Btw

Btw bij oninbare vorderingen

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

Wanneer een afnemer een factuur niet of niet volledig betaalt, heeft de leverancier al btw afgedragen over een vergoeding die hij (deels) nooit ontvangt. Art. 29 Wet OB 1968 corrigeert dat: de ondernemer krijgt de voldane belasting terug voor zover de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen. Dezelfde bepaling regelt het spiegelbeeld bij de afnemer: wie voorbelasting heeft afgetrokken over een factuur die hij niet betaalt, moet dat bedrag naar evenredigheid terugbetalen. De regeling kent daarnaast een tweede, aparte grond: annulering, verbreking, ontbinding of prijsvermindering nadat al is geleverd, met hetzelfde mechanisme van maatstafverlaging en teruggaaf.

Dit thema beantwoordt:

  • Welke twee sporen kent art. 29 Wet OB 1968 en waarom zijn ze niet uitwisselbaar?
  • Welke termijnen gelden voor de teruggaaf bij de leverancier en de herziening bij de afnemer, en wat veranderde de wetswijziging van 1 januari 2017?
  • Wat zijn de gevolgen voor de afnemer die de voorbelasting al had afgetrokken, en wat gebeurt er bij alsnog betalen?
  • Hoe werkt de teruggaaf bij overdracht van een vordering aan een andere ondernemer (cessie/factoring)?
  • Wanneer bestaat er geen vergoeding die oninbaar kan worden?

De twee sporen van artikel 29

Art. 29 lid 1 Wet OB 1968 kent twee gronden voor verlaging van de maatstaf van heffing: het spoor van annulering, verbreking, ontbinding of prijsvermindering nadat de levering of dienst is verricht, en het spoor van gehele of gedeeltelijke niet-betaling. Beide leiden tot teruggaaf van de voldane belasting, maar de voorwaarden verschillen en de sporen zijn niet uitwisselbaar. De Hoge Raad heeft dit onderscheid gemarkeerd in ECLI:NL:HR:2015:1357, gewezen onder de destijds geldende tekst met afzonderlijke onderdelen in lid 1: het spoor van niet-betaling leidt tot teruggaaf zodra vaststaat dat het onbetaalde deel is prijsgegeven of niet zal worden ontvangen, terwijl het andere spoor vooronderstelt dat de vergoeding eerst is ontvangen en nadien geheel of gedeeltelijk is terugbetaald, en dus geen toepassing vindt zolang de vergoeding nooit is voldaan. De huidige tekst van lid 1 kent deze afzonderlijke onderdelen niet meer, maar het onderliggende onderscheid blijft inhoudelijk relevant voor de vraag welke grond van toepassing is.

Voor het niet-betalingsspoor moet in de kern vaststaan dat een levering of dienst is verricht waarover de ondernemer btw heeft voldaan, en dat de vergoeding, of het onbetaalde deel daarvan, niet of niet meer zal worden ontvangen (art. 29 lid 1 en lid 2 Wet OB 1968). Dat spoor speelt zodra een factuur openstaat en de kans reëel wordt dat deze niet meer wordt voldaan, bijvoorbeeld bij faillissement of surseance van de afnemer, bij een schuldsaneringstraject of bij een langdurig incassotraject zonder resultaat. Het andere spoor, van annulering, verbreking, ontbinding of prijsvermindering, ziet juist op gevallen waarin een overeenkomst ná levering wordt teruggedraaid of gecrediteerd. Bij dat spoor geldt een aanvullende voorwaarde: is de terugbetaling aan de afnemer verricht door een ander dan de ondernemer zelf, dan vervalt het teruggaafrecht in zoverre (art. 29 lid 3 Wet OB 1968); deze uitsluiting geldt niet voor het niet-betalingsspoor.

Termijnen en de wetswijziging van 2017

Tot 1 januari 2017 gold voor de herzieningsplicht van de afnemer een termijn van twee jaar na opeisbaarheid van de vergoeding, en bestond geen wettelijke indeplaatstreding bij cessie: een factoor die vorderingen overnam, kon alleen via een goedkeuring op grond van de hardheidsclausule namens de crediteur een teruggaafverzoek indienen. Met het Belastingplan 2017 (Stb. 2016/546, in werking per 1 januari 2017) is de termijn voor zowel het teruggaafrecht van de leverancier als de herzieningsplicht van de afnemer teruggebracht tot uiterlijk één jaar na opeisbaarheid, en is de indeplaatstreding bij overdracht van een vordering wettelijk verankerd in het huidige lid 6. Voor vorderingen die op 1 januari 2017 al opeisbaar waren, is overgangsrecht getroffen: voor die vorderingen gaat de eenjaarstermijn pas vanaf die datum lopen.

