Inkomstenbelasting
Lucratief belang
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Een lucratief belang is een vermogensrecht, zoals een aandeel, een vordering of een ander vermogensrecht, dat naar zijn aard mede bedoeld is als beloning voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon. De regeling van art. 3.92b Wet IB 2001 trekt dergelijke belangen uit de sfeer van box 2 of box 3 naar box 1 en belast het voordeel als resultaat uit overige werkzaamheden, ook wanneer het belang civielrechtelijk gewoon een aandeel of een lening is.
De achtergrond is dat bepaalde participatiestructuren, met name in private equity en bij managementparticipaties, een hefboomeffect creëren waarbij een relatief geringe inleg een onevenredig groot rendement kan opleveren zodra de onderneming succesvol wordt verkocht. De wetgever heeft dit fiscaal willen behandelen als beloning voor de onderliggende arbeidsprestatie in plaats van als regulier beleggingsresultaat, en heeft daarvoor een afzonderlijke, casuïstische toets in het leven geroepen naast de gebruikelijke aanmerkelijkbelang- en boxindeling.
Voor middellijk gehouden belangen, gehouden via een tussenliggende vennootschap of samenwerkingsverband, kan onder voorwaarden gekozen worden voor doorstoot naar box 2 in plaats van belastingheffing in box 1. De precieze voorwaarden voor die keuze volgen niet uit het kernartikel dat in dit dossier is opgenomen.
Wanneer speelt dit
Het thema komt met name op bij managementparticipaties in private-equitytransacties, waarbij managers via aandelen, certificaten, leningen of een cv-structuur meedelen in de exitwaarde van de onderneming. Ook bij herstructureringen, bij overgang naar of vanuit een open cv onder de Wet kwalificatiebeleid rechtsvormen (WFKR), en bij internationale situaties waarin een expat een lucratief belang houdt naast bijvoorbeeld de 30%-regeling, moet worden beoordeeld of sprake is van een lucratief belang. Ook de waardering van inbreng anders dan in geld (agio) en de aftrekbaarheid van een verlies op het belang spelen dan een rol.
Wettelijk kader
Art. 3.92b lid 1 Wet IB 2001 bepaalt dat onder werkzaamheid mede wordt verstaan "het onmiddellijk of middellijk houden van aandelen als bedoeld in het tweede lid, van vorderingen als bedoeld in het derde lid of van rechten als bedoeld in het vierde lid, indien de voordelen die met deze aandelen, vorderingen of rechten worden behaald (...) naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon". Kernpunt is dus dat de voordelen mede een beloningskarakter moeten hebben, beoordeeld naar de feiten en omstandigheden waaronder het belang is verkregen. Onderdeel b trekt daarnaast schulden binnen de regeling waarvan de kwijtschelding of tegemoetkoming eveneens mede als beloning voor werkzaamheden is bedoeld.
Lid 2 werkt uit welke aandelen kwalificeren: een soort die "is achtergesteld bij andere soorten en het totale geplaatste aandelenkapitaal van die achtergestelde soort minder is dan 10% van het totale geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap, of" een soort "met een preferentie van ten minste 15% dividend per jaar". Dit zijn twee alternatieve criteria: achterstelling onder de 10%-drempel, of een dividendpreferentie van ten minste 15%.
Lid 3 ziet op vorderingen "waarvan het rendement in enigszins belangrijke mate afhankelijk is van managementdoeleinden of aandeelhoudersdoeleinden zoals winst, omzet, kostenvermindering (...) het gereed maken voor verkoop of overname van een onderneming (...) het aankopen of overnemen van ondernemingen of onderdelen daarvan", of vorderingen "die in enigszins belangrijke mate in waarde vermeerderen bij een verkoop of overname van een onderneming, dan wel bij een wijziging van een belang in een onderneming". Lid 4 breidt dit uit naar overige vermogensrechten die economisch overeenkomen met lid 2 of lid 3, alsmede naar overige rechten of verplichtingen met een vergelijkbaar waardeverloop.
Lid 5 bepaalt dat een lening die mede bijdraagt aan de beloning wordt meegerekend tot het geplaatste aandelenkapitaal voor de 10%-toets van lid 2, en als afzonderlijke soort geldt. Lid 6 definieert de kring van verbonden personen als de partner en bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of diens partner. Andere onderdelen van hoofdstuk 3 Wet IB 2001, zoals de regeling voor de doorstootverplichting bij middellijk gehouden belangen, vallen buiten dit kernartikel.
