Btw

Btw bij oninbare vorderingen

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Wanneer een afnemer een factuur niet of niet volledig betaalt, heeft de leverancier al btw afgedragen over een vergoeding die hij (deels) nooit ontvangt. Art. 29 Wet OB 1968 corrigeert dat: de ondernemer krijgt de voldane belasting terug voor zover de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen. Het artikel regelt zo het spiegelbeeld van de btw bij oninbaarheid: teruggaaf bij de presterende ondernemer, terugbetaling van de eerder afgetrokken voorbelasting door de niet-betalende afnemer.

De regeling is niet beperkt tot oninbaarheid in enge zin. Ook annulering, verbreking, ontbinding en prijsvermindering na levering vallen onder hetzelfde mechanisme van maatstafverlaging en teruggaaf. Kern van het stelsel is dat het recht op teruggaaf gekoppeld is aan het moment waarop de niet-betaling of ontbinding vaststaat, met een vangnetbepaling die dat moment fixeert op uiterlijk één jaar na opeisbaarheid van de vergoeding.

Aan de andere kant werkt het artikel spiegelbeeldig door: de afnemer die de voorbelasting al in aftrek heeft gebracht, moet die aftrek naar evenredigheid terugbetalen zodra vaststaat dat hij niet of niet geheel zal betalen, met dezelfde eenjaarstermijn als achtervang. Wordt alsnog betaald, dan herleeft het recht op aftrek.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op zodra een factuur openstaat en de kans reëel wordt dat deze niet meer wordt voldaan: bij faillissement of surseance van de afnemer, bij een schuldsaneringstraject, bij langdurige incassotrajecten zonder resultaat, of omdat een vordering na verloop van tijd oninbaar wordt geacht. Ook bij annulering of ontbinding van een overeenkomst na levering, bij creditering en prijsverminderingen achteraf, en bij cessie van een vordering aan een andere ondernemer (factoring) is art. 29 aan de orde. Vanuit het perspectief van de afnemer speelt de bepaling zodra deze een factuur met afgetrokken voorbelasting niet betaalt: dan ontstaat een eigen, spiegelbeeldige verschuldigdheid.

Wettelijk kader

Art. 29 lid 1 Wet OB 1968 bepaalt dat "in geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de goederenlevering of dienst is verricht, (...) de maatstaf van heffing dienovereenkomstig [wordt] verlaagd en ontstaat voor de ondernemer in zoverre recht op teruggaaf van de door hem voldane belasting". Het lid onderscheidt dus twee sporen: annulering, verbreking, ontbinding en prijsvermindering enerzijds, en gehele of gedeeltelijke niet-betaling anderzijds; beide leiden tot verlaging van de maatstaf en teruggaafrecht, maar het zijn afzonderlijke gronden.

Lid 2 fixeert het tijdstip van het teruggaafrecht op het moment waarop de gebeurtenis "komt vast te staan", met een achtervang: bij gehele of gedeeltelijke niet-betaling wordt het recht op teruggaaf "geacht (...) te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden". Deze fictie werkt alleen als vangnet voor het geval oninbaarheid nog niet eerder vaststond; zij vervangt niet de mogelijkheid om eerder al teruggaaf te claimen zodra oninbaarheid feitelijk vaststaat.

Lid 3 sluit teruggaaf uit "voor zover aan de afnemer of diens rechtverkrijgende terugbetaling wordt verricht door een ander dan de ondernemer" bij annulering, verbreking, ontbinding of prijsvermindering, dus niet bij het niet-betalingsspoor. Lid 5 regelt de omgekeerde beweging: wordt de vergoeding alsnog ontvangen, dan wordt de ondernemer de btw daarover opnieuw verschuldigd op het ontvangstmoment. Lid 6 regelt cessie: draagt de ondernemer zijn vordering over, dan treedt de overnemende ondernemer voor lid 1 tot en met 3 in de plaats van de overdragende ondernemer vanaf het overdrachtstijdstip, met een afzonderlijk verzoek om teruggaaf per vordering (lid 10).

Het spiegelbeeld voor de afnemer staat in lid 7: de ondernemer die op grond van art. 15 voorbelasting heeft afgetrokken, "wordt het afgetrokken bedrag naar evenredigheid als belasting verschuldigd op het tijdstip waarop komt vast te staan dat hij de vergoeding (...) niet of niet geheel zal betalen dan wel geheel of gedeeltelijk heeft terugontvangen", met dezelfde eenjaarsfictie als achtervang. Lid 8 laat de aftrek herleven als de afnemer alsnog betaalt.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad heeft in ECLI:NL:HR:2015:1357 (2015) het onderscheid tussen de twee gronden van lid 1 scherp gemarkeerd: teruggaaf op grond van onderdeel b (niet-betaling) is niet mogelijk zolang de vergoeding nog niet is betaald, terwijl teruggaaf op grond van onderdeel a pas volgt zodra vaststaat dat het onbetaalde deel is prijsgegeven of niet zal worden ontvangen. De twee sporen van lid 1 zijn dus niet uitwisselbaar en kennen elk hun eigen vaststellingsmoment.

In ECLI:NL:HR:2012:BX7197 (2012) oordeelde de Hoge Raad dat art. 29 lid 1 geen toepassing vindt bij valse facturen zonder daadwerkelijke transactie, omdat in zo'n geval geen vordering en geen vergoeding in de zin van art. 8 Wet OB ontstaat.

ECLI:NL:HR:2012:BV8952 (2012) betrof een aannemer die de overeengekomen vergoeding niet ontving maar in plaats daarvan het gebouwde onder zich kreeg; de Hoge Raad oordeelde dat in die situatie geen sprake was van een vergoeding in de zin van art. 29 Wet OB.

Aandachtspunten voor de praktijk

Onderscheid scherp tussen het spoor van annulering/ontbinding/prijsvermindering en het spoor van niet-betaling: ECLI:NL:HR:2015:1357 laat zien dat deze niet uitwisselbaar zijn en een verkeerde grond tot afwijzing van de teruggaaf kan leiden.

De eenjaarstermijn van lid 2 en lid 7 is een fictie die het teruggaafmoment uiterlijk fixeert; zij ontslaat niet van de vraag wanneer opeisbaarheid van de vergoeding daadwerkelijk is ingetreden.

Bij cessie van vorderingen (lid 6) verschuift het teruggaafrecht mee naar de overnemende ondernemer vanaf het overdrachtstijdstip; het verzoek om teruggaaf moet dan, in afwijking van de gewone teruggaafprocedure, per vordering afzonderlijk bij de inspecteur worden ingediend (lid 10).

De verplichting tot terugbetaling van de aftrek door de afnemer (lid 7) loopt parallel aan, maar onafhankelijk van, het teruggaafrecht van de leverancier: beide partijen beoordelen zelfstandig op welk moment hun eigen correctie intreedt.

ECLI:NL:HR:2012:BX7197 en ECLI:NL:HR:2012:BV8952 laten zien dat de kwalificatie van de onderliggende feiten, is er wel een vergoeding, een reële prestatie, een noodzakelijke voorvraag is voordat art. 29 aan de orde komt.

Recente ontwikkelingen

In ECLI:NL:HR:2026:713 (2026) oordeelde de Hoge Raad over de heffing van omzetbelasting bij een toestelkrediet: de maandelijkse aflossingstermijnen moeten, overeenkomstig de contractuele betrekkingen met de consument, worden aangemerkt als het vorderen van de vergoeding voor de levering van het telefoontoestel.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Alle bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.