Deze termijn is telkens een vangnet, geen wachttijd: het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de niet-betaling (of de annulering, verbreking, ontbinding of prijsvermindering) komt vast te staan, met de eenjaarstermijn na opeisbaarheid als achtervangmoment voor het geval oninbaarheid nog niet eerder feitelijk vaststond (art. 29 lid 2 Wet OB 1968). Zodra dus al eerder vaststaat dat een vordering (deels) oninbaar is, ontstaat het recht op teruggaaf al op dat eerdere moment.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Teruggaaftermijn (vangnet) leverancier bij niet-betalinguiterlijk 1 jaar na opeisbaarheid van de vergoeding (sinds 1 januari 2017)art. 29 lid 2 Wet OB 1968
Herzieningstermijn afnemer bij niet-betaling (huidig)uiterlijk 1 jaar na opeisbaarheid van de vergoedingart. 29 lid 7 Wet OB 1968
Herzieningstermijn afnemer bij niet-betaling (tot 1 januari 2017)2 jaar na opeisbaarheid van de vergoedingart. 29 Wet OB 1968 (tekst tot 1 januari 2017)

(wettekst geldend per 2026)

Gevolgen voor de afnemer: herziening en herleving

Voor de leverancier wordt de maatstaf van heffing verlaagd en komt de eerder voldane btw terug (art. 29 lid 1 Wet OB 1968). Voor de afnemer die de voorbelasting op grond van art. 15 al had afgetrokken, geldt het spiegelbeeld: hij wordt het afgetrokken bedrag naar evenredigheid als belasting verschuldigd op het tijdstip waarop komt vast te staan dat hij de vergoeding niet of niet geheel zal betalen, met dezelfde eenjaarsfictie na opeisbaarheid als achtervang (art. 29 lid 7 Wet OB 1968). Deze verschuldigdheid van de afnemer loopt zelfstandig naast het teruggaafrecht van de leverancier: beide partijen beoordelen elk hun eigen correctiemoment, zodat het tijdstip waarop leverancier en afnemer hun aangifte aanpassen in de praktijk uiteen kan lopen. Deze correctie verloopt voor de afnemer net als reguliere herziening van voorbelasting via de aangifte.

Wordt de vergoeding daarna alsnog geheel of gedeeltelijk ontvangen respectievelijk betaald, dan herleven beide correcties in spiegelbeeld: de ondernemer wordt de btw over het alsnog ontvangen bedrag opnieuw verschuldigd op het ontvangstmoment (art. 29 lid 5 Wet OB 1968), en de afnemer krijgt op het moment van alsnog betalen opnieuw recht op aftrek van de alsnog voldane belasting, met toepassing van de herzieningsregels van art. 15 op de tussenliggende tijdvakken (art. 29 lid 8 Wet OB 1968). Blijft de afnemer ook zijn eigen, uit lid 7 voortvloeiende verschuldigdheid onbetaald, dan kan dit voor de inspecteur aanleiding zijn voor naheffing.

Procedure en cessie

Een apart verzoek is in de meeste gevallen niet nodig: het teruggaafbedrag wordt verwerkt in de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan (art. 29 lid 4 Wet OB 1968). Blijkt achteraf dat een teruggaaf in een onjuist tijdvak is verwerkt, dan loopt herstel via de reguliere weg van suppletie.