Belangrijkste rechtspraak
De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2023:557 (2023) dat agio voor het 10%-criterium van art. 3.92b lid 4 Wet IB 2001 bij storting anders dan in geld moet worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer, en bij verrekening met een vordering in beginsel naar het nominale bedrag daarvan, ook bij betalingsproblemen.
In ECLI:NL:HR:2018:2198 (2018) oordeelde de Hoge Raad dat een belastingplichtige te kwader trouw was in de zin van art. 16 AWR, omdat hij na te zijn gewezen door werkgever en belastingadviseur op de belastbaarheid van zijn lucratief belang, dit voordeel bewust niet in zijn tweede aangifte had opgenomen.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2025:1746 (2025) dat het inkomen van een expat-manager uit een lucratief belang terecht als resultaat uit overige werkzaamheden was belast, en dat bij een keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht onder de 30%-regeling geen vervangende aanmerkelijkbelangheffing mogelijk is.
De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2019:1228 (2019) dat een verlies op een middellijk gehouden lucratief belang niet aftrekbaar is, en dat deze asymmetrie tussen belaste winst en onaftrekbaar verlies niet in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM.
Aandachtspunten voor de praktijk
De kwalificatietoets van lid 2 tot en met 4 is casuïstisch: voor aandelen gaat het om de alternatieve 10%-achterstellingstoets of de 15%-dividendpreferentietoets, terwijl voor vorderingen en overige rechten een ruim geformuleerde "enigszins belangrijke mate"-maatstaf geldt, zodat leningen, cv-participaties of hybride instrumenten steeds afzonderlijk tegen deze criteria moeten worden gehouden.
Bij inbreng anders dan in geld, zoals agio, moet volgens ECLI:NL:HR:2023:557 gewaardeerd worden naar de waarde in het economische verkeer, en bij verrekening met een vordering in beginsel naar het nominale bedrag; dit raakt direct de vraag of de 10%-drempel van lid 4 wordt overschreden.
Een verlies op een middellijk gehouden lucratief belang is volgens ECLI:NL:HR:2019:1228 niet aftrekbaar van het resultaat uit overige werkzaamheden. In ECLI:NL:GHARL:2020:9921 oordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden daarentegen dat een verlies wegens waardedaling van certificaten van aandelen wel aftrekbaar was omdat sprake was van een lucratief belang, waarbij de aanslag inkomstenbelasting werd verminderd van €1.172.198 naar €542.199 aan belastbaar inkomen uit werk en woning.
Navordering wegens kwade trouw in de zin van art. 16 AWR is volgens ECLI:NL:HR:2018:2198 aan de orde wanneer een belastingplichtige, na door werkgever en belastingadviseur te zijn gewezen op de belastbaarheid van een lucratief belang, dit voordeel bewust niet in zijn tweede aangifte opneemt.
Bij internationale situaties, zoals expat-managers met een lucratief belang naast de 30%-regeling, blijkt uit ECLI:NL:GHAMS:2025:1746 dat een keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht geen vervangende aanmerkelijkbelangheffing oplevert voor dat voordeel.
Recente ontwikkelingen
Het Belastingplan 2026 (Kamerstuk 36812, nr. 21) wijzigt volgens de tweede nota van wijziging art. 3.92b (vermogensbestanddelen bij indirecte holding) en art. 10.6ter (rendementsgrondslag). Daarnaast publiceerde de kennisgroep van de Belastingdienst in 2026 standpunten over de samenloop van reguliere werknemersparticipatie met de verliesverrekeningsbeperking van art. 20a en over de boekstelling van het lucratief belang op de openingsbalans. De overgang naar de WFKR is in kennisgroepstandpunten uit 2024 uitgewerkt voor middellijk gehouden belangen via een open cv, met als lijn dat de vervreemdingsfictie van art. IX lid 2 WFKR die belangen niet raakt.
