.