Alleen bij cessie van een vordering ligt dit anders. Draagt de ondernemer zijn vordering geheel of gedeeltelijk over aan een andere ondernemer, dan treedt die andere ondernemer vanaf het overdrachtstijdstip voor de toepassing van lid 1 tot en met lid 3 in de plaats van de overdragende ondernemer (art. 29 lid 6 Wet OB 1968). Het teruggaafverzoek wordt dan, in afwijking van de gewone teruggaafprocedure, per vordering afzonderlijk ingediend bij de inspecteur (art. 29 lid 10 Wet OB 1968); bij ministeriële regeling zijn nadere regels gesteld over vorm en indiening van dat verzoek. Deze indeplaatstreding geldt sinds 1 januari 2017; voor vorderingen die een factoor vóór die datum al had overgenomen, bleef de oudere praktijk gelden waarin de factoor slechts namens de crediteur en onder voorwaarden een teruggaafverzoek kon indienen. Bij algemene maatregel van bestuur kan bovendien worden bepaald dat de teruggaaf- en herzieningsregels van art. 29 niet gelden voor bedragen die niet zijn ontvangen respectievelijk betaald wegens een korting voor contante betaling (art. 29 lid 9 Wet OB 1968).

Wanneer bestaat er geen vergoeding

Art. 29 veronderstelt dat voor de levering of dienst daadwerkelijk een vergoeding in de zin van de wet is bedongen. In ECLI:NL:HR:2012:BX7197 oordeelde de Hoge Raad dat art. 29 lid 1 Wet OB 1968 geen toepassing vindt bij valse facturen zonder daadwerkelijke transactie, omdat in zo'n geval geen vordering en geen vergoeding in de zin van art. 8 Wet OB 1968 ontstaat. In ECLI:NL:HR:2012:BV8952 ging het om een aannemer die de overeengekomen vergoeding niet ontving maar in plaats daarvan het gebouwde onder zich kreeg; de Hoge Raad oordeelde dat in die situatie geen sprake was van een vergoeding in de zin van art. 29 Wet OB 1968. Beide zaken laten zien dat de kwalificatie van de onderliggende feiten, is er wel een vergoeding overeengekomen, is er wel een reële prestatie, een noodzakelijke voorvraag is voordat aan toepassing van art. 29 wordt toegekomen. Pas als die voorvraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde welk van de twee sporen van toepassing is en of de termijnen van art. 29 lid 2 en lid 7 in acht zijn genomen.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Kies het juiste spoor: het niet-betalingsspoor en het spoor van annulering, verbreking, ontbinding of prijsvermindering zijn niet uitwisselbaar (ECLI:NL:HR:2015:1357).
  • De eenjaarstermijn is een vangnet, geen wachttijd: staat oninbaarheid feitelijk eerder vast, dan ontstaat het recht op teruggaaf al op dat eerdere moment.
  • Bij vorderingen die op 1 januari 2017 al opeisbaar waren, gaat de eenjaarstermijn pas vanaf die datum lopen, niet vanaf de oorspronkelijke opeisbaarheidsdatum.
  • Bij cessie na 1 januari 2017 verschuift het teruggaafrecht mee naar de overnemende ondernemer (art. 29 lid 6 Wet OB 1968); het verzoek moet per vordering afzonderlijk bij de inspecteur worden ingediend (lid 10), in afwijking van de gewone teruggaafprocedure.
  • Toets eerst of er een vergoeding in de zin van de wet bestaat: bij valse facturen of een prestatie in natura ontbreekt een vordering die oninbaar kan worden (ECLI:NL:HR:2012:BX7197; ECLI:NL:HR:2012:BV8952).
  • De verschuldigdheid van de afnemer (lid 7) en het teruggaafrecht van de leverancier lopen onafhankelijk van elkaar; de momenten waarop beiden hun aangifte aanpassen kunnen uiteenlopen.

Recente ontwikkelingen

  • 2021: het Gerechtshof Amsterdam beoordeelt of betalingen aan ziekenhuizen moeten worden aangemerkt als een vermindering van de door de ziekenhuizen ontvangen vergoeding in de zin van art. 29 Wet OB 1968, dan wel als een door de betaler verschuldigde vergoeding voor een aan haar verrichte prestatie (ECLI:NL:GHAMS:2021:942).
  • 2026: de Hoge Raad oordeelt dat maandelijkse aflossingstermijnen op een toestelkrediet, overeenkomstig de contractuele betrekkingen met de consument, moeten worden aangemerkt als het vorderen van de vergoeding voor de levering van het telefoontoestel; het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt ter verdere behandeling verwezen naar Hof Amsterdam (ECLI:NL:HR:2026:713).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Alle bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.