Kernartikelen
- Art. 3.92b Wet IB 2001 — Art. 3.92b Wet IB 2001: Met een werkzaamheid verband houdende lucratieve belangen
Belangrijkste rechtspraak
6 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHARL:2020:9921 (2020)
Het Hof oordeelt dat het verlies wegens de waardedaling van certificaten van aandelen aftrekbaar is omdat sprake is van een lucratief belang, en vermindert de aanslag inkomstenbelasting dienovereenkomstig van €1.172.198 naar €542.199 aan belastbaar inkomen uit werk en woning.
-
ECLI:NL:HR:2023:557 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat agio voor het 10%-criterium van artikel 3.92b, lid 4, Wet IB 2001 bij storting anders dan in geld moet worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer, en bij verrekening met een vordering in beginsel naar het nominale bedrag daarvan, ook bij betalingsproblemen.
-
ECLI:NL:HR:2018:2198 (2018)
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende te kwader trouw was in de zin van art. 16 AWR omdat hij, nadat werkgever en belastingadviseur hem op de belastbaarheid van het lucratief belang hadden gewezen, dit voordeel bewust niet in zijn tweede aangifte heeft opgenomen.
-
ECLI:NL:PHR:2021:926 (2021)
Het gerechtshof oordeelt dat belanghebbendes belang kwalificeert als lucratief belang ex artikel 3.92b, lid 4, Wet IB 2001, omdat de funding met cumulatief preferent aandelenkapitaal een rendement mogelijk maakte dat niet in verhouding staat tot investering en risico.
-
ECLI:NL:GHAMS:2025:1746 (2025)
Het Hof oordeelt dat het inkomen van een expat-manager uit een lucratief belang terecht is belast als resultaat uit overige werkzaamheden, en dat bij keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht onder de 30%-regeling geen vervangende aanmerkelijkbelangheffing mogelijk is.
-
ECLI:NL:HR:2019:1228 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat een verlies op een middellijk gehouden lucratief belang niet aftrekbaar is van het resultaat uit overige werkzaamheden, en dat deze regeling, ondanks de asymmetrie tussen belaste winst en onaftrekbaar verlies, niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM.
Beleid en standpunten
13 bronnen in de kennisbank-
KG:059:2026:1 (2026)
Standpunt: Reguliere werknemersparticipatie voorkomt niet dat verliesverrekening onder artikel 20a is beperkt, zolang de participatie als bezoldiging met lucratief doel wordt aangemerkt.
-
KG:059:2024:4 (2024)
Standpunt: Verkoop van targetvennootschap door private equityfonds in cv-vorm leidt tot resultaat uit lucratief belang bij de middellijk lucratiefbelanghouder, ook per 1 januari 2025 onder de WFKR.
-
KG:059:2024:3 (2024)
Standpunt: De vervreemdingsfictie van artikel IX tweede lid WFKR heeft geen gevolgen voor houders van een middellijk lucratief belang in de vorm van commanditaire participatie in een open cv of vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm.
-
KG:059:2024:2 (2024)
Standpunt: Vervreemdingsfictie artikel IX tweede lid WFKR raakt niet middellijk gehouden lucratieve belangen in open cv of daarmede vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm.
-
KG:059:2026:2 (2026)
Standpunt: Het lucratief belang (aandelen om niet verkregen) wordt op openingsbalans opgenomen naar waarde in economisch verkeer op moment van verwerving. Zowel voordeel uit verwerving als loonvoordeel uit belastingbetaling door werkgever zijn aftrekbaar.
-
KG:059:2024:1 (2024)
Standpunt: Een reorganisatie waarbij een middellijk lucratief belang via een gewijzigde vennootschappelijke structuur wordt gehouden, leidt niet tot een voordeel uit lucratief belang.
-
Besluit BWBR0045878
Dit beleidsbesluit bevat het beleid over lucratieve belangen in internationale situaties en verdragstoepassing daarop.
-
Kamerstuk 36812 nr. 21
Tweede nota wijziging Belastingplan 2026 wijzigt artikel 3.92b (vermogensbestanddelen indirecte holding) en artikel 10.6ter (rendementsgrondslag).
- KG:059:2025:3 (2025)
-
KG:003:2023:6 (2023)
Standpunt: Forfaitair voordeel artikel 4.13-4.14 Wet IB 2001 is niet van toepassing op middellijk gehouden lucratief belang indien niet grotendeels uit beleggingen en doelstelling lucratief belangregeling niet vervuld